
1986
ZWOLS
HISTORISCH
TIJDSCHRIFT
ZWOL&E HISTORISCHE VERENIGING
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
INHOUDSOPGAVE / NUMMER EEN / JAARGANG DRIE / 1986
1 VAN DE REDACTIE
ARTIKELEN
2 Het kadaster van 1832 als bron voor de Zwolse geschiedenis
P.W.J. DEN OTTER
13 Een Karolingische mantelspeld uit Wythmen H. HASSELT
16 Het orgel van de Plantagekerk te Zwolle
H.C.J. WULLINK
VAN DE INSTELLINGEN
12 Tentoonstellingsagenda Provinciaal Overijssels Museum
24 Bericht van het Provinciaal Overijssels Museum
25 Bericht van het Gemeente-Archief Zwolle: publicaties
1985 (mede) gebaseerd op Zwolse bronnen
VERSCHIJNINGSBERICHT
28 Handleiding voor genealogisch onderzoek in Nederland
VERENIGINGSMEDEDELINGEN
27 Lezingencyclus 1986: bekende Zwollenaren
28 Hulp gevraagd
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift:
W.A. Huijsmans, P. Lindhoud, R.T. Oost (eindredacteur),
mevr. I. Wormgoor & mevr. A. van der Wurff.
Redactie Zwols Historisch Jaarboek:
J.F. Borst (eindredacteur) & P.J. Lettinga.
Zwolse Historische Vereniging
Niuls uit deze uitijüvn niay worden verveelvoudigd un ‘
of upenbaai p,emaakl dour miridd vjn diuk. toiucopy,
microfilm of OIJ welkt.- wij/t; ook. /oinler voorafgaande
s(.’hnrieli|ke toesteinnnni.) van ilt; utujtivur
VAN DE REDACTIE
Met dit nummer start de derde jaargang van het Zwols Historisch
Tijdschrift.
Al twee jaar mogen wij ons verheugen over een overwegend goede
ontvangst van het blad, zoals blijkt uit verschillende reacties.
De redactie heeft dan ook gemeend de opzet en de omslag van het
blad niet te moeten veranderen.
Tegen degenen die suggesties met betrekking tot de inhoud en/of
uitvoering van het blad voor zich hielden, zouden wij willen
zeggen: onthoudt ons Uw welgemeende adviezen niet.
Om het werk van de redactie te vereenvoudigen, zijn de uiterste
data voor het inleveren van de copy door de auteurs met een
maand vervroegd. Dat betekent: 1 november voor het eerste nummer
van de nieuwe jaargang, 1 februari voor het tweede, 1 mei voor
het derde en 1 augustus voor het vierde.
Veel leesplezier wensen wij U toe bij dit nummer van het Zwols
Historisch Tijdschrift.
HET KADASTER VAN 1832 ALS BRON VOOR DE ZWOLSE GESCHIEDENIS
P.W.J. DEN OTTER
Kadastrale archivalia zijn van onschatbare waarde voor de studie
van de locale en regionale geschiedenis. Helaas maken nog
te weinig amateur- èn professionele historici gebruik van deze
bron met vele mogelijkheden. Dit is te wijten aan de moeilijk
te doorgronden structuur van het kadasterarchief en aan de overweldigende
omvang ervan. Alleen al in Overijssel beslaat
het archief vele honderden strekkende meters registers plus
meer dan tienduizend kaarten. De door kadastrale ambtenaren
gebruikte technische termen, die voor een leek veel weg hebben
van een geheimtaal, vormen een laatste belemmering.
VOORGESCHIEDENIS
Vanouds.is veel vermogen belegd in onroerend goed. De belasting
daarop vormt dan ook vanaf de middeleeuwen een belangrijke bron
van inkomsten voor de gewestelijke en plaatselijke overheden.
Daartoe dienen bepaalde gegevens over eigendommen – ligging,
aard, grootte, belastbare opbrengst, belastingplichtige – in registers
vastgelegd te worden. Het eeuwenoude, per gewest nogal
uiteenlopende systeem van de verponding voldoet tegen het
einde van de achttiende eeuw niet meer.
In 1805 valt het besluit tot reorganisatie en uniformering van
de heffing der grondbelasting, waarna in 1807 de opmeting en
kartering van eigendommen volgens dezelfde lengtemaat aanvangt.
Men baseert de belastingaanslag op de huurwaarde, die wordt
vastgesteld door van overheidswege benoemde schatters. Dit zogenaamde
Hollandse Kadaster is nooit voltooid. Ten gevolge van
de inlijving van het Koninkrijk Holland (1806-1810) bij het
Franse Keizerrijk (1810-1813) gaan ook hier de Franse belastingwetten
gelden. Niet langer wordt de aanslag van de grondbelasting
gebaseerd op de huurwaarde. Voortaan geldt de werkelijke
opbrengst als basis. Als gevolg hiervan wordt het reeds verrichte
werk afgekeurd.
De inrichting van het op de Franse leest geschoeide kadaster
begint in 1811. Bij de werkzaamheden laat men zich luiden door
de vertaling van een omvangrijke bundel Franse voorschriften,
de “Méthodique verzameling der wetten, decreten, reglementen,
instructien en decisiè’n betrekkelijk het cadaster van het
Fransche Rijk” in drie talen door Doorman & Compagnie te Amsteriinia
m1
M K T II O O I O tl F.
VERZAMELING
wi n r . ni.<:nrrt, KF.GI.KMKNJTN
I s l III f I II (.% I I M I S l t . V ,
CA0ASTER VAX 11 ET FftANSaiE BUI*
s
1K)OB BEN MIXISÏ'EK VA3T PlSASCHX
afb.1: Titelpagina van het deel modellen van de "Methodique
Verzameling"
RAO, Archief Prefect, inv.nr. 4240. Foto: RAO.
4
dam in 1812 uitgegeven (afb.1). Evenals zovele andere Franse
wetten is ook dit "Recueil Méthodique" na de onafhankelijkheid
van 1813 gehandhaafd. Het duurt uiteindelijk echter nog ruim
twintig jaar, voordat op 1 oktober 1832 het kadaster als basis
voor de heffing van de grondbelastifg kan worden ingevoerd.
Om als reële basis voor de heffing te kunnen blijven dienen,
moeten de kadastrale gegevens uiteraard voortdurend bijgehouden
worden. Hiertoe worden op 23 oktober 1832 de "Verordeningen tot
instandhouding van het kadaster van het Koninkrijk der Nederlanden"
uitgevaardigd. De thans voorhanden zijnde kadastrale
archiefstukken kunnen worden onderscheiden in de oorspronkelijke
stukken, aanwezig op 1 oktober 1832, en de suppletoire stukken
ofwel de bijhouding van 1832 tot heden. In de oorsponkelijke
stukken mochten na 1832 geen wijzigingen meer worden aangebracht.
Ze vormen dan ook een zeer betrouwbare momentopname van
de kadastrale situatie van dat moment. In de kadastrale administratie
is de term "minuut" in zwang ter aanduiding van documenten,
die op of vóór 1 oktober 1832 zijn ontstaan. De suppletoire
stukken daarentegen geven inzicht in de ontwikkeling van
de situatie sedert eind 1832. De ontwikkeling van de kadastrale
administratie van 1832 tot heden is echter een verhaal apart en
valt buiten het bestek van dit artikel.
INRICHTING VAN HET KADASTER VAN 1832.
De werkzaamheden beginnen met uitgebreide metingen. Voor het
eerst in de geschiedenis wordt heel Nederland systematisch opgemeten.
Meestal uitgaande van kerktorens wordt per gemeente
als meetkundige grondslag een driehoeksnet van opvallende
punten ingemeten. Dit driehoeksnet staat opgetekend in de minuutregisters
van driehoeksmeting.
Tevens onderneemt een gezelschap, bestaande uit de landmeter-delimitateur,
de burgemeesters der aan elkaar grenzende gemeenten
en de door hen aangewezen vertrouwenslieden, een wandeling langs
de gemeentegrenzen en stelt de precieze afbakening ervan vast.
De gegevens worden vastgelegd in de processen-verbaal der grensbepaling
van het grondgebied der gemeenten.Dergelijke processenverbaal
bevatten een schat aan topografische en toponymische
gegevens. De punten van grensscheiding worden ingemeten en een
kaart, de oppervlakkige of figuratieve schets der grenslijnen,
completeert het geheel. Aldus is ook op 15 april 1822 de definitieve
grens tussen de gemeenten Stad Zwolle en Zwollerkerspel
vastgelegd (afb.2 en 3 ) .
afb.2: Zuidelijke grensafbakening tussen de gemeenten Stad
Zwolle en Zwollerkerspel.
RAO, Processen-verbaal van grensbepaling der gemeenten, inv.
nr. LXVII. Foto: RAO.
afb.3: Topografische beschrijving van een deel van de zuidelijke
grensafbakening tussen de gemeenten Stad
Zwolle en Zwollerkerspel.
GAZ, inv.nr. AAZK1 - 01779.
Vervolgens gaat men het eenmaal vastgestelde grondgebied van
een gemeente onderverdelen in vakken, sekties in de kadastrale
terminologie. Deze sekties worden aangeduid met de hoofdletters
A, B, C enzovoorts. Dikwijls is daarbij de oude indeling in gerichten
of buurtschappen gevolgd. De sektie-indeling is vastgelegd
op een verzamelplan, schaal 1:10.000. Plan is de kadastrale
naam voor kaart. Tevens bevat deze kaart de voornaamste
wegen, wateren en gebouwen. Perceelsgrenzen staan er niet
op. De gemeente Stad Zwolle bijvoorbeeld is in 1822 verdeeld in
zes sekties: sektie A Dieze, B Zuidbroek, C Mars en Geren, D
Assendorp en F de Stad (afb.4).
:.. •>• t
afb.4: Verzamelplan van de gemeente Stad Zwolle’.
RAO, Minuutplans, inv.nr. 1498. Foto: RAO.
Alle afzonderlijke stukken grond, die duidelijk zijn begrensd
en aan één eigenaar toebehoren, de percelen, worden opgemeten
en ingetekend op de kadastrale minuutplans. Het is van het
allergrootste belang voor ogen te houden, dat de minuutplans
primair eigendomsgrenzen aangeven en nooit en te nimmer mogen
of kunnen worden gelezen als topografische kaarten. Dit ondanks
het feit dat ook gebouwen, wateren, wegen en dergelijke op de
plans staan aangegeven. Elk perceel is voorzien van een nummer,
dat op de kaart midden in het perceel is aangebracht. Binnen
elke afzonderlijke sektie loopt de nummering vanaf één. Wanneer
7
een sektie bestaat uit meerdere kaartbladen, loopt de perceelsnummering
door van blad 1 naar blad 2 en zo verder. De volledige
en juiste kadastrale aanduiding van een perceel bevat dus de
volgende elementen: Gemeentenaam, Sektieletter, Perceelsnurrmer.
Zo is de aanduiding van de Broerenkerk in 1832: Gemeente Stad
Zwolle, Sektie F, Eerste Blad, Nummer 458 (afb.5).
afb.5: De Broerenkerk en omgeving kadastraal gezien. Minuutplan
Gemeente Stad Zwolle, Sektie F, Eerste blad.
RAO, Minuutplans, inv.nr. 1510. Foto: RAO.
Kadastrale plans zijn niet allemaal op dezelfde schaal getekend.
Voor dichtbebouwde gebieden is de schaal 1:1250 gebruikt
voor landelijk gebied met verspreide bebouwing de schaal 1-
^öüO, terwijl gebieden met grotere percelen op schaal 1-5000
zijn getekend. Zoals vermeld zijn de verzamelplans 1:10 000 Op
de kaarten zijn de begrenzingen van de percelen aangegeven door
een ononderbroken lijn. Behoort een gebouw tot het perceel
waarbinnen het is getekend, dan is er een pijltje doorheen gestippeld.
Een gestippelde lijn door de percelen geeft het recht
van overpad aan. De oude veldnamen zijn niet opgetekend, wel
worden namen van grotere gebieden vermeld. Huizen zijn in rood
aangegeven, kerken in kobaltblauw, wateren in ultramarijn en
wegen in bruin. Sektie- en gemeentegrenzen zijn ook in kleur
aangegeven.
8
Een volgend kadastraal stuk is de oorspronkelijk aanwijzende
tafel (o.a.t.). Dit register bevat een opsomming van alle percelen
binnen een gemeente, geordend naar sektie en in numerieke
volgorde van de perceelsnummers. Na vermelding van de plaatselijke
benaming van een conglomeraat van percelen, wordt per perceel
vermeld: de eigenaar, diens beroep, zijn of haar woonplaats,
het artikelnummer in de kadastrale legger, het soort eigendom
(bos, heide bouwland, weide, bebouwing etcetera), de grootte in
hectaren, aren en centiaren, de kwaliteitsklasse, het toegepaste
belastingtarief en het uiteindelijk te heffen belastingbedrag.
Voorin elk deel worden de toegepaste tarieven voor de
verschillende soorten en kwaliteitsklassen van gebouwde en ongebouwde
eigendommen vermeld (afb.6).
Ji
/…<:
A
afb.6: Fragment uit de oorspronkelijk aanwijzende tafel der
gemeente Zwollerkerspel, Sektie A, genaamd Streukel.
RAO, o.a.t.'s, inv.nr. 3. Foto: RAO.
Tot slot wordt in 1832 opgemaakt de perceelsgewijze legger,
ook wel kadastrale legger of artikelsgewijze legger genoemd.
Hierin treft men weer per gemeente alle percelen aan onder vermelding
van dezelfde gegevens als in de o.a.t.. Nu echter zijn
de gegevens primair geordend op naam van de eigenaar. Onder één
hoofd, bestaande uit naam, voornaam, beroep en woonplaats van
de eigenaar zijn diens percelen gerangschikt tot een zogenaamd
leggerartikel. Het nummer van dit artikel staat ook in de o.a.t.
9
vermeld. In tegenstelling tot de o.a.t. bevat de legger ook gegevens
betreffende de wijze van verwerving van het bezit. Anders
dan bij de minuutplans en de o.a.t.'s zijn in de leggers
na 1 oktober 1832 wel wijzigingen aangebracht. Bijvoorbeeld bij
wisseling van eigenaar of bij splitsing en samenvoeging van
percelen. De toestand van 1 oktober 1832 is gemakkelijk te herkennen,
omdat op die datum het totale bezit van een eigenaar
bij elkaar is opgeteld (afb.7).
s
... . •X'-
V J « f 't 1 '( f.
-
-n—-
Ki
I
i
i
- • ^
. i i
"n
iv
ti
i
f IV lf|> A l i U M i . M i
– ” ‘ – • • ‘< •'••• -- -
id v»l m i
1,* ««-^
(...( f»«, :,
si * ^O*
i
( f n *•
" H - 'I-IJ,". |
l'
' • ' • ' • '
: t
i
t
i
• '(i'.
Tt
afb.7: Fragment uit de kadastrale legger der gemeente Zwolle,
artikelnr. 816, Hendrik Marsman.
GAZ, kad.legger met de artikelnrs. 790 - 1194.
Foto: J.P. de Koning, Gem. Fotodienst Zwolle.
MOGELIJKHEDEN VOOR ONDERZOEK.
Het kadasterarchief biedt onvermoede mogelijkheden tot reconstructie
van de historische werkelijkheid in de stad Zwolle en
het omringende platteland omstreeks 1832. Desgewenst kan men
daarbij uitgaan van het terrein of de kaart (minuutplan), van
het perceel (o.a.t.) of de eigenaar (legger). Alle kaarten en
registers staan op systematische wijze met.elkaar in verband.
Ieder die onderzoek in deze archieven wil gaan verrichten, doet
er goed aan het tamelijk onbekend gebleven artikel van A.D. Kakebeek
over de reconstructie van de ambachtelij k-agrarische
situatie in de Brabantse dorpen rond 1830 te bestuderen (zie
literatuurlijst nr.1). Zijn betoog vormt een ware methodische
goudmijn. Enkele door hem geschetste onderzoeks- en reconstuctiemogelijkheden
zijn:
10
1. De topografische kaart c.q. de overzichtskaart van het gebruik
der eigendommen. Op een lichtdruk van een minuutplan
kunnen door de onderzoeker de percelen worden ingekleurd
naar gebruik. Gegevens hierover treft men per perceel in de
o.a.t. aan. Ongebouwde eigendommen zijn verdeeld in bouwlanden,
weilanden of hooilanden, tuinen en boomgaarden, hakhout,
opgaande bossen, twijgwaarden en rietlanden, heide- en
zandplaten, moerassen, kolken, sloten, grachten, vijvers en andere
wateren, eendekooien, aanleg tot vermaak, blekerijen etcetera,
alsmede de categorie sluisgelden en rechten van visserij
en overvaart. Gebouwde eigendommen omvatten huizen, koetshuizen,
stallen en schuren, koepels en tuinhuizen, pakhuizen en
ambachtelijke en industriële vestigingen als molens, brouwerijen,
steenbakkerijen, weverijen en spinnerijen, scheepswerven, leerlooierijen,
lijnbanen enzovoorts. De informatie uit de o.a.t.
kan mogelijk nog worden aangevuld mot gegevens uit de ouste topografische
kaarten. Bijvoorbeeld de in 1849 in opdracht van het
Overijsselse provinciale bestuur uitgegeven topografische kaart.
2. Kwaliteitskaarten. Het is ook mogelijk de lichtdrukken in te
kleuren volgens de door de schatters van de grondbelasting aan
elk perceel toegekende kwaliteitsklasse. De kwaliteitsaanduiding
treft men eveneens in de o.a.t. aan. Het archief van de Gouverneur
des Konings, vierde afdeling, bevat tal van gegevens over
de criteria, welke ten grondslag hebben gelegen aan de schatting
naar kwaliteit. Bij landbouwgronden spelen factoren als vruchtbaarheid,
bewerkbaarheid, bereikbaarheid, hoogteligging een rol,
bij weilanden de aantallen per hektare te weiden vee, bij huizen
het aantal kamers, de inrichting ervan en de gebruikte
bouwmaterialen. Bij bossen de mogelijkheid tot houtwinning, bij
heidevelden de ontginningsmogelijkheden en de plaggenwinning. De
hoogte van de belastingaanslag is uiteraard ten nauwste gerelateerd
aan de toegekende kwaliteitsklasse. Kwaliteitskaarten zijn
mogelijk voor gronden in agrarisch gebruik, bossen en woeste
gronden en gebouwen.
3. Plattegrond. Op basis van de minuutplans en de o.a.t.'s kan
men een plattegrond van een dorp, stad of gehucht met de eigenaren
van de huizen samenstellen. Het is daarbij van belang in
de gaten te houden dat de o.a.t. wel de eigenaren van het gebouw
vermeldt, maar dat dit niet noodzakelijkerwijze ook de bewoners
of de gebruikers behoeven te zijn. Huurders komt men via
de kadastrale administratie niet op het spoor.
4. De eigendommenkaart. Met behulp van de legger kan van elke
eigenaar tamelijk eenvoudig een overzicht van het totale bezit
binnen een kadastrale gemeente opgemaakt worden. Het is misschien
goed hier te vermelden, dat de beroepsaanduidingen niet altijd
11
even betrouwbaar zijn. Voor de zekerheid dienen ze aan de hand
van andere bronnen gecontroleerd te worden. Voor genealogen
doet zich hier een uitgelezen gelegenheid voor hun stamboom
"aan te kleden" met andere gegevens dan alleen geboorte-, huwelijks-
en sterfdata. Als men heeft vastgesteld dat de eigenaar
tevens bewoner is van een boerderij, kan men een spreidingskaart
van de percelen van een bepaalde boerderij vervaardigen.
5. Bezit in de Dode Hand. Deze kaart verschaft inzicht in de bezittingen
van een bijzondere categorie eigenaars: de kerken en
instellingen van weldadigheid. Deze goederen worden aangeduid
als bezit in de Dode Hand en zijn vrijgesteld van grondbelastingheffing.
Onroerend goed vormt in deze tijd nog een voorname bron
van inkomsten voor deze instellingen.
Genoemde documenten verschaffen de onderzoeker informatie over
het grondgebruik en de agrarische ontwikkeling, de middelen van
bestaan, de eigendomsverhoudingen met in het verlengde daarvan
de welstand en sociale structuur van de samenleving, de bouwen
nederzettingsgeschiedenis, de loop van rivieren en wegen en
tal van andere facetten van de historische geografie. Vele gegevens
kunnen naast de weergave op kaarten ook met behulp van
statistische technieken gekwantificeerd en geïnterpreteerd
worden.
BEWAARPLAATSEN.
Waar worden de stukken betreffende Zwolle en Zwollerkerspel
bewaard ?
00 Minuutregisters van driehoeksmeting:
Rijksarchief in Overijssel (RAO).
00 Processen-verbaal van grensbepaling:
RAO, Gemeente-archief Zwolle (GAZ).
00 Verzamelplans:
RAO, GAZ.
00 Minuutplans:
RAO, GAZ.
00 Oorspronkelijk aanwijzende tafels:
RAO, GAZ (niet van Zwollerkerspel), Dienst voor het kadaster
en de openbare registers, directie Overijssel (KADOR).
00 Leggers:
GAZ (ten dele van Zwollerkerspel), KADOR.
00 Archief Gouverneur des Konings:
RAO.
12
Het Rijksarchief is gevestigd Eikenstraat 20, het Gemeente-
Archief Voorstraat 26 en KADOR-Overijssel Zwartewaterallee 7,
allen te Zwolle.
Bij de beide archiefdiensten is raadpleging gratis. Door KADOR
wordt kadastraal recht in rekening gebracht, tenzij men een
verklaring kan overleggen dat het voorgenomen onderzoek een wetenschappelijk
karakter draagt. Dergelijke verklaringen kunnen
alleen door de rijksarchivaris worden afgegeven. Nadere inlichtingen
hierover bij het Rijksarchief.
LITERATUUR.
1. A.D. Kakebeeke, "Reconstructie van de agrarisch-ambachtelijke
situatie onzer dorpen uit de kadastrale bescheiden omstreeks
1830 als project voor een heemkundekring" in: Brabants
Heem XXIX (1967), 5-18.
2. F. Keverling Buisman & E. Muller, "Kadaster-gids". Gids voor
de raadpleging van hypothecaire en kadastrale archieven uit de
19e en de eerste helft van de 20e eeuw.('s-Gravenhage, 1979).
3. C. Koeman, "Bijdragen van het kadaster aan de kartografie van
Nederland" in: Op goede gronden. Een bundel opstellen ter gelegenheid
van het 150-jarig bestaan van de dienst van het kadaster
en de openbare registers. ('s-Gravenhage, 1982) 103-
131.
4. E. Muller, "De archieven bij het kadaster" in: Nederlands
Archievenblad, 82 (1978) 41-54.
5. F. Nijstad, "Het kadaster van 1830. Een weinig gebruikte
bron met vele mogelijkheden" in: Groniek, 16 (1982) nr 76,
47-50.
TENTOONSTELLINGSAGENDA PROVINCIAAL OVERIJSSELS MUSEUM
23 februari - 7 april Tekeningen van Grasdorp, de
recente aanwinst, getoond in
het prentenkabinet.
Weeshuizen in Overijssel.
Zwanen
Muskusrat (Natuurmuseum)
7
18
12
maart
april
mei
- 27 april
- begin augustus
- 13 juli
13
EEN KAROLINGISCHE MANTELSPELD UIT WYTHMEN
HENK HASSELT
Aan de Heinoseweg, in de Zwolse buurtschap Wythmen, zijn door
amateurarcheologen veelvuldig onderzoekingen verricht naar de
leefwijze van onze voorouders vanaf de Romeinse tijd tot en met
de late middeleeuwen. Een veelvoud aan tastbare stukjes van de
puzzel werd bijeengebracht, gedocumenteerd en gepubliceerd 1).
Deze onderzoeken vonden plaats omdat door het diepploegen van
twee, aangrenzende percelen, veel materiaal naar boven kwam.
Onder supervisie van de provinciaal archeoloog, drs. A.D. Verlinde,
en met toestemming van de grondeigenaars, de heren Kok
en Mulder, kon veelal kort en krachtig geopereerd worden. Dit
was noodzakelijk omdat het terrein slechts kort voor onderzoek
beschikbaar was. Omdat na de maisoogst op het terrein van de
heer Kok gras gezaaid zou worden, bleef daartussen slechts één
week voor onderzoek over.
Op voorhand werden alle formaliteiten geregeld, zodat onmiddellijk
op de situatie ingespeeld kon worden. Eind september 1985
was het zover: een team van de Archeologische Werkgemeenschap
voor Nederland, afdeling IJsseldelta-Vechtstreek onder leiding
van R. van Beek had zich, met assistentie van enkele detectoramateurs
van de "Coinhunters Company" verzameld 2). Tijdens het
wachten op de shovel, die de bovenlaag moest verwijderen, werden
de te graven sleuven reeds aan een electronisch bodemonderzoek
onderworpen. Een zeer fraaie vondst kon binnen het kwartier
worden gemeld. Het betrof hier een Karolingische emaille
schijffibula van het rechthoekige type, met naar binnen gebogen
zijden en ingelegde decoratie. Tussen de opgehoogde randen ligt
een veld dat gevuld is met een glasachtige, doorschijnende
blauwe massa, terwijl de vier halfronde uitsparingen zijn opgevuld
met een wit, parelmoer-achtig materiaal. De achterzijde
laat twee bevestigingspunten zien voor de naaldhouder en naaldschöen.
De naald zelf bestond hoogstwaarschijnlijk uit ijzer en
was niet meer aanwezig.
Dit rechthoekige type behoort tot een kleine groep fibula's
waarvan de verspreiding zich hoofdzakelijk beperkt tot noordwest
Duitsland en Nederland. Een enkele fibula van dit type is
bekend uit Zweden 3 ) .
Al deze fibula's zijn opvallend kleiner uitgevoerd dan de Merovingische
voorgangers en de Ottoonse navolgers. De ornamenten
zijn doorgaans eenvoudig en steeds louter geometrisch, maar altijd
met grote nauwkeurigheid uitgevoerd.
14
Rechthoekige emaille schijffibula uit Wythmen Rechthoekige emaille
Rechthoekige emaille
a. Dorestad b. f
d. Schouwen e. I
De vondst van Wythmen laat zich bijzonder goed vergelijken met
een exemplaar uit een graf te Looveen 4). Behalve de vorm en
ornamentiek komen ook de kleuren overeen. Als datering lijkt de
achtste eeuw het meest waarschijnlijk. Het is aannemelijk dat
dit type fibula enkelvoudig werd gedragen. Een uitzondering
vormen twee fibula's uit Birka, die uit één graf stammen en identiek
aan elkaar zijn; ongetwijfeld werden zij dubbelvoudig
gedragen 5).
Vrijwel alle fibula's van dit type zijn gemaakt van brons;
slechts één exemplaar bestaat uit een lood/tin-basis 6). Dit
exemplaar is niet geëmailleerd. De smeltgevoeligheid van dit
materiaal maakt een dergelijke behandeling vrijwel onmogelijk.
De ornamentiek, zoals toegepast op de fibula uit Wythmen, treffen
we ook aan op exemplaren uit Dorestad, Nassau, Paderborn en
Schouwen.
Op een ander exemplaar uit Dorestad zijn de halve circels verplaatst
naar de vier hoeken. De betekenis daarvan is niet geheel
duidelijk, mogelijk heeft men getracht het (Karolingische) kruis
weer te geven. Op de ronde (vaak eenkleurig geëmailleerde)
schijffibula's herkennen we dit kruis, dat zichtbaar wordt gemaakt
door vier halve circels. Als voorbeeld zou kunnen dienen
het exemplaar uit Hattem 7).
15
schijffibula uit Looveen Ronde emaille schijffibula uit Hattem
ichijffibula's
i.ssau
>restad
c. Paderborn 3 cm
I l I l
Rechthoekige schijffibula’s komen voor in verschillende emaillekleuren.
We kennen onder andere rood, blauw, groen, geel en wit,
terwijl de ronde schijffibula’s meestal eenkleurig (rood) geëmailleerd
zijn.
Dat brons uit de Karolingische tijd uit Wythmen zeer schaars is,
blijkt wel uit het feit dat – ondanks langdurig en nauwkeurig
speuren – geen Karolingische metaalvondsten meer werden gedaan.
Noten.
1. H.J. Bruins & R. van Beek, “Wythmen (gem. Zwolle), een Sallandse
buurtschap in Romeinse tijd en Middeleeuwen” in:
Westerheem 33 (1984) 6.
2. “The Coinhunters Company” is een vereniging van personen die
werken met een detector, bedoeld om metalen (vooral munten)
op te sporen.
3. T. Capelle in: Nederlandse Oudheden 7 (1978).
4. W.A. van Es, Wijster, a native village beyond the imperial
frontier, 150 – 425,A.D. (Groningen, 1967) graf 138.
5. Zie noot 3.
6. T. Capelle, Der Metallschmuck von Haithabu (Neumünster, 1968).
7. H. Hasselt, “Opmerkelijke vondsten uit Hattem” in Documentatie
199 (15 maart 1984).
16
HET ORGEL VAN DE PLANTAGEKERK TE ZWOLLE
en enige bijzonderheden betreffende de bouw van deze kerk,
H.C.J. WULLINK
HET ORGEL IS EEN BEELT VANT LEVEN HIER BENEDEN.
VEEL PIJPEN STAENDER IN VERDEYLT IN HAER GELEDEN,
EEN YEDER HEEFT SUN PLAETS, EEN YEDER SUN GESCHREY:
SOO IS DEN STAET EN PRAET DER MENSCHEN VELERLEY.
Jacob Revius, OVER-IJSSELSCHE SANGÜN EN DICHTEN,
Op het overlijden van Claude Bernart, organist, tot Deventer.
INLEIDING.
Menigeen heeft zich al eens afgevraagd wie het fraai ogende en
goed klinkende orgel in de Plantagekerk van de Gereformeerde
kerk vrijgemaakt heeft vervaardigd. Deze bijdrage is bedoeld als
een eerste aanzet tot het verkrijgen van meer inzicht in de geschiedenis
van het orgel in deze met sloop bedreigde kerk.
In de orgelhistorische literatuur zijn de gegevens over dit orgel
bijzonder schaars. In 1978 meldt de orgeldeskundige J.F. van
Os dat het hier om een uit 1864 daterend werkstuk gaat van de
Zwolse orgelmaker Jan van Loo (1823-1910) 1). Afgaand op het
front kan worden geconstateerd, dat bepaalde voor Van Loo karakteristieke
kenmerken, zoals bijvoorbeeld de brede voluten (krulvormige
zuilversieringen) aan weerszijden van de kas, ontbreken
2).
Ondermeer aan de hand van gegevens uit de archieven van de
Christelijk Afgescheiden Gemeente (1835-1869) en de Christelijk
Gereformeerde Gemeente (1869-1897) is getracht een antwoord te
vinden op de vraag of Jan van Loo inderdaad de maker is geweest.
De bij het onderzoek opgelegde beperking bestond hieruit dat
voornamelijk een tweetal tijdstippen centraal stond: de periode
van (en voorafgaand aan) de bouw van de Plantagekerk èn, nog
verder in de tijd terug, het moment waarop het orgel werd geplaatst
in de eerste kerk van de Christelijk Afgescheidenen aan
de Nieuwstraat.
Teneinde de orgelhistorische aspecten in een wat ruimer kader
te presenteren, is gekozen voor de hier gebruikte indeling.
Vooraf wordt achtergrondinformatie aangedragen over de te
bouwen Plantagekerk, waarheen het orgel uiteindelijk zou verhuizen.
17
EEN NIEUWE KERK.
Zondag 20 november 1842 werd door de Christelijk Afgescheidenen
Gemeente aan de Nieuwstraat haar eerste kerkgebouw in gebruik
genomen. Toen in 1869 de Afgescheidenen zich verenigden met de
Gereformeerden onder het Kruis (synode van Middelburg) ontstond
weldra de behoefte aan een ruimer kerkgebouw. De hiervoor benodigde
grond werd gevonden aan het einde van de Spoelstraat.
In de notulen van de kerkeraadsvergadering van 29 december 1873
wordt voor de eerste maal over de nieuwe kerk gerept: “De voorzitter
als president der bouwcommissie deelt mede, dat er hunne
vergadering tekeningen van verschillende kerken ter bezichtiging
gelegen hebben, waarvan naar het oordeel der commissie de
Hervormde Kerk te Voorschoten de voorkeur verdiende. Dat de
voorzitter in vereniging met de heer Klinkert en de andere ai—
chitect Bosboom als afgevaardigden een persoonlijk onderzoek
naar de kerk te Voorschoten hebben ingesteld, met dat gevolg
dat alle drie overeenstemden dat onze nieuw te bouwen kerk met
enig wijziging naar die kerk behoort te weden gebouwd, waarom
dan ook de heer Bosboom daar ter plaatse een schets van die
kerk heeft klaargemaakt, die met enige gemaakte veranderingen
de kerkeraad hierbij ter bezichtiging wordt voorgelegd” 3).
‘:y,(.sf k rk.
PLANTAGEKERK omstreeks 1925.
Foto: coll. GAZ. Repro: J.P. de Koning.
18
DE AANBESTEDING.
Tijdens de kerkeraadsvergadering van 23 maart 1874 kwamen de
tekeningen en het bestek van de te bouwen kerk ter sprake. De
tekening bewonderde men wegens “de netheid van vorm en doelmatigheid
van samenstelling” en verkreeg de goedkeuring van de
vergadering 4).
Door wat in de notulen van 1 april 1874 een gunstige beschikking
der voorzienigheid wordt genoemd, kwam een en ander in een
stroomversnelling. Weduwe J. van Assen stelde’een bedrag van
ƒ 20.000,— beschikbaar tegen 4%. Op 1 januari 1875 kon over
het bedrag worden beschikt en binnen de eerste vijftien jaar
behoefde niet te worden afgelost. Na deze voorspoedige ontwikkeling
besloot men de aanbesteding op 24 januari te doen
plaatsvinden. In diverse kranten zou hiervan melding worden
gemaakt. Direct na de aanbesteding vergaderde de bijna voltallige
kerkeraad (er was één absentie) in aanwezigheid van de
architecten Klinkert en Bosboom. Zes inschrijvingsbiljetten waren
ontvangen. De laagste inschrijver was de bekende aannemer
G. Schutte voor een bedrag van ƒ 40.000,—. De hoogste inschrijver,
D. Bruins, wilde het werk uitvoeren voor ƒ 49.750,—.
De namen van de overigen, gerangschikt naar de in hoogte aflopende
begrotingsbedragen, luidden respectievelijk: W.F. Breman,
G.J. Averdijk, G. Beltman en B.H. Trooster.
Desgevraagd antwoordde Bosboom dat zijn begroting wat lager
uitviel dan de laagste inschrijver, maar hij schreef dit toe
aan de prijzen van de materialen, die mogelijk wat aan de lage
kant waren. Klinkert meende dat het werk aan de laagste inschrijver,
dus aan Schutte, gegund moest worden. Met algemene
stemmen werd daarop besloten het werk aan Schutte te gunnen,
zij het onder de voorwaarde dat zijn borgen solide waren 5).
OVERBRENGEN VAN HET ORGEL EN HET AANSTEKEN VAN DE EERSTE GASPIT.
De bouw van de nieuwe kerk vorderde gestaag. Eind september 1874
kwam het traditionele pannebier in zicht. In de notulen wordt
gesproken over de “meiboom” die op de kap zou worden geplaatst.
De kerkeraad trok voor dit gebeuren ƒ 40,— uit, door de aannemer
als volgt te verdelen: voor Harm f 3,—, de overige
knechten van Schutte elk f 1,— en het overige “werkvolk” samen
f 10,— 6).
Op 26 oktober daaropvolgend leidden uitvoerige beraadslagingen
over de vraag of er al of niet een nieuw orgel zou worden geplaatst
tot overeenstemming. Het bestaande instrument, nog in
1866 door de vakbekwame Jan van Loo voor een aanzienlijk bedrag
hersteld en verbeterd, zou worden overgebracht naar de nieuwe
kerk.
19
Bepaald voorbarig reageerde ds. L. Lindeboom te Zaandam door
een brief te schrijven waarin hij met betrekking tot het orgel
vroeg: “hoeveel ruimte het beslaat; voor hoeveel geld het te
koop is; hoelang tijd van beraad [de kerkeraad] hem wil geven”
7). Deze brief werd tijdens de vergadering van 27 april 1874
voorgelezen.
Met de overbrenging van het orgel belastte zich de in Deventer
woonachtige orgelmaker Hermanus Gerhardus Holtgrave (1836-1899).
Op 12 april 1875 werd een brief van Holtgrave voorgelezen waarin
wordt vermeld dat hij voor de som van ƒ 340,— het orgel wil overbrengen;
timmerman en vervoer zijn echter voor rekening van
de kerk. Besloten werd dit voorstel aan te nemen en Holtgrave
te berichten dat “wij naar ons oordeel de nieuwe kerk met 1 juli
kunnen betrekken opdat hij daarna zijne maatregelen kan nemen” 8),
Op 28 juni 1875 stelde men de datum van de officiële ingebruikname
van het kerkgebouw vast: zondag 25 juli. Behalve het verfraaien
van het orgel kwam op deze vergadering ondermeer aan de
orde het vervaardigen van een bestek voor het hek van de kerk
en tenslotte ging de kerkeraad, in gezelschap van de heren Bosboom,
Klinkert en de aannemer Schutte, de kerk binnen om de
gaslichten, die voor het eerst ontstoken zouden worden, te gaan
bezichtigen. Broeder O. Bosch mocht de eer genieten de eerste
gaspit aan te steken, waarmee de vitter van de gasfabriek hem
feliciteerde. Onder het aansteken van de lichten werden de aanwezige
personen aangenaam verrast door welluidende orgelmuziek
“dat beter effect deed dan in onze oude kerk” 9).
•HET ORGEL.
Aanvankelijk werd de gemeentezang in de kerk aan de Nieuwstraat
niet door een orgel ondersteund. In de kerkeraadsvergadering
van 15 januari 1844 verscheen broeder F.J. van Lente en verzocht
een beloning voor het voorlezen en wel ƒ 1,50 per week.
Besloten werd de taak van Van Lente zoveel mogelijk te verlichten
omdat honorering “in de tegenwoordige omstandigheden”
bezwaarlijk zou zijn 10). Op 18 november verscheen Van Lente
opnieuw in de vergadering en stelde dat indien de kerkeraad
mocht besluiten een tractement voor de voorzanger te bepalen
hij daarvoor een bedrag van ƒ 75,— per jaar eiste. Besloten
werd om Van Lente voorlopig tot 1 juli 1845 aan te stellen tegen
een vergoeding van ƒ 40,— per jaar. De financiële positie
van de jonge gemeente was van dien aard dat aan de aanschaf van
een orgel voorlopig niet viel te denken.
W.A. Elberts schrijft dat het orgel is geschonken door ds. B.
Fijnebuik 11). C.J. van Loo voegt hieraan nog een interessant
detail toe: “In 1896 is het met enige pijpenyergroot” 12).
20
Het is echter niet duidelijk of de laatste scribent doelt op
de uitbreiding met een tweede manuaal of op de eind 1894
plaatsgevonden werkzaamheden. In het eerste geval zou er inderdaad
gesproken kunnen worden van “vergroting”, maar met enige
pijpen kom je niet ver. Vanzelfsprekend is het aantal benodigde
pijpen gelijk aan het aantal stemmen (registers) maal
het aantal toetsen (manuaalomvang) plus de extra pijpen voor
de eventuele samengestelde vulstemmen. De werkzaamheden van
1894, uitgevoerd door Proper uit Kampen, betroffen in hoofdzaak
het herstellen van de blaasbalg, veranderen en verbeteren van
de trompet en de viola di gamba en het stemmen 13).
De notulen maken nergens gewag van de herkomst van het door ds.
Fijnebuik geschonken orgel. Dienaangaande wordt in de notulen
van 17 mei 1847 slechts opgemerkt: “Wordt verder gesproken over
het orgel. De praese zegt dat ds. Fijnebuik, die beloofd had
bij hem te komen, tot hiertoe niet bij hem geweest is, dat hij
evenwel nog wel eens bij hem wilde gaan om tot een eindbeslissing
te geraken 14). Kort daarna moet men elkaar hebben gevonden,
want in de vergadering van 19 juli 1&47 werd op voorstel
van diaken A. Bosch besloten met de meeste spoed het orgel
in de kerk in orde te brengen en te voltooien. Deze werkzaamheden
werden opgedragen aan de heer Prins, orgelmaker te Zwolle,
voor een bedrag van ƒ 150,— 15). Georg Frederik Izaak Prins,
Nederlands Hervormd, was geboren op 2 september 1801 te Zwolle
en bewoonde een pand aan de Bitterstraat (C 148) 16). In feite
was hij organist, maar af en toe verrichtte hij aan orgels herstelwerkzaamheden
van geringe omvang. In de jaren 1837 en 1838
werkte Prins bijvoorbeeld aan het Schnitgerorgel in de Lutherse
kerk 17). Op 7 augustus 1860 verhuisde hij naar de gemeente
Coevorden.
In het kasboek zijn begin 1848 verschillende uitgaven verantwoord
die verband houden met de genoemde herstelwerkzaamheden:
ƒ 7,80 voor 24 (?) stuks nieuwe pijpen; ƒ 17,— voor lofwerk
aan het orgel; f 8,— voor onkosten aan het lofwerk; f 13,—
aan de organist Prins en f 2,95 verschot nieuwe orgelpijpen 18).
De financiering geschiedde door middel van een speciaal voor
dit doel ingesteld fonds. Meer dan lapwerk zal het niet zijn
geweest. Met regelmaat kwamen er berichten door over de slechte
toestand van het orgel. Financiële redenen vormden de belangrijkste
oorzaak om de noodzakelijke reparaties steeds weer uit
te stellen.
Op 11 mei 1865 werd in de kerkeraadsvergadering een brief van
de organist Jan Bosch voorgelezen. Deze gaf te kennen de functie
van organist niet langer meer te kunnen uitoefenen wegens de
slechte staat van het orgel. De kerkeraad besloot toen om “zoveel
mogelijk werk te maken dat het orgel weer in orde komt”
21
19). Jan van Loo werd ontboden en na een ingesteld onderzoek
diende deze een begroting van kosten in voor het herstel; totaalbedrag
f 1.200,— 20).
<ïn januari 1866 deelde de eind 1835 ingestelde orgelcommissie
mee, dat het herstel van het orgel was aanbesteed voor de som
van ƒ 1.120,—. De eerste donderdag na 11 september 1866 werd
het instrument weer bespeeld. Broeder L. van der Vegt ontving
machtiging om de orgelmaker Van Loo volgens overeenkomst
ƒ 720,— uit te betalen en voor het restant ad f 400,— een
schuldbekentenis af te geven tegen een rente van 4% procent.
21).
Een jaar later werd op voorstel van Van Loo besloten het orgel
een jaarlijkse stembeurt te geven a f 3 0 , — 22). De overplaatsing
naar de Plantagekerk kwam reeds ter sprake. Holtgrave adviseerde
om na de overplaatsing niets aan het orgel te wijzigen,
hetgeen als een bewijs voor de degelijkheid van Van Loo's arbeid
kan worden uitgelegd 23). Dankzij de Rotterdamse organist
M.H. van't Kruys (1861-1919) kennen we de dispositie (het geheel
van registers) van vóór 1885 24). Deze opgaaf van stemmen
moet redelijkerwijs nagenoeg gelijk zijn aan de dispositie zoals
het orgel had na de restauratie in 1866.
De dispositie
Manuaal
Prestant
Bourdon
Holpijp
Fluit
Octaaf
van kort
8
16
8
8
4
vóór
voet
voet
voet
voet
voet
1885:
Viola di Gamba
Octaaf
Mixtuur
Trompet
Aangehangen pedaal
4
2
2-3
8
•
0
voet
voet
sterk
voet
Het orgel kwam nadien in onderhoud bij Jan Proper, de zich via
zijn stempelafdrukken noemende "orgelfabrikant te Kampen". Hij
ook breidde het uit met een tweede manuaal. De eens in de provincie
Overijssel woonachtige orgelmakers van de oude en goede
stempel waren alle overleden of hadden, zoals Jan van Loo en
de zonen van J.C. Scheuer, het bijltje erbij neer gelegd.
De in de tweede helft van de dertiger jaren uitgevoerde wijzigingen
(ondermeer toepassing van het pneumatisch systeem door
de firma Valkx en Van Kouteren uit Rotterdam) moeten ernstig
worden betreurd omdat hierdoor het instrument veel aan authenticiteit
heeft ingeboet.
De huidige dispositie van het orgel bestaat uit negen spekende
stemmen op het hoofdwerk, zeven op het nevenwerk en drie op het
22
pedaal. Het hoofdwerk en het nevenwerk hebben een tremulant,
terwijl verder de gebruikelijke koppelingen en de bij het
systeem behorende zogenaamde vaste combinaties aanwezig zijn.
BESLUIT.
Architect J.W. Bosboom (1831-1876) moet op de hoogte zijn geweest
van de situatie te Voorschoten. De kerk aldaar was namelijk
in 1868 gebouwd naar een ontwerp van ene Adolph Dreuding (of
Treuding) uit Aschendorff in Hannover en deze was voorheen werkzaam
geweest bij de Staatsspoorwegen te Zwolle. De Nederlands
Hervormde Kerk te Voorschoten heeft bij het ontwerpen van de
Plantagekerk gediend als voorbeeld. De verschillen zijn echter
te groot om te kunnen spreken van een kopie 25).
v/ti'.rjtie
NEDERLANDS HERVORMDE KERK TE VOORSCHOTEN
Li.: gevel westzijde. Re.: doorsnede.
Uit: Bouwkundige bijdragen deel 19 (1872?), eerste stuk.
23
Het orgel in de Plantagekerk dateert vermoedelijk uit de achttiende
eeuw. Hoewel het ontrafelen van de geschiedenis van dit
orgel meer onderzoek vereist - zowel van de archieven als van
het object zelf - dan tot dusver geschiedde, kan naar aanleiding
van het vorenstaande met zekerheid worden gesteld, dat het
orgel in eerste aanleg niet door Van Loo kan zijn gemaakt. Een
geheel ander argument ter ondersteuning van deze stelling is
dat Van Loo rond 1850 nog werkzaam was bij Petrus van Oeckelen
in Groningen. Ter verkrijging van aanvullende informatie over
de ouderdom en samenstelling kan een inventarisatie van het historische
pijpwerk worden overwogen.
Vooreerst hebben Elberts en andere schrijvers een juiste voorstelling
van zaken gegeven door ds. Berend Fijnebuik de schenker
van het orgel te noemen, zij het dat zij niet vermelden dat het
om een tweedehandsje ging! Dat de schenker geen tekst en uitleg
heeft gegeven over de herkomst van het orgel lijkt aannemelijk.
Over ds. Fijnebuik gesproken, hij was een vermogend man en liet
bij zijn overlijden in 1881, na aftrek van schulden, een bedrag
van f 64.685,35/2 na 26).
Noten.
1. J.F. van Os, Langs Nederlandse orgels. Deel Overijssel en
Gelderland (Baarn 1978) 47.
2. Jan van Loo leerde het vak bij zijn schoonvader Petrus van
Oeckelen (1792-1878) te Haren bij.. Groningen. In 1875 stopte
Van Loo met de orgelmakerij en legde zich, als firmant van
de voormalige fabriek De Vogel Van Calcar & Co., sindsdien
toe op de fabricage van wasdoek (de vloerzeilfabriek Vocaleum).
Medefirmant Francois Theodore de Vogel (1830-1910)
was zijn zwager.
3. Gemeente-Archief Zwolle (GAZ), inventaris KAO 18, nr. 003.
4. Ibidem.
5. Ibidem.
6. Ibidem.
7. Ibidem.
8. Ibidem.
9. Ibidem.
10. Ibidem, nr. 001.
11. W.A. Elberts, Historische wandelingen in en om Zwolle
(Zwolle 1890) 135.
12. C.J. van der Loo, Zwolle in woord en beeld (Zwolle 1904) 58.
13. GAZ, inv. KAO 18, nr. 042.
Behalve Proper zelf werkten ook aan het orgel zijn medewerkers
Van Loghem, Van Dijk en Helmig.
24
14. GAZ, inv. KAO 18, nr. 001.
15. Ibidem. •
16. GAZ, Bevolkingsregister 1860-1940.
17. O.B. Wiersma, Het voormalige orgel van de Lutherse kerk te
Zwolle, Het Orgel 68 (1972) 266-269, aldaar 268.
18. GAZ, inv. KAO 18, nr. 009.
19. GAZ, inv. KAO 18, nr. 003.
20. Ibidem.
21. ibidem.
22. Ibidem.
23. Ibidem.
24. M.H. van 't Kruys, Verzameling van disposities der verschillende
orgels in Nederland (Rotterdam 1885/herdruk Amsterdam
1962) 138.
25. Gegevens betreffende de Nederlands Hervormde Kerk te Voorschoten
zijn welwillend beschikbaar gesteld door de heer
H.J. Walvaart, organist van deze kerk.
26. J. Wesseling, De afscheiding van 1834. Deel I. De classis
Zwolle (Groningen 1984) 158.
BERICHT VAN HET PROVINCIAAL OVERIJSSELS MUSEUM
Per 1 november zijn als educatief medewerkers benoemd (voor
halve werktijd) mevrouw K. Beusekamp en mevrouw drs. Y. Lievaart.
Kirsten Beusekamp heeft als vooropleiding de Reinwardt Academie
te Leiden gevolgd. Haar vorige werkkring was het Gemeentemuseum
in Den Haag, waar ze heeft meegewerkt aan de foto-documentaire
over glas-in-loodramen.
Yvonne Lievaart studeerde kunstgeschiedenis aan de Vrije Universiteit
te Amsterdam. Zij werkt tevens bij de Christelijke
Lerarenopleiding te Zwolle als docente kunstgeschiedenis.
De werkzaamheden bij het P.O.M, zijn als volgt verdeeld:
Kirsten doet de interne en uitvoerende kant van het educatieve
werk, dat wil zeggen adviseren bij opstelling en vormgeving
van de vaste collectie, het inrichten van tentoonstellingen en
het vormgeven van publicaties. Yvonne verzorgt de inhoudelijkdidactische
kant en de externe contacten met het onderwijs,
groepen en de pers, zowel schriftelijk als mondeling.
Beiden zijn beschikbaar voor het geven van informatie over het
P.O.M.
Op de door het afscheid van de directeur drs. J.W.M, de Jong
leeggekomen stoel, zal per 1 maart 1986 plaatsnemen drs. H.J.
Aarts, nu nog directeur van het museum Willem van Haren te
Heerenveen.
25
BERICHT VAN HET GEMEENTE - ARCHIEF ZWOLLE
Lijst van publicaties in 1985, waarbij gebruik gemaakt is
van Zwolse bronnen.
Het is de gewoonte, dat iedereen die gebruik maakt van een
archiefdienst, opgeeft wat voor onderzoek hij/zij wil verrichten.
Het is eveneens gebruikelijk, dat publicaties die
zijn samengesteld met behulp van gegevens uit een archief, aan
dat archief ter beschikking worden gesteld. Hieronder volgt
een lijst publicaties die in 1985 gereed gekomen zijn en waarbij
gebruik gemaakt is van Zwolse bronnen.
Uit deze lijst blijkt wel dat het gemeente-archief gegevens
kan verschaffen over de meest uiteenlopende onderwerpen.
Wellicht brengt het U nog op een idee!
Alle genoemde publicaties zijn te raadplegen in het gemeentearchief.
R. Salet
Cornelis Felix (1783-1861), schildert de Zwolse vestingwerken.
In:
Pomflet 7 (1985), nr.1.
CD. Viehoff
De geschiedenis van de Remonstrantse kring te Zwolle van 1911
tot 1985.
Zwolle, 1985.
A. Heutink
Genemuiden in de middeleeuwen; historische studies over een
kleine Overijsselse stad in de late middeleeuwen.
Hilversum, 1985.
G. van Hooff
De machinefabrieken in Nederland tot 1914; overzicht en bibliografie.
Eindhoven, 1984.
A. Kuipers & G. Winkelaar
Haalbaarheidsonderzoek panden Kamperstraat 19 ep 21 Zwolle.
Zwolle, 1985.
P.J. Lettinga
Zwolle.
In:
Herstel, hervorming of behoud? Tien Overijsselse steden in de
Patriottenti.jd, 1780-1787.
Zwolle, 1984. Blz. 47-68.
(Overijsselse historische bijdragen, stuk 99).
J.C. Streng
De afgevaardigden van de provincie Overi issel naar de generale
instellingen van de Verenigde Republiek, 1650-1702.
Epe, 1985.
Caspar van Heel
Van christelijk afgescheidenen tot christelijk gereformeerd;
een Zwols genealogisch onderzoek.
Zwolle, 1985.
26
I. Vierstraete - Erdtsieck
De Jodenvervolging in Zwolle; geschiedenis van de Joden te Zwolle
tussen 1933 en 1946.
Wezep, 1985.
J. Hagedoorn
Een rentqevend buitentje; de geschiedenis van een plek.
Zwolle, 1985.
T. Nieuwenhuizen
De geschiedenis van de anthroposofie in Zwolle, (ca. 1906-1984).
Zwolle, 1985.
H.W. van Essen
Onderwijzeressen in niemandsland; beroepsontwikkeling in Nederland.
1827-1858.
Meppel, 1985.
Proefschrift Groningen.
J. Odding & H.W. Rodink
Rondom Afscheiding en Vrijmaking in Zwolle.
Zwolle, 1985.
C.M. Ridderikhoff
Lambert Daneau, juriste et theologien.
In:
Bulletin de la Société Archéoloqique et Historique de 1' Orléanais;
études Néerlandaises de droit et d'histoire: Nouvelle
série, tome 9, nr. 68, april 1968, blz. 155-169.
F.C. Berkenvelder
Streifzug durch die Geschichte der Stadt Zwolle.
In:
Mitteilungen der Historischen Vereinigung Wesel; Sonderdruck.
Wesel, 1985 (juni).
Als een strootje in de maalstroom; Zwolle tijdens de tweede wereldoorlog.
Redactie: J. Hagedoorn, W.A. Huijsmans, I. Wormgoor & A. van
der Wurff.
Zwolle, 1985.
Van Beek en land en mensenhand; feestbundel voor R. van Beek
bij zijn zeventigste verjaardag.
Redactie: V.T. van Vilsteren en D.J. de Vries.
Utrecht, 1985. ,. ^,
J.A.A.M. Biemans
Middelnederlandse bijbelhandschriften•
Leiden, 1984.
Fragmenten: Joods leven in Zwolle en omgeving.
Redactie: J. van Gelderen.
Kampen, 1985.
(Publicaties van de Usselakademie; nr. 30).
Jongere bouwkunst in Overijssel; 1840-1940; catalogus van de
tentoonstelling in het Provinciaal Overijssels Museum te Zwolle,
3 november 1985 - 16 februari 1986.
Utrecht, 1985.
C. van Dijck
Helmig Jan van der Vegt, (1864-1944); een oprechte Zwollenaar.
In:
Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging, juni 1985, blz. 39-47.
27
LEZINGENCYCLUS ZWOLSE HISTORISCHE VERENIGING IN 1986:
" BEKENDE ZWOLLENAREN "
De lezingen die het bestuur van de Zwolse Historische Vereniging
in 1986 organiseert, hebben bekende Zwollenaren tot onderwerp.
Soms zullen dit bij iedereen bekende figuren zijn, andere keren
zal aandacht besteed worden aan minder bekende historische
figuren die op één of andere wijze met Zwolle verbonden zijn.
Drie lezingen konden tot nu toe gevuld worden.
Drs. F.C. Berkenvelder en drs.ing. D.J. de Vries zullen spreken
over de vijftiende-eeuwse kunstenaar-diplomaat Johan van
den Mynnesten. Dr. A.N. Paasman zal in zijn lezing de schrijverpoliticus
Rhijnvis Feith (1753-1824) behandelen. Tenslotte zal
drs. G.J. Hooykaas een lezing houden over de negentiende-eeuwse
politicus J.R. Thorbecke.
Over de vierde lezing bestond bij het ten perse gaan van dit
nummer nog geen uitsluitsel. Gepoogd zal worden een persoon uit
de periode 1840-1940 tot onderwerp van een lezing te maken. De
sprekers zullen proberen ook aandacht aan nieuwe of onbekende
aspecten van deze personen te geven.
De lezingen, twee in het voorjaar en twee in het najaar, worden
gehouden in het gebouw van de Gemeentelijke Archiefdienst,
Voorstraat 26 te Zwolle. De aanvangstijd zal 20.00 uur zijn.
De lezingen zijn gratis toegankelijk voor leden en hun introducé(
e)s. Op een later tijdstip volgen de preciese data waarop
de lezingen worden gehouden. Alle lezingen worden hier onder
voorbehoud van wijziging aangekondigd.
Voor nadere informatie kunt U zich wenden tot J. Hagedoorn,
Tyassenbelt 28, 8014 NW Zwolle, telefoon 038 - 659.354.
28
VERSCHIJNINGSBERICHT
J.C. Okkema: Handleiding voor genealogisch onderzoek in
Nederland.
J.C. Okkema
Handleiding voor genealogisch onderzoek in Nederland.
Een steeds grotere groep mensen houdt zich bezig met het uitzoeken
van de familiestamboom. (Beginnende) genealogen komen
soms niet veel verder dan het noteren van reeksen namen en data,
maar velen krijgen echt de smaak te pakken en bouwen een
boeiende familiegeschiedenis op.
Om een familiegeschiedenis te kunnen schrijven, moet men op de
hoogte zijn van het materiaal dat bij archiefdiensten ligt opgeslagen
en moet men weten hoe dit materiaal te gebruiken.
De handleiding is vooral geschreven voor hen die voor het eerst
in een studiezaal van een archiefdienst komen, om te voorkomen
dat zij in een rijstebrijberg van stukken blijven steken. De
beginnende genealoog krijgt een practisch antwoord op de vele
vragen waarmee hij bij zijn onderzoek te maken kan krijgen.
De handleiding is verkrijgbaar bij de boekhandel of rechtstreeks
te bestellen bij Fibula van Dishoeck, Postbus 185,
1380 AD Weesp. De prijs per exemplaar is f 24,50. (128 pp).
HULP GEVRAAGD BIJ BEZORGING TIJDSCHRIFT ENZ.
Ter besparing van portokosten worden Tijdschrift, Jaarboek en
circulaires van de vereniging in Zwolle zelf bezorgd.
Bij deze bezorging kunnen wij heel goed enige hulp gebruiken.
Wie van U hiervoor enige tijd vrij heeft, wordt verzocht dit
door te geven aan de ledenadministratie (telefoon 539.625/ H.
Brassien). Per keer (6 a 7 maal per jaar) kost het U misschien
een uurtje; voor adressering wordt gezorgd, de spullen kunnen
iedere keer bezorgklaar afgehaald worden.
BESTUUR,
REDACTIE
REDACTIE
wensen U
ZWOLS
ZWOLS
en de
HISTORISCH
HISTORISCH
Uwen een in
VOORSPOEDIG 1986
TIJDSCHRIFT &
JAARBOEK
alle opzichten
BESTUUR:
VOORZITTER
J. Hagedoorn
SECRETARIS
B.H. Edel
PENNINGMEESTER
H. Brassien
LID / EINDREDACTEUR JAARBOEK
J.F. Borst
LID / EINDREDACTEUR TIJDSCHRIFT
R.T. Oost
SECRETARIAATSADRES
Diezerplein 37
LEDENADMINISTRATIE
Brederostraat 76
REDACTIE-ADRES ZWOLS HISTORISCH JAARBOEK
Meenteweg 7 8041 AT Zwolle
REDACTIE-ADRES ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Tyassenbelt 28, zwolle
Diezerplein 37, Zwolle
Brederostraat 76, Zwolle
Meenteweg 7, Zwolle
Jellissenkamp 2, Zwolle
8021 CT Zwolle
8023 AV Zwolle
Jellissenkamp 2
GIROREKENING
5570775 tnv Zwolse Historische Vereniging
8014 EW Zwolle
Zwolle
type/layout: henk brassien -OLIVETTI/livius(90%)
druk: adm.centrum "De Sassenpoort" - Zwolle
omslag: "SWOLLA", kopergravure, anoniem, 18e eeuw
Zwolle rond 1600 gezien vanuit het zuiden
(ware grootte 196 x 315 mm)
1986
ZWOLS
HISTORISCH
TIJDSCHRIFT
&i»&^$(£**nïy~^*&*>x
ZWOL6E HI&TODlcSCHE VEDENIGING
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
INHOUDSOPGAVE / NUMMER TWEE / JAARGANG DRIE / 1986
29 VAN DE REDACTIE
ARTIKELEN
30 De naamgeving aan het Dr. G. Horreüs de Haaspad
Mr G. Loopstra
34 Eindbestemming Zwolle. Het levensverhaal van de negentiende-
eeuwse onderwijzeres Alberdina Woldendorp
Mineke van Essen
VAN DE INSTELLINGEN
46 Tentoonstellingsagenda Provinciaal Overijssels Museum
52 Culturele Raad Overijssel: Basiscursus voor amateurhistorici
BOEKBESPREKINGEN
47 “Fragmenten” Besproken door R.G. Fuks-Mansfeld
50 “Handleiding voor de locale en regionale geschiedbeoefening”
Besproken door Jaap Hagedoorn
49 OPROEP
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift:
W.A. Huijsmans, P. Lindhcud, R.T. Oost (eindredacteur),
mevr. I. Wormgoor & mevr. A. van der Wurff.
Redactie Zwols Historisch Jaarboek:
J.F. Borst (eindredacteur) & P.J. Lettinga.
• Zwolse Historische Vereniging
Niets uit deze uitgave mag woeden verveelvoudigd en /
of openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopy.
microfilm of op welke wij^e ook, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de uitgever.
VAN DE REDACTIE
In deze aflevering van het Zwols Historisch Tijdschrift treft
U een tweetal artikelen aan. Beide schetsen de levensloop van
bekende Zwollenaren.
Het eerste is gewijd aan Dr. Horreüs de Haas, predikant van de
Nederlands Hervormde Gemeente te Zwolle van 1919 tot 1943 en
prominent lid van de S.D.A.P. Met dit artikel lopen we vooruit
cp de lezing van 27 mei, waarin aandacht besteed zal worden
aan deze bekende Zwollenaar.
In de onderwijzeres Alberdina Woldendorp ontmoeten we een
vrouw, die in een tijd-dat van emancipatie nog geen sprake was,
uitgroeide tot iemand die in de Zwolse geschiedenis zeker een
plaats verdient. Alle aanleiding daarvoor geeft het in dit
nummer opgenomen artikel over haar levensloop.
Eeen tweetal boekbesprekingen, berichten en een beschrijving
van het omslag van ons tijdschrift completeren dit nummer.
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift.
30
DE NAAMGEVING AAN HET DR. G. HORREUS DE HAASPAD
MR. G. LOOPSTRA
Op 24 oktober 1985 gebeurde datgene, wat wellicht veel eerder
had moeten gebeuren. De naam van een bijzonder stadgenoot werd
in de registers van de Zwolse straatnamen opgenomen.
De motivatie om naar ds. Horreüs de Haas een pad te noemen bestond
uit de vermelding dat hij van 1919 tot aan zijn dood in
1943 predikant der Nederlands Hervormde gemeente in Zwolle was
geweest. Echter hij zou zijn bekendheid ook ontlenen aan zijn
functioneren als prominent lid van de Sociaal Democratische
Arbeiderspartij (S.D.A.P.).
Zonder enige twijfel mag gesteld worden dat deze motivatie wat
magertjes is. Wanneer we namelijk de literatuur bekijken, dan
blijkt pas hoe moeilijk het is om de enorme verdiensten van Horreüs
de Haas op doeltreffende wijze samen te vatten. Wanneer wij,
als mensen van de jaren ’80 ons eens zouden verdiepen in de werken,
die hij in de jaren ’20 en ’30 geschreven heeft, dan kan er
slechts een beeld ontstaan van een zeer grote en respect afdwingende
persoonlijkheid. Zij die het genoegen hebben gehad om
hem persoonlijk te kennen of naar hem als dominee hebben kunnen
luisteren, zullen dit zeker beamen.
Gerard Horreüs de Haas werd in 1879 te Beneden-Knijpe (Frl.)
geboren. Zowel van vaders- als van moederszijde stamde hij af
van een oud Nederlands Hervormd predikantengeslacht. Hij studeerde
theologie in Groningen en was vervolgens predikant in
Bergum, Sneek en Zwolle. Het langst stond hij in Zwolle, waar
hij in 1943 vrij plotseling overleed.
Horreüs de Haas was een markant man en een bijzonder geliefd
dominee. Bijna altijd preekte hij voor een volle Grote Kerk.
Hij was een man met een uitzonderlijk groot gezag, wiens visie
op Christendom en geloven aansprak bij het kerkvolk. Hij was een
dominee die als uitgangspunt had, dat het in de godsdienst niet
in de eerste plaats gaat om het aanvaarden van het overgeleverde.
In zijn ogen bestond godsdienst voor een groot deel uit zelfstandig
zoeken, strijden en twijfelen. Deze opvatting drukte hij
eens als volgt uit: “In de 73 Psalm en in dat grote boek Job,
daar zijn zij aan het woord, stoute worstelaars met de godsdienstige
twijfel, mensen wier wereldervaring in strijd gekomen
is met het overgeleverde godsdienstige denken, en die nu te maken
hebben met deze vraag: wat moet ik loslaten, de nieuwe ervaring
of het oude geloof, of hoe vind ik de hogere eenheid,
die aan beiden recht laat wedervaren.” 1)
Dr. G. Horreüs de Haas 1879 – 1943.
Voor Horreüs de Haas is deze strijd tussen “daar staat geschreven”
en “ik zeg u”, tussen het overgeleverde godsdienstige
denken en de nieuwe ervaring, zo oud als de wereld en moet die
strijd steeds opnieuw gestreden worden. Zij is het teken van
onze hogere menselijkheid en door deze strijd kan de eeuwige
Waarheid voortgaan in de harten en de geest van de mensen.
Zijn zoeken en twijfel komt echter niet voort uit onzekerheid;
integendeel, het gaat uit van zijn innerlijke zekerheid: de zekerheid
dat het Heilige is. Een wezenlijk godsdienstig leven
betekent “dat wij trots zwakheid en begeerte, trots verblinding
en onzekerheid willen vasthouden aan dat heilige, zijn wegen
willen leren vinden, zijn wil volbrengen en het dienen en beminnen
als het hoogste goed.” 2) Deze visie verklaart volgens
32
mij veel over het leven en werk van Horreüs de Haas. Kon hij
immers niet met bezieling spreken en schrijven over zijn religieus,
socialistische opvattingen als de hogere eenheid die
recht deed aan zowel zijn ervaringen als aan het oude geloof. Hij
was ervan overtuigd, dat de verwezenlijking van de socialistische
idealen de maatschappij wat dichter zou brengen bij de waarheid
van Christus. Hij was er dan ook van overtuigd, dat godsdienst en
socialisme niet strijdig met elkaar waren – een opvatting waarmee
lang niet alle socialisten en godsdienstige mensen in die tijd
het eens waren. Daarbij was voor hem belangrijk dat een levende
religie ook een reformatorische en revolutionaire strekking had
en dat het socialisme niet vereenzelvigd werd met een materialistische
wereldbeschouwing die een religieuze denkwijze uitsloot.
Net zo min als hij alle godsdienstige overleveringen aanvaardde,
aanvaardde hij alle dogmatische socialistische overleveringen.
Zo wilde hij niet voor de keuze gesteld worden Marx
geheel te aanvaarden of hem geheel te verwerpen. Hij wilde daarentegen
die elementen uit de leer van Marx naar voren halen,
waar hij iets van kon leren. En zelfs de kritiek van Marx op de
kerk aanvaardde hij gedeeltelijk wanneer hij zegt: “Bedenkt u
intusschen even met mij, als Marx en de zijnen kwade woorden gesproken
hebben tegen godsdienst en kerk, dat deze het daar ook
vaak behoorlijk naar gemaakt hadden, in den tijd van Marx, vóór
zijn tijd, en na zijn tijd. Immers, godsdienst en kerk, in den
Katholieken en orthodox-Protestantschen zin, hebben helaas – ik
wilde dat het niet waar was, maar het is zoo – ir de wereld niet
altijd het werk van de rechtvaardigheid, van de waarheid en van
de liefde gediend.” 3)
Horreüs de Haas wilde, zich niet neerleggen bij de bestaande situatie
in de wereld, met al haar onrecht en geweld. Religieuze
socialisten waren daarom verplicht tot behandeling van de reële
problemen op sociaal-economisch en politiek gebied en dat in
zo nauw mogelijke samenwerking met de socialistische volksbeweging.
Op die manier zouden zij kunnen meewerken aan het realiseren
van een hogere maatschappijorde van arbeid en eerbied, van
gerechtigheid, waarheid en vrede. 4)
Dit socialisme vanuit zijn Christen-zijn, droeg Horreüs de Haas
niet alleen in Zwolle uit. Overal in den lande werd hij als
spreker gevraagd en ook werden veel van zijn bijdragen gepubliceerd.
Uit al die geschriften blijkt telkens weer zijn enorme
belezenheid. Onwillekeurig vraag je je dan af waar die man de
tijd vandaan gehaald heeft. Hij moet wel over een onuitputtelijke
werklust beschikt hebben. Ondanks zijn meer dan volle
dagindeling vond Horreüs de Haas ook nog tijd om zich te verdiepen
in de actuele politiek. Hij deed dat op een wijze, die
de grootst mogelijke bewondering verdient. Zijn analyses van
33
de wereldpolitiek na de eerste wereldoorlog zijn opmerkelijk
juist, zo kunnen wij 60 jaar later constateren. In de jaren
’30 waarschuwde hij voor Mussert en het Nationaal Socialisme.
Met “Der Mythus des XXen Jahrhunderts” van Alfred Rosenberg,
door Horreüs de Haas de cathechismus van het Nationaal-Socialisme
genoemd, veegde hij de vloer aan. 5) Het was ook Horreüs
die als een der eersten besefte wat er met de weggevoerde joden
gebeurde. Vanaf de kansel ageerde hij met grote moed tegen de
verschrikkingen van het nazisme. Het was echter allemaal vanzelfsprekend
vrjor hem; hij kwam immers altijd op voor de
zwakkeren.
Toen Horreüs de Haas plotseling overleed in 1943, betekende dat
een klap voor zijn gemeente, voor Zwolle, voor het op dat moment
ondergrondse socialisme en voor zeer velen in Nederland. Want
dat is iets wat ik gaarne zou willen benadrukken, hij was een
prominent Nederlander, die voor de vrijzinnig Hervormden èn voor
de S.D.A.P. zeer veel betekend heeft.
Ik denk dat de straatnamencommissie de suggestie van onder andere
de Partij van de Arbeid, op een goede manier vertaald heeft.
Zij heeft immers een pad, dat loopt van kerspel naar stad naar
Horreüs de Haas vernoemd. Doch niet alleen dat. Doorslaggevend
vind ik dat het Horreüs de Haaspad gelegen is bij een belangrijk
groengebied: het Engelse Werk en het Spoolderbos. Horreüs
was een groot natuurliefhebber en het College van Burgemeester
en Wethouders heeft gemeend in zijn stijl te moeten handelen
door milieu-voorlichting en -educatie van de afdeling Plantsoenen
een natuurpad te laten samenstellen: Het Horreüs ae Haas-natuurpad.
Ik hoop dat velen van het pad gebruik zullen maken en
dat zij op gezette tijden zullen beseffen naar welk groot man
het pad is vernoemd.
Dit artikel is geschreven op basis van een toespraak die ik
op 24 oktober 1985 heb gehouden ter gelegenheid van de naamgeving
van het Ds. G. Horreüs de Haaspad.
Noten.
1. G. Horreüs de Haas, “Oorlog en godsdienst” in: Het Nieuwe
Leven I (1915) nr. 2, 55.
2. Ibidem, 59.
3. Christendom en socialisme: verslag van een openbaar debat
tusschen Ds. G. Horreüs de Haas (S.D.A.P.) en Mr. T.J. Verschuur
(R.K.), gehouden op Maandag 8 Februari 1926, te Breda.
Uitgegeven door het gewest der S.D.A.P. in Noord Brabant,
1926, 4.
4. G. Horreüs de Haas, De inhoud van het religieus socialisme
(s.1. ) 1934, 12 en 15.
5. G. Horreüs de Haas, De Mythe van de XXe eeuw. Assen 1937.
34
EINDBESTEMMING ZWOLLE
Het levensverhaal van de negentiende-eeuwse onderwijzeres
Alberdina Woldendorp
MINEKE VAN ESSEN
INLEIDING
In mei 1817 werd te Zwolle het huwelijk voltrokken tussen de 27-
jarige Geert Spijkerman en de vijf jaar oudere Zwolse koekenbakkersdochter
Jannetje Cornelia van der Veen 1). Het was voor
Jannetje wat je noemt een goed huwelijk. Het jaar daarvoor was
haar man benoemd tot hoofdonderwijzer aan de Nutsschool, wat
hem niet alleen een salaris opleverde van f 700,— per jaar
(terwijl een gemiddeld arbeidersgezin van iets meer dan f 200,—
moest rondkomen), maar hem ook een zekere status verschafte: op
een Nutsschool werd niet de eerste de beste benoemd! 2)
Maar welvaart en aanzien zijn geen garantie voor geluk. Het huwelijk
bleef kinderloos en Geert Spijkerman ging meer en meer
op in zijn werk. Zijn belangstelling voor opvoeding en onderwijs
voerde hem regelmatig naar de stad Groningen, toen beschouwd
als het Mekka van onderwijsland. Daar leerde hij zijn
bekwame collega Roelf Gerrit Rijkens kennen en, via deze, diens
bij hem inwonende schoonzuster Alberdina Woldendorp. Met zijn
huwelijk ging het intussen bergafwaarts en Jannetje en hij besloten
om uit elkaar te gaan. De toen nog tolerante, uit de
Franse tijd stammende, huwelijkswetten maakten hen dat gemakkelijk.
In oktober 1831 scheidden zij “bij werderzijdsche toestemming”.
3) Een half jaar later verbrandde Alberdina Woldendorp
alle schepen in Groningen achter zich en vestigde zich te
Zwolle.
Kenners van de Zwolse onderwijsgeschiedenis zal de naam van Geert
Spijkerman ongetwijfeld bekend zijn voorgekomen. Hij was “Zwolle
’s beroemdste schoolmonarch” in de eerste helft van de negentiende
eeuw 4) en werd een gewaardeerd en invloedrijk lid van
het Nederlandsche Onderwijzers-Genootschap, de onderwijzersvakvereniging
uit die tijd. Diezelfde kenners zullen vermoedelijk
niet weten dat Spijkermans Groningse liefde, Alberdina Woldendorp,
eveneens haar sporen in het onderwijs heeft verdiend.
Over deze vrouw gaat dit verhaal.
35
PROVINCIE GRONINGEN. GEMEENTE GRONINGEN.
EXTRACT uit het Register <•'
i n het j««r irtn duizend Zt/Vi liwulcrd ~i:*• •" c 7 c • '
1/ ^