w
i*
K»!
20e jaargang 2003 nummer 2 – € 5,75
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
Nlfch , L/0 ZWOLLE, Nleu«fchavenbrug
Geslaagd voor het
toelatingsexamen l
HARTELIJK GEFELICITEERD
Een goed advies
beste! vóór de vakantie nog je
schoolboeken:
Bijtijds bestellen betekent leverei
op tijdl
Wacht niet tot het laatste moment
Diverse boeken zijn dan vaak uit
verkocht of in herdruk.
tiet vriendelijke groetet
H. TULP N.V.
Tel. (O5Ï00J-11441
Soefcnwxfef
Scnoofvttfpennen
Ttktnaniktlen
^Wa£j2?
(Collectie HCO)
Reclamekaart van H. Tulp N.V.
Poststempel 21 juni 1961
Zwolser kan het bijna niet: een kijkje vanaf de
Burgemeester van Roijensingel op de Nieuwe
Havenbrug en de Peperbus, die hoog boven de
huizen aan de Eekwal uitrijst, geschilderd door
een amateur, waarschijnlijk naar een foto of
ansicht. Rechtsonder heeft hij zijn naam vermeld:
Roet- of Hoefman.
Ruim 100 jaar was drukkerij en uitgeverij Tulp
een begrip in Zwolle. Tulp begon in 1882 aan de
Blijmarkt. Rond 1970 verhuisde het bedrijf naar de
Rieteweg en na fusies verdween de handelsnaam
in de jaren negentig uit Zwolle.
Tulp was ook op het gebied van schoolboeken
actief. Zoals de leerlingen van groep 8 tegenwoordig
deelnemen aan de landelijke CITO-toets ter
bepaling van het vervolgonderwijs, zo moest men
tot de invoering van de Mammoetwet in 1968 een
toelatingsexamen afleggen voor de middelbare
school. De firma Tulp speelde daar handig op in.
Was je geslaagd voor dat examen, dan ontving je
een schriftelijke felicitatie van Tulp met de aansporing
om daar snel je schoolboeken te bestellen.
In 1961 ontving R. Stevens uit de Gladiolenstraat
4 te Zwolle deze kaart. Hij was geslaagd voor
zijn examen en begon aan een nieuwe vorm van
onderwijs.
In latere adresboeken van Zwolle woonde het
gezin Stevens niet meer aan de Gladiolenstraat in
Assendorp. De naam was te algemeen om via
adres- of telefoonboeken verder te zoeken. Maar
misschien kent een van de lezers deze R. Stevens
en weet hij of zij wat er van hem geworden is. Met
belangstelling zien wij uw informatie tegemoet.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 39
Redactioneel Inhoud
Een tijdschrift vol persoonlijke herinneringen…
Veel Zwollenaren zullen zich mr. Job Drijber
nog herinneren. Hij was burgemeester van Zwolle
van 1969 tot 1980, een roerige periode vanwege
democratisering en stadsvernieuwing. Drijber is
ereburger van de stad en in januari 2002 werd een
singel naar hem vernoemd: Burgemeester Drijbersingel,
voorheen Zamenhofsingel geheten.
Annèt Bootsma en Wil Cornelissen hebben uitgebreid
met hem gesproken. Het artikel dat uit deze
interviews is samengesteld, omvat meer dan alleen
Drijbers Zwolse periode.
Tijdens de uitreiking van de Prijs voor de
Zwolse Geschiedenis 2002 hield winnaar Jan van
de Wetering een voordracht over het Ter Pelkwijkpark,
waar hij opgroeide. Op verzoek van de
redactie heeft hij deze boeiende causerie voor het
tijdschrift beschikbaar gesteld.
Van de burgemeester naar de zwerver; Wil
Cornelissen switcht moeiteloos tussen de uitersten
van het sociale spectrum. De zwerver Bram
Poortier, beter bekend als ‘Brammetje’ haalde
regelmatig de Zwolse Courant. Hij overleed begin
dit jaar. Kort na zijn begrafenis ontving Wil Cornelissen
een gedicht op deze gebeurtenis, geschreven
door Fons Kool. Als inleiding hierop zet Cornelissen
de gebeurtenissen van de laatste jaren nog
eens op een rij.
Het tijdschrift begint zoals gebruikelijk met
een ansichtkaart. Dit keer is hij wel heel toegesneden
op de verschijningsdatum. Het betreft namelijk
een reclameboodschap van een drukkerij
gericht aan een scholier die net is geslaagd voor
het toelatingsexamen van de middelbare school.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsmavan
Hulten en Wim Huijsmans 38
Mr. Job Drijber, ereburger van Zwolle.
Een portret Annèt Bootsmavan
Hulten en Wil Cornelissen 40
Ode aan het Ter Pelkwijkpark.
Een wandeling door een verdwenen paradijs
Jan van de Wetering 66
Bram Poortier. Een zwerver ging heen…
Wil Cornelissen 72
Boekbesprekingen 74
Mededelingen 77
Auteurs 78
Omslag: Een burgemeester moet van alle markten
thuis zijn. Op 19 december 1975 decoreerde burgemeester
Drijber het 400.000ste dier dat dat jaar op
de Zwolse veemarkt werd aangevoerd. Op de achtergrond
het draaiorgel ‘de Engelenbak’. (Collectie
HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Mr. Job Drijber, ereburger van Zwolle
Een portret
Annèt BootsmavanHulten
en
Wil Cornelissen
Job Drijber als kind in
Laren, beginjaren dertig.
(Collectie Drijber)
In 1998 riep de Zwolse gemeenteraad het instituut
ereburger in het leven, als hoogste onderscheiding
van de stad en bedoeld voor mensen
met uitzonderlijke verdiensten voor Zwolle. De
eerste – en totnogtoe enige – persoon aan wie deze
bijzondere titel werd toegekend, is Zwolle’s oudburgemeester
mr. Job Drijber. In januari 2000
werd hem het ereburgerschap van Zwolle uitgereikt
op grond van zijn bijzondere inspanningen
voor de stad. Bij die gelegenheid karakteriseerde
burgemeester Jan Franssen mr. Drijber als een
zeer gedreven, gezaghebbend en bevlogen burgemeester.
In januari 2002 werd de voormalige Zamenhofsingel
omgedoopt in Burgemeester Drijbersingel.
Burgemeester Henk Jan Meijer roemde daarbij
de periode Drijber, 1969 -1980, als een tijdvak
waarin veel was gebeurd ten goede van de stad in
het algemeen en de binnenstad in het bijzonder.
Deze feiten maken uiteraard nieuwsgierig naar
een man en een periode in de stadsgeschiedenis
die nu al officieel als bijzonder geboekstaafd staan.
Wij voerden daarom twee uitgebreide gesprekken
met mr. Drijber, die tegenwoordig als burgemeester
in ruste woonachtig is in zijn laatste standplaats
Arnhem. In deze gesprekken rees voor ons
het beeld op van een man met een helder inzicht
en vooral ook met een geweldige werklust; die
door zich altijd goed voor te bereiden en te laten
informeren en door optimaal gebruik te maken
van zijn in de loop der jaren opgebouwde netwerk
van relaties, gesprekspartners doorgaans een stap
voor was en zich daardoor terecht de faam van een
effectief en bekwaam bestuurder verworven heeft.
De neerslag van deze vraaggesprekken, waarin wij
bepaald niet alleen over Zwolle spraken maar de
levensloop voorgeschoteld kregen van een markante
persoonlijkheid, wordt hieronder weergegeven.
Een interview als noviteit in het Zwols Historisch
Tijdschrift. Mr. Drijber leerde het bestuurlijke
handwerk van onderaf; eerst als raadslid en
wethouder in Leiden, vervolgens als burgemeester
van Middelburg, daarna van Zwolle en tenslotte
van Arnhem. Voordat wij mr. Drijber verder voor
en over zichzelf laten spreken, eerst nog een korte
schets van de tijd waarin zijn Zwolse burgemeesterschap
zich afspeelde.
Zwolle in de jaren zeventig
De komst van mr. Job Drijber in 1969 van Middelburg
naar Zwolle viel samen met een omslag in de
tijd. De studentenonrust en de revolutionaire
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
denkbeelden uit de tweede helft van de jaren zestig
begonnen in de hele samenleving respons te vinden.
Er voltrokken zich daardoor in de jaren
zeventig een aantal maatschappelijke veranderingen
die ongekend waren. Inspraak was een nieuw
fenomeen dat zich razendsnel door allerlei instituties
en organen verspreidde. Er verschenen actiegroepen.
Polarisatie vierde hoogtij. De opvattingen
over zedelijkheid en cultuur wijzigden en er
ontstonden allerlei emancipatiebewegingen. Grote
aantallen rijksgenoten en allochtonen kwamen
naar Nederland. De vooruitgangsideeën uit de
jaren zestig, die zich onder meer hadden geuit in
het voortvarend slopen van oude binnenstadsgedeelten
om plaats te maken voor grootschalige
wegen en nieuwbouw, deden geen opgeld meer.
Daarvoor in de plaats kwam een voorkeur voor
renoveren, restaureren, kleinschaligheid en het op
historische plaatsen weren van de inmiddels massaal
oprukkende auto.
Ter illustratie, het aantal inwoners van Zwolle
nam tussen 1 januari 1970 en 1 januari 1980 met
zesduizend personen toe van 76.000 naar 82.000;
het aantal huwelijken liep daarentegen terug van
836 in 1970 naar 492 in 1979 terwijl het aantal echtscheidingen
steeg van 37 naar 105. In tien jaar tijd
werden in Zwolle 6961 woningen gebouwd, waarvan
347 in 1970 en 954, het hoogste aantal, in 1976
en 1200 woningen werden gerenoveerd. Aan restauraties
werd tussen 1960 en 1970 bijna 2 miljoen
gulden besteed, van 1970 tot 1980 vertwintigvoudigde
dat bedrag tot 39 miljoen. De Aa-landen
verrezen en de grondslag voor Zwolle-Zuid was
gelegd. In 1970 telde Zwolle nog nauwelijks Surinamers
en Antillianen, in 1980 respectievelijk 600
en 200. Het aantal Marokkanen en Turken steeg
van 5 en 50 naar 135 en 1080. In 1970 waren in
Zwolle nog praktisch geen wijkcentra, in 1980 telden
bijna alle wijken centra en wijkgemeenschappen
met een inspraakfunctie. De jeugdzorg werd
in deze jaren een issue en het aantal sportvelden
verdubbelde bijna. Vrouwen betraden op veel
grotere schaal dan ooit tevoren de arbeidsmarkt.
Schaduwzijde van de jaren zeventig was dat het
Kennismakingsreceptie
met de nieuwe burgemeester
Drijber en zijn
echtgenote in Odeon,
november 1969. (Foto
Henneke, collectie
HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Zwolse college van
burgemeester en wethouders
uit 1969 -1970,
vlnr. de wethouders
Hubbers (KVP) en
Runhaar (ARP), burgemeester
Drijber,
gemeentesecretaris Peeman
en de wethouders
Nooter en Witvliet, beiden
PvdA. (Collectie
HCO)
gevoel van onveiligheid bij de burgerij toenam.
Maar positief was dat de werkgelegenheid zich in
Zwolle, vergeleken met de rest van het land, gunstig
ontwikkelde. Vanwege de hier sterk ontwikkelde
dienstensector nam het aantal banen toe.
De stad werd door al deze ingrijpende veranderingen
in de samenleving niet overspoeld; men
slaagde erin ze redelijk te verwerken en rond 1980
waren ze geïntegreerd in de samenleving. Een uitkomst
die begin 1970 zeker niet vanzelfsprekend
was. Temeer omdat naast de boven geschetste
algemene tijdsverschijnselen op dat moment hier
nog drie specifieke kwesties speelden die de
gemoederen bezighielden: de herinrichting van de
binnenstad, de uitbreiding van de stad naar Zwolle-
Zuid en meest controversieel, de stadhuiskwestie.
In 1970 was de afbraak van het noordelijk deel
van de binnenstad in volle gang en ging het om de
vraag hoe het braakliggende gedeelte weer moest
worden ingevuld. De ideeën die daarover hadden
bestaan in de jaren zestig waren inmiddels achterhaald.
Om de ontsluiting van en de infrastructuur
in Zwolle-Zuid gerealiseerd te krijgen moest een
beroep op het Rijk gedaan worden; een subsidie
van goed 100 miljoen gulden kwam pas na intensief
lobbywerk medio 1975 rond. En tenslotte de
stadhuiskwestie; Zwolle wachtte al ruim zeventig
jaar op een nieuw stadhuis. De hiervoor ontwikkelde
plannen uit de jaren zestig zorgden echter
voor een weliswaar niet politieke, maar op z’n
minst emotionele tweedeling in de Zwolse samenleving.
Het stadhuisplan beheerste begin jaren
zeventig alle verhoudingen in Zwolle. Net toen de
tegenstellingen volkomen onoverbrugbaar leken,
kwam er een gewijzigd plan ter tafel dat vervolgens
snel werd verwezenlijkt.
Mr. Drijber kenschetst de jaren 1970 -1972 nu
als de moeilijkste waaraan hij in zijn achtentwintigjarige
burgemeesterscarrière het hoofd te bieZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 43
den had. Maar door zijn gevoel voor het historische
stadsbeeld, zijn landelijke netwerk van relaties
en zijn initiatiefrijke manier van leiding geven
(en nemen) bleek Drijber in Zwolle de juiste man
op de juiste plaats en tijd te zijn. Onder zijn gedreven
leiding doorstond de stad alle genoemde perikelen
en kwam uiteindelijk voorspoedig uit de
jaren zeventig te voorschijn. We laten nu graag de
heer Drijber aan het woord over zijn leven, het
verloop van zijn carrière en natuurlijk zijn tijd in
Zwolle.
Jeugd en studietijd
Wat is een jongensdroom? Trambestuurder, brandweercommandant;
hoe kom je tot de wens om burgemeester
te worden. Zat dat er van huis uit al in?
Belangstelling voor de politiek, het bestuur? Via uw
vader? Wat was de rol van uw moeder?
Drijber: Ik ben geboren in Nederlands-Indië, in
Malang, Oost-Java. Daar heb ik tot mijn zevende
jaar gewoond. Heel mooi, ik was daar zeer aan
gehecht en vond het heel erg om daar weg te gaan.
Mijn vader was advocaat, eerst in Zutphen en later
in Soerabaja. Na een jaar of tien is hij overgegaan
naar de Borsumij, de Borneo Sumatra Handelsmaatschappij.
De directie daarvan zat in Den
Haag, hij was hoofdvertegenwoordiger in Indië.
Wij gingen in 1931 terug naar Nederland. Omdat
mijn vader met pensioen ging, hij was toen 54. Ik
had een oude vader, ik was enig kind uit z’n tweede
huwelijk. Destijds in Zutphen was hij gemeenteraadslid
voor de Vrijzinnig Democraten. In Soerabaja
zat hij ook in de raad. Hij werd in 1916
gevraagd om burgemeester van Soerabaja te worden.
Dat heeft hij niet gedaan vanwege alle representatie,
daar had hij geen zin in. Toen we terugkwamen
vestigden we ons in Laren, daar werd m’n
vader wethouder voor inmiddels de liberalen. De
Drijbers waren oorspronkelijk landbouwers in
Drenthe. De eerst niet-landbouwer was m’n betovergrootvader
die adjunct-directeur van de
Maatschappij van Weldadigheid in Frederiksoord
was. Daarna volgden diverse burgemeesters en
dominee’s, ook een Atjeh-generaal. Mijn moeder
kwam uit Arnhem, haar vader was officier.
Ik heb in Hilversum op het gymnasium gezeten.
Maar het ging allemaal niet vanzelf, ik was
helemaal geen vlot jongetje op school. Ik had weliswaar
drie halfbroers, maar die waren veel ouder.
Dus ik was in feite enig kind en een beetje eenzelvig.
Mijn moeder was heel verstandig, zij heeft
echt haar best voor mij gedaan. Maar ik leefde op
Luchtfoto uit 1972
waarop het effect van de
kaalslag in het noordelijk
deel van de binnenstad,
rond de Broerenkerk,
goed te zien is.
(Uit ‘Op de bres voor
Zwolle’, Zwolle 1992)
44 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Mr. Job Drijber, chronologie
– > • •
uit 1973. (Collectie HCO)
BMBB^BH 1924
^^^^^BYBYBBYJ W5
BIBHBVI BB^B^B^KBI
i t ‘ ‘ff
1’ m
ï – ‘”•”• !’ w j’ . , ‘~^sM
‘i *” ‘ i l i |
f ^ 1
1950
1952
1953 -1961
1956 -1961
1958 -1961
1961 -1969
1969 -1980
november 1969
n^H^BBBBH
PJ&yR^^^^^^H J9/o -1972
^SQ^^^^^^^^^H augustus 1972
|l|ua[BBBBBBBBfl
IBBBB^BI m^^^^^^^^^^^^^M medio 1975
^MgUHB|^BK| J4 mei 1980
urgemeester van Zwolle, mei 1980
1980 -1990
januari 2000
januari 2002
Geboren te Malang op Oost-Java, Nederlands-
Indië
Verhuizing naar Nederland, vestiging
in Laren, Noord-Holland
Eindexamen gymnasium
Opleiding voor bestuursambtenaar
en de studie ïndologie en Indisch
Recht te Leiden
Afstuderen Indisch Recht, adjunctsecretaris
college van curatoren
Afstuderen Nederlands Recht
Gemeenteraadslid voor de WD in
Leiden
Beatrix in huis
Wethouder in Leiden, onder meer
portefeuille verkeer en vervoer
Burgemeester van Middelburg
Burgemeester van Zwolle
Geïnstalleerd als burgemeester van
Zwolle
‘Moeilijkste bestuurlijke jaren’
Compromis over het stadhuisplan
aangenomen door de Zwolse
gemeenteraad
Rijk kent Zwolle een eerste subsidie
van 103 miljoen gulden toe voor de
ontsluiting van Zwolle-Zuid
Opening nieuwe stadhuis
Viering van Zwolle 750
Officieel afscheid van Zwolle, krijgt
daarbij de erepenning van de stad
Zwolle uitgereikt
Benoemd tot erelid van de Vrienden :
van de Stadskern
Burgemeester van Arnhem
Benoemd tot ereburger van Zwolle
Officiële onthulling van de naam
Burgemeester Drijbersingel
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 45
de achtergrond, kwam nooit in een bestuur van
een gymnasiastenbond of zo. Ik las wel heel veel.
Vooral geschiedenis, het enige vak ook waar ik
echt goed in was. Wiskunde vond ik vreselijk.
De oorlog heeft op u ook een geweldige indruk
gemaakt? Ja, heel sterk en dat is ook gebleven, het
is een blijvend stempel. Ik ben na m’n eindexamen
in 1943 nog een jaar in Rotterdam geweest, naar
de Belastingacademie. Je kon toen niet gaan studeren
want de universiteit was dicht. Je moest je
melden op het Arbeidsbureau. Dat wilde ik niet,
vandaar deze opleiding. De Duitsers gaven daar
Ausweisen voor want die vonden het van belang
dat in de belastingdienst continuïteit zat. Ik heb
wel wat illegaals gedaan, bonnen rondgebracht en
krantjes, wat koeriersdiensten, maar niets spectaculairs.
Maar ik wou weer terug naar Indië. Wel
met enige aarzeling, want mijn ouders waren al
oud, dat vond ik wel een punt. Na de bevrijding
heb ik mij daarom in Leiden opgegeven voor
bestuursambtenaar en de studie Indologie en
Indisch Recht en ik werd aangenomen als kandidaat
Indisch bestuursambtenaar. Ik dacht dat er ik
weet niet wat voor mogelijkheden waren. Maar
dat werd uiteindelijk niks want we weten allemaal
hoe dat gegaan is. Toen ik afgestudeerd was kon ik
wel makkelijk banen in het bedrijfsleven krijgen,
maar daar ben ik niet iemand voor. Inmiddels had
ik echter wel een andere richting in mezelf ontwikkeld.
Tot mijn verbazing. Want als scholier
was ik altijd op de achtergrond maar toen ik in
Leiden studeerde, veranderde dat. Ik kwam in de
archiefcommissie van het Leids Studenten Corps
en moest bij bepaalde gelegenheden toespraken
houden. Dat ging eigenlijk heel goed, ze luisterden
ook nog. Daar kwamen dingen bij, faculteitsbestuur,
commissie van de sociëteit, Indische Vereniging.
In die tijd met de Indische Kwestie kwamen
vele bekende Nederlanders spreken, Logemann,
toen minister van Overzeese Gebiedsdelen,
Gerbrandy, ook Indonesiërs; niet van de Republiek
natuurlijk, die kwamen hier niet. Die bijeenkomsten
moest ik leiden. Op een gegeven
moment ben ik tot mijn stomme verbazing zelfs
praeses van het corps geworden.
Dat was in mijn leven een enorme omslag. Ik
vertel dat omdat dat voor mijn burgemeesterschap
van belang is geweest. Want toen duidelijk
werd dat ik niet naar Indië kon begon ik toch wel
meer voor het bestuur te voelen. Daarbij had ik
ook het Leidse civitasideaal, het ideaal van de
scheidslijnen moeten weg, iedereen moet een kans
krijgen, in de samenleving maar om te beginnen
in de Leidse studentenwereld. Oude tegenstellingen
weg. Dat is mij altijd wel blijven bezielen. Ik
weet wel, de theorie en de praktijk liggen uit
elkaar, want je bent zoals je bent. Je komt toch uit
een bepaald milieu; je bent wel idealistisch maar in
werkelijkheid handhaaf je in zo’n studentenwereld
toch weer zo de tradities dat een aantal zich er
niet thuis voelt.
Ik studeerde afin 1950, in Indisch Recht. Indologie
heb ik laten lopen want daar had ik niets
meer aan, maar daarna heb ik Nederlands Recht
gedaan en dat in 1952 afgerond.
Adjunct-secretaris van het college van curatoren
In 1950, direct na mijn eerste afstuderen, ben ik
gaan werken. Mijn vader had helemaal geen geld
meer, hopeloos was dat. Want zijn derde zoon is
in zijn Leidse studententijd schizofreen geworden,
die jongen is in psychiatrische inrichtingen
terechtgekomen. Mijn vader moest dat zelf betalen.
Zo was dat in die tijd. Tot hij nog ƒ 5000 over
had, toen heeft de gemeente het overgenomen. Dit
heeft ons werkelijk financieel te gronde gericht. Ik
moest vanwege die tweede studie wel in Leiden
blijven en toen kreeg ik een functie bij het college
van curatoren aangeboden. Het college van curatoren
was destijds het bestuur van de universiteit.
Dat waren geen fulltimers, maar er was een fulltime
secretaris met een heel apparaat. Als jong jurist
kon ik daar beginnen als adjunct-secretaris, een
nieuwe functie. Ik deed studentenzaken, bouwzaken
en speciale opdrachten. Had een uitstekende
chef, mr. Wiersma, die is later hoogleraar geworden
en lid van de Hoge Raad, een heel intelligente
jurist. Daar heb ik erg veel aan gehad. Het is erg
belangrijk om in je begintijd een chef te hebben
waar je veel van leert.
In 1953 werd ik raadslid, voor de WD. We
zaten met een driemansfractie in de Leidse raad.
Ook een hele goede leerschool, want ik wilde toen
al burgemeester worden.
46 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Dat was toen al duidelijk? Zeker, al toen ik
adjunct-secretaris werd. Daarom was het goed dat
ik raadslid werd. Maar het liep niet allemaal zo
vanzelfhoor.
In mijn tijd als adjunct-secretaris aan de universiteit
heb ik ontzettend veel geleerd, hoe je
plannen moet verwezenlijken, ook bouwplannen.
Daar heb ik mijn hele leven plezier van gehad.
Daarvoor had je nodig het ministerie van Onderwijs,
de Rijksgebouwendienst en het ministerie
van Financiën. Wilde je een groot bouwplan er
doorheen krijgen dan moest je met alle ambtenaren
op het betreffende departement gaan praten,
soms met de professor erbij, om ze wat enthousiast
te krijgen. Bij grote plannen maakte ik stuurgroepen
en inviteerde hogere ambtenaren van
departementen om daar in te zitten. Dan kon ik
zelf mee sturen en zo lukte het meestal wel om die
plannen er door te krijgen.
De universiteit groeide hard in die jaren en er
was ook een enorme achterstand, in de dertiger
jaren was niets gebouwd. Ik heb daar ook het
belang van wat ze tegenwoordig netwerken noemen
geleerd. Als je voor iets wat je wilt verwezenlijken
alleen de gewone weg bewandelt, al zit een
plan nog zo goed in elkaar, prima toelichtingen en
alles, het dus alleen voor zich zelf laat spreken en
er verder niet achteraan gaat, dan gebeurt er niets.
Dat is nu nog steeds zo. Als je als gemeente ergens
niet volkomen achterheen gaat en niet zorgt dat er
een netwerk is waarmee je doordringt in de spelonken
van het departement of de provincie, dan
kun je het wel vergeten. Op een gegeven moment
ging mijn baas weg. Ik werd geen opvolger, ze
vonden mij te jong en te lastig, er kwam een oudere
meneer van het departement. Toen wilde ik
eigenlijk weggaan, ik moest toch een keer weg. Ik
had inmiddels al gesolliciteerd op twee burgemeesterschappen,
Ruinen en Ruurlo. De Leidse
burgemeester, tevens curator, Van Kinschot was
vermoedelijk niet zo dol op mij. Want ik was, met
een aantal anderen, heel lastig in de raad. Daar heb
ik trouwens nog wel profijt van gehad, als ik later
zelf lastige raadsleden had dan kon ik vanuit mijn
eigen ervaringen heel aardig met ze praten.
Beatrix
Ik dacht dus ik moet nu eindelijk eens weg en toen
gebeurde er iets merkwaardigs. Ik was in 1952
getrouwd, met Mary Halbertsma, we kenden
elkaar vanaf 1947. Zij had de school voor Maatschappelijk
Werk gedaan. We woonden in Leiden
op een verdieping aan het Rapenburg, daar werden
ook onze oudste twee kinderen geboren.
Maar in 1955 kregen mijn vrouw en ik van koningin
Juliana het verzoek of wij prinses Beatrix in
huis wilden nemen. Want Beatrix zou in 1956 in
Leiden komen studeren. Zij moest vrij zijn, maar
er moesten toch wel mensen zijn, liefst een gezin,
dat ook wel z’n eigen gang ging maar een beetje
een oogje in het zeil kon houden. We konden
daarvoor verhuizen naar Rapenburg 45, het vroegere
huis van professor Telders, de hoogleraar
Volkerenrecht. Telders was, nog in april ’45, in het
kamp overleden en had zijn huis nagelaten aan het
Leids Universiteits Fonds. Op de tweede verdieping
zou prinses Beatrix met haar vriendin Renée
Roëll gaan wonen. En er was natuurlijk ook een
rechercheur. Daarboven moest nog een ouderejaars
komen. Die moesten wij uitzoeken, een studente
die haar eigen weg ging maar Beatrix wegwijs
kon maken.
Hoe krijg je zo’n verzoek van de koningin? Had u
al contacten met de familie? Nee, wel eens een
handje gegeven, maar verder niet. Maar koningin
Juliana had zelf ook in Leiden gestudeerd en de
band met haar Leidse tijdgenoten vastgehouden.
Zo kon zij makkelijk advies inwinnen. Met name
het bestuur van het Leids Universiteits Fonds
speelde daarbij een rol, in de eerste plaats de secretaris-
penningmeester mejuffrouw mr. M.[Marietje]
Blok. Een centrale figuur in het Leidse universitaire
leven. Prinses Beatrix zou eerst drie jaar
blijven. Het werden er vijf omdat zij bij nader
inzien haar studie wilde afsluiten met het doctoraalexamen
Rechten Vrije Studierichting. Ze is tot
1961 gebleven.
In Leiden beheerst het 3 oktoberfeest1 de stad.
Daarom was het voor mij een grote gebeurtenis
toen ik secretaris werd van het bestuur van de
3 oktobervereniging. Daaraan bewaar ik de beste
herinneringen, ook al moest je er hard voor werken.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 47
In 1958 werd ik wethouder, Leiden was toe aan
een vijfde wethouder en de VYD mocht die leveren.
Het college van B en W was in leeftijd tussen
de 56 en 64, men vond dat er eens iemand van een
andere generatie in moest.
Welke portefeuille had u? Ik had vier bedrijven
onder mij en verder volkshuisvesting, verkeer en
openbaar vervoer. Het Leids gemeentebestuur
was niet erg gemakkelijk* de sfeer was niet geweldig
in die tijd. Maar goed, ik heb dat drie jaar
gedaan, met plezier. Die portefeuille verkeer en
vervoer heb ik tweeëntwintig jaar gehouden, ook
nog in Middelburg en Zwolle. Verder had ik mijn
handen vol aan de bouw van de Groenoord-
(markt)hallen en een voor die tijd moderne vuilverbrandingsinstallatie.
Middelburg
Op een gegeven moment werd ik van diverse kanten
ingeseind dat er een burgemeesters vacature
was. Ik aarzelde, want ik was nog maar twee jaar
wethouder en zat net midden in die bouw van de
Groenoordhallen. Maar er werd me gezegd door
Van der Kwaak, toen een CH-gedeputeerde van
Zuid-Holland, de W D zit nu in de regering en er
is een grote achterstand aan WD-burgemeesters,
nu moet je je kans grijpen. Ik heb toen met m’n
vroegere hoogleraar staatsrecht gesproken. Staatsrecht
had ook m’n belangstelling, ik had graag
geschiedenis willen studeren maar zag daar destijds
niet zoveel mogelijkheden in. Ik legde hem
mijn dilemma voor en hij zei, Van der Kwaak
heeft volkomen gelijk, ik had het u zelf moeten
adviseren, ik maak nu een afspraak voor u met de
secretaris-generaal. Toen kwam ik op het departement
en daar zeiden ze, als u nu niet was gekomen
dan hadden we dat uitgelegd als een teken dat u
geen belangstelling had. Toen heb ik gesolliciteerd
naar Smallingerland in Friesland. Ik wist wel dat ik
dat niet zou krijgen, politiek lag dat niet voor de
hand, maar ik kwam wel op de voordracht. Ik had
inmiddels ook naar Middelburg gesolliciteerd en
ben dat uiteindelijk met veel moeite geworden.
Toxopeus, die toen minister van Binnenlandse
Zaken was, wilde mij hebben maar de toenmalige
commissaris2 in Zeeland, De Casembroot, wou de
burgemeester van Zierikzee, een CH-er. Daar was
hij ook zeer mee bevrind. Een burgemeester moest
bovendien kerkelijk meelevend zijn. Hij riep mij
niet eens op.
Dus die dominees in de familie, dat heeft zich
niet voortgezet? Nou, wij waren remonstrants.
Mijn moeder was dat en mijn vader is het later
geworden, die was hervormd. In die zin kon ik wel
kerkelijk meelevend zijn. De burgemeester van
Leiden sprak De Casembroot er nog op aan, hij
kende hem goed: jij moet wel Drijber oproepen.
En dat is toen alsnog gebeurd. Er was dus veel over
te doen, in eerste instantie kwam het niet door de
ministerraad en toen hebben ze de vakantie er
overheen laten gaan. Die tijd is benut om minister-
president De Quay te overtuigen van de kwaliteiten
van kandidaat Drijber om Middelburg te
ontwikkelen. Op 13 oktober werd ik uiteindelijk
benoemd.
Toch wel bijzonder, u had geen ervaring en
wordt meteen burgemeester van een provinciehoofdstad.
Ja, maar hoeveel inwoners had Middelburg
toen? Zo’n 23.000. Daarom kon het. Bovendien
had ik in Leiden als wethouder ervaring opgedaan
gericht op een stad, niet op een dorp. Ik ben acht
jaar in Middelburg geweest en heb een hele goede
tijd daar gehad. De Middelburgse samenleving is
heel gezellig om te wonen. Het was toen nog een
hele ouderwetse samenleving. Dat had ook z’n
goede kanten. Die Leidse raad was destijds al een
raad zoals we dat tegenwoordig overal hebben,
van alles wat, soms moeilijk, nou ja, niet geweldig.
Een grote fractie van de PvdA, daar zaten wel een
paar goeden in maar ook mensen die niets voorstelden.
In Middelburg waren goede wethouders,
onder anderen Kaland, die later naar de Eerste
Kamer is gegaan. De fractievoorzitter van de PvdA
was jhr. Schorer, directeur van een verzekeringsmaatschappij,
die ook nog enige tijd wethouder is
geweest. De fractievoorzitter van de drie daar
samenwerkende christelijke partijen was mr. Van
Empel, president van de rechtbank. Allemaal
mensen van niveau Dus ik wist eerst niet hoe ik
het had, een totaal andere raad, die zich bovendien
aan de grote lijnen hield, ook met de begrotingsbehandeling.
In Leiden hadden we daarvoor
vijf middagen en zes avonden nodig. En in Middelburg
sprak ’s middags de raad en ’s avonds
48 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het oude stadhuis en de
Schepenzaal, gezien
vanaf het Grote Kerkplein,
voor de nieuwbouw.
De foto dateert
uit de eerste helft van de
jaren zestig. (Foto Henneke,
collectie HCO)
moest B en W antwoorden. Soms nog een avond
en de rest moest dan maar in de diverse commissies
besproken worden, want anders duurde het
veel te lang en dat achtte men helemaal niet nodig.
De raad die ik aantrof bleef ongeveer in die
samenstelling tot 1966, toen kwamen er anderen
en werd het een gewone doorsnee Nederlandse
raad. Het mooie was er van af. In die tijd ontwikkelde
Middelburg zich, evenals Zeeland, heel
hard. In Middelburg heb ik ook veel te maken
gehad met monumentenrestauraties, ik ben de
nota’s op dat gebied op een gegeven moment zelf
gaan schrijven. Dus toen ik naar Zwolle ging zat ik
op en top in dat monumentenbeleid, ook in de
subsidieregelingen, alles wat er op dat gebied maar
te verzinnen viel.
Even een zijsprong, in hoeverre is de vrouw van
een burgemeester belangrijk, moet ze alleen maar
zomerpostzegels verkopen, kan ze nee zeggen, wat
wordt van haar verwacht? Nou, tegenwoordig is
dat natuurlijk allemaal anders, de vrouwen hebben
nu doorgaans een eigen werkkring. Dat was
toen niet gebruikelijk, als ze gingen trouwen dan
gaven ze hun beroep op. Mijn vrouw heeft in Middelburg
in allerlei besturen gezeten, jazeker, en ze
onderhield de contacten. En we gaven diners – dat
deden we trouwens in Zwolle ook – en gingen daar
ook zelf naar toe. Je werd ook geacht gauw na de
verhuizing een ontvangst te organiseren. De
Casembroot zei, dat moet je op twee dagen doen,
een zaterdag en een zondag. Meestal is het op een
zondag maar de kerkelijke mensen kunnen dan
niet. Dus we hadden twee ontvangsten, ik in jacquet
en mijn vrouw in een geklede japon en Marie
bediende, in klederdracht. De mensen kregen een
kopje thee en als de volgende gasten kwamen dan
werd je geacht weer plaats te maken. Zoals gezegd
waren de sociale verhoudingen ook nog ouderwets.
Mijn vrouw zat bijvoorbeeld in een handwerkclub,
er waren twee nette clubs, van de oudere
dames en de jongere. Mijn vrouw zat bij de jongere
en die heeft toen eens voorgesteld om een
hele actieve mevrouw daar in op te nemen. Toen
zei de moeder-overste van die club, ja, dat is
inderdaad een heel waardevol mens, ze doet ongelofelijk
veel, dat is zo, maar ja, ze haalt het nèt niet.
Dat is bij ons thuis een gevleugeld woord geworden,
‘ze haalt het nèt niet’. Er waren in Middelburg
veel mensen die het nèt niet haalden. En die
hadden het daar niet leuk. De stranden waren ook
helemaal zo ingedeeld. Later zal dat zeker veranderd
zijn, maar toen was dat nog zo.
Naar Zwolle
Hoe gaat zo’n overstap van Middelburg naar Zwolle
in z’n werk, bent u gevraagd, vroeg de partij u? Nee,
ik heb daarnaar gesolliciteerd. De tijd was er rijp
voor. In die acht jaar hadden we in Middelburg
alles op de rails, wat daar maar gebeuren moest
was wel gebeurd. Toen hoorde je, voelde je, de
burgemeester gaat weg, die blijft hier natuurlijk
niet. Ik weet nog dat na mijn laatste nieuwjaarsrede
een wethouder zei – een hele aardige uit de
landbouw afkomstige man – ja, ik heb met weemoed
geluisterd, want het is natuurlijk uw laatste
nieuwjaarsrede. En de commissaris van politie zei,
mijn collega uit Zwolle heeft geïnformeerd naar u,
want u gaat naar Zwolle heb ik begrepen. En een
vriendin van ons die haar moeder in Kampen
opzocht had een kopje koffie gedronken op het
station in Zwolle en zij hoorde daar in die restauratie
mensen zeggen, onze burgemeester Roeien3
gaat naar Arnhem en dan krijgen wij de burgemeester
van Middelburg. Dat was in februari 1969.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 49
Het nieuwe stadhuis en
de Schepenzaal gezien
vanaf het Grote Kerkplein,
vlak na de gereedkoming
van de nieuwbouw
begin 1976. (Collectie
HCO)
Ik had inderdaad wel eens met Geertsema gesproken,
die deed toen in de Kamer de burgemeestersbenoemingen
voor de WD, zo van, het wordt tijd
dat ik eens wegga. Arnhem kwam vrij en Haarlem,
maar Haarlem was katholiek en toen zei hij, ja,
dan zie ik wel een mogelijkheid. Ik dacht dan
begrijp ik waar jij aan denkt, Roeien moet maar
naar Arnhem en Drijber naar Zwolle. Toen al die
geruchten rondgingen zijn wij op Goede Vrijdag
eens gaan kijken hoe dat Zwolle er eigenlijk uitzag.
Want we waren er nog nooit geweest. Alleen als
student was ik eens in de Koestraat geweest bij de
familie Nysingh, een Leidse clubgenoot van mij,
maar verder nooit.
Toen hebben we daar rondgekeken, ook even
bij de ambtswoning in de Wipstrikkerallee4 en
daar zagen we Roeien op een balkonnetje zitten.
We hebben de binnenstad bekeken, daar schrokken
we natuurlijk vreselijk van, die binnenstad die
voor een groot deel tegen de vlakte lag en die
auto’s op die vlaktes geparkeerd. En dat ongelukkige
stadhuis, dus we zeiden, veel soeps is het allemaal
niet. Maar ik heb gesolliciteerd en vanaf dat
moment was het eigenlijk al vastgesteld dat ik dat
zou worden. Dat was helemaal geen punt, dat was
gewoon uitgemaakt.
Ik ben dat ook mede geworden doordat de
gemeenteraad destijds nog geen inspraak had. Er
bestond ook nog geen profiel. De commissaris,
Van Nispen5, had alleen met de fractievoorzitters
gesproken. Hij zei mij toen wel dat als het aan hen
gelegen had het wellicht anders gelopen was. Volgens
hem zaten ze niet echt op iemand uit zuidwest
Nederland te wachten. Bovendien zei hij, ze
zijn een beetje bang voor je, je moet ze heel erg op
hun gemak stellen. Dat verbaasde me, de verhoudingen
in Middelburg waren toch altijd erg goed.
Maar daar heb ik toen goed op gelet, dat ik ze vrindelijk
tegemoet trad. Bij de begrotingsbehandeling
zei Okkels6 toen in de gemeenteraad, na elf
maanden maar het leek wel elf jaar, dat het allemaal
geweldig ging en iedereen was enthousiast.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Had u dan al een bepaalde reputatie? Kennelijk
wel. Ik heb nooit begrepen waar dat vandaan
kwam. Maar stel, zo’n raad had wel een profiel
moeten maken en wat was toen actueel in Zwolle?
De restauraties, want het hele beleid moest om.
Dus moest je iemand hebben die op dat gebied
ervaring had. Nou, met alle respect voor iedereen,
maar de burgemeester van Middelburg had precies
die ervaring. Verder moest je iemand hebben
die zich zou gaan richten op de sprong over het
spoor. Want Zwolle was bijna uitgebouwd aan de
noordkant. Ik had ook daarmee ervaring, want
toen ik in Middelburg kwam zeiden ze, we moeten
nu over het kanaal en het spoor en dat moet u
maar trekken. En dat is ook gebeurd.
Je zou denken, als je die twee spitsen hebt in
het beleid dat je dan gaat kijken welke burgemeesterssollicitant
past daar nou bij, hè. Maar dat
gebeurde helemaal niet, integendeel. Men heeft
dat helemaal niet overwogen. Maar het kwam wel
zodra ik benoemd was. Toen zeiden ze, gelukkig
dat u er bent, want we moeten over het spoor en
verder moet alles anders, de tijd is helemaal omgeslagen,
we kunnen geen doorbraken meer doen, er
mag niets meer afgebroken worden, we moeten
voor de noordelijke binnenstad een heel ander
plan gaan maken en u hebt de ervaring van Middelburg,
u moet daar maar leiding aan geven.
Samen met de wethouder natuurlijk, met
Nooter7. Een wijze goede man, die zelf ook voelde,
na al die jaren dat het beleid een andere kant op
moest. Met hem kon ik het goed vinden.
Omslag in de tijd
Dus toen ik kwam moest alles anders, niet meer
afbreken maar restaureren. De raad was heel
onzeker. Dat kon ik me wel voorstellen, want het
hele klimaat veranderde, er kwamen actiegroepen.
De publieke tribune werd voor het eerst bezet
door protesterende krakers.
Dat was een grote omslag. Enorm. Zo’n grote
omslag. Ook met het stadhuis. Dat was altijd als
vanzelfsprekend aangenomen, tijdens de laatste
maanden van Roeien het toenmalige plan nog met
tweederde meerderheid. Dus je zei tegen de raad,
maar dat hebben jullie een jaar geleden aangenomen
en dan zeiden ze, ja maar dat telt nu niet
meer. Zo was de sfeer. De eerste actiegroep richtte
zich tegen het stadhuisplan, die kwam met een
alternatief om een stadskantoor te bouwen op het
bolwerk waar nu misschien de schouwburg komt.
Dat was volkomen nieuw, een actiegroep. En los
daarvan, iedereen wilde opeens inspraak plegen.
En hoe deed je dat dan, daar moest de bevolking
ook aan wennen, want als je zegt, je krijgt
inspraak, dan heb je het idee dat wat je zegt ook zal
gaan gebeuren en dat was lang niet altijd het geval
natuurlijk. Dat gaf spanningen. Eerst zat ik als
burgemeester allerlei inspraakzittingen zelf voor.
Maar daarvan moet ik achteraf toegeven dat het
beter was, als het enigszins spannend werd, om
een neutraal iemand te nemen. Ook bij de verkeerszaken,
mijn portefeuille, ging ik zelf de wijken
in. Daar waren altijd veel verlangens, verkeersdrempels
moesten er komen en dat soort
dingen. Ik ging daar met de ambtenaren heen, vergaderingen
liet ik wel door een ambtenaar leiden
maar grote inspraakavonden deed ik zelf. Dat
moest je allemaal ervaren.
Het was een moeilijke tijd, daarbij kwam dat
net die hele binnenstadsproblematiek centraal
stond. Je kan nu zeggen, ja dat was toch makkelijk,
je ging met de tijd mee, geen vierbaansweg meer
door het oude centrum maar zoveel mogelijk het
bestaande handhaven en verder in passende
moderne stijl opbouwen, maar zo eenvoudig was
het echt niet. Want een deel van dat plan moest
wel doorgaan. Ik stond op het standpunt dat we in
het noorden van de binnenstad zoveel mogelijk
moesten behouden; niet meer afbreken maar restaureren
en in stijl bouwen. Die vierbaansweg
naar de nieuw te bouwen V&D en daar een parkeerterrein
dat kon niet meer, dat moest spectaculair
veranderd. Dus toen hebben we Aldo van
Eijck uitgenodigd om een plan te maken voor dat
stadsgedeelte. We zeiden, dan zien ze, ook al die
actiegroepen, dat we echt serieus bezig zijn.
Aldo van Eijck, was dat uw idee? Dat denk ik
wel. Nou ja, dat komt in teamverband, je bent aan
de praat met ambtenaren en de wethouder en dan
rolt er zo’n idee uit. Dat moet gebeuren. En verder
moest er nog meer gebeuren dat niet zo erg paste
in het restauratiebeleid van de zeventiger jaren, de
bouw van de nieuwe V&D en C&A. Want dat was
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
dringend nodig, die zaten aan de Diezerstraat in
volstrekt verouderde behuizingen. Er waren veel
besprekingen geweest en de plekken waren vastgesteld.
De bouwplannen vonden we niet mooi
maar je moest met die bedrijven verder. Toen ik er
pas was zeiden ze in het college, we hebben de
onderhandelingen met V&D en C&A nog even
uitgesteld tot u er was, en gaat uw gang. Samen
met de wethouder van financiën en economische
zaken, Runhaar8, een van de beste wethouders
met wie ik ooit heb samengewerkt, heb ik de
besprekingen gevoerd, over de grondprijs en van
alles en nog wat. Maar de speelruimte van de
gemeente was niet zo groot. V&D is gebouwd op
een plek waardoor de Bitterstraat werd afgesloten,
een aantasting van het oude stratenpatroon. Dat
moest er echter allemaal doorheen gehaald worden.
Dat hele plan is ook een compromisplan,
want B en W had in een vorige periode daarvoor
een architect uit Ter Apel aangetrokken die nog
werkte volgens het stramien van de zestiger jaren.
Maar we moesten toch zien er het beste van te
maken. Dat was soms echt moeilijk. Dat we die
noordkant van de binnenstad, zonder al te veel
problemen van inspraak en actiegroepen voor
elkaar hebben gekregen, ligt denk ik toch mede
aan de stadhuiskwestie. Die trok zo geweldig alle
aandacht op zich, iedereen was daardoor geobsedeerd.
De actiegroepen richtten zich daar tegen.
De strijd om het nieuwe stadhuis
Maar dat stadhuisplan moest toch wel doorgaan,
want Zwolle zat er al vanaf 1896 op te wachten. De
meerderheid in de raad voor het plan van Konijnenburg9
werd echter steeds geringer. Telkens
moest er een nieuwe beslissing komen. Bijvoorbeeld
een voorlopig krediet moest een definitief
krediet worden en dan moest de raad weer beslissen.
Dan bleek dat het laatste plan een iets andere
plattegrond had en moest het bestemmingplan
weer worden aangepast. Zo was er telkens reden
om het weer in de raad te brengen. En de steun
nam steeds verder af. Inmiddels was het plan al
wel aanzienlijk verbeterd, we hadden er nog een
adviescommissie aan verbonden met vooraanstaande
architecten die ook Konijnenburg geadviseerd
hebben. Ik vond eigenlijk dat er toen een
goed plan uitkwam, toen wel. Het eerste plan
vond ik zelf ook niet zo geweldig. Konijnenburg
was een knappe architect, ik vind wat hij nu
gemaakt heeft zelfs heel knap, maar dat is een heel
ander plan dan waar wij toen over praatten. Hij
was eigenlijk geen architect voor de binnenstad,
had daar ook geen ervaring mee.
Het eerste plan besloeg een veel grotere oppervlakte?
Dat ook, maar de stijl was ook anders. Ik
kan me best voorstellen dat de mensen daar niet
voor waren. B en W was in meerderheid voor het
aangepaste plan, alleen Loos10 niet, maar verder
liepen de scheidingen dwars door de fracties heen.
Dat was erg belangrijk. Daardoor kwam het niet in
politiek vaarwater. Uiteindelijk staakten de stemmen
tot twee keer toe in de raad. Met die stemmingen
is raadslid Van der Brug11, die bij een val
ernstig geblesseerd was, nog in een brancard naar
boven naar de raadszaal gedragen om tegen te
gaan stemmen. Dat was in mei 1972. De impasse
was compleet. Daarop zei ik, laat dan de raad zelf
maar eens bedenken hoe ze eruit zouden kunnen
komen. Ze hebben vervolgens de voor- en tegenstanders
bij elkaar gezet maar ze kwamen er nog
steeds niet uit. Toen hebben nota bene de ambtenaren
aan de raad geschreven dat de raad moest
beslissen wat er moest gebeuren, maar dat ze niet
mochten beslissen dat er niets gebeurde. Want
men wachtte al bijna tachtig jaar en het moest nu
toch afgelopen wezen. Vanuit de Vrienden van de
De maquettes van het
voorlaatste en het uiteindelijke
gerealiseerde
ontwerp voor het nieuwe
stadhuis. Het bovenste
ontwerp haalde het
niet doordat op 29 mei
1972 voor de tweede
maal de stemmen hierover
in de gemeenteraad
staakten. (Uit: ‘Op
de Bres voor Zwolle’,
Zwolle 1992)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Opening nieuwe stadhuis
De officiële opening van het nieuwe Zwolse stadhuis vond plaats
op zaterdag 15 mei 1976. De daaraan gekoppelde manifestaties
en festiviteiten waren echter veel te omvangrijk om zich allemaal
op die ene officiële openingsdag af te spelen, het programma
begon daarom al op de woensdagavond daarvoor. Hieronder
drie momentopnamen uit die dagen.
Op 13 mei 1976 was er een open huis voor de bouwers, adviseurs,
het bestuur van de Vrienden van de Stadskern, de archeologische
werkgroep, buren enzovoort. Burgemeester Drijberhier in gesprek
met twee opposanten van het eerste uur van de oorspronkelijke
plannen en bestuursleden van de Vrienden van de Stadskern Han
Prins enpastoorj. Loos. NaastHan Prinszijn echtgenote Joukje.
(Collectie HCO)
14 mei 1976, burgemeester en wethouders tijdens de ‘voor’ opening
van het nieuwe stadhuis. Uiterst links wethouder P. Loos, vooraan
op de trap H. Okkels, daarachter naast elkaar vlnr. de wethouders
Van den Berg en J. Tamse en gemeentesecretaris N. Meiman,
daarachter met pijp wethouder T. ter Bekke. Rechts vooraan kabinetchefVan
Rappard. (Collectie HCO)
^ ^ j 15 mei 1976, de officiële opening van het nieuwe stadhuis door de
2%Aasi minister van Binnenlandse Zaken mr. W.F. de Gaay Fortman.
Vlnr. de minister, burgemeester Drijber met echtgenote encommissaris
van de koningin Niers met echtgenote. (Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 53
Stadskern is toen uiteindelijk een compromis aangedragen.
Daar kwam uit dat de Weeme zou blijven
staan, maar dat het gebouw daar achter, de
school aan de Goudsteeg waar ook resten van de
fraterhuizen in zaten, weg mocht en dan moest de
plattegrond kleiner worden.
De overeenstemming daarover is begin juli
1972 ontstaan, de architect was op vakantie. De
laatste week van juli hoorde hij dat en hij is er toen
in geslaagd in een maand tijd het plan te maken
wat uiteindelijk ook verwezenlijkt is. Ik vond dat
ongelofelijk knap. Een totaal ander plan. Want hij
kon dat andere plan – waar hij wel vanaf 1963 aan
gewerkt had – niet meer gebruiken, hij moest veel
geconcentreerder gaan bouwen. Hij kon nu wel de
Weeme erbij gebruiken als vergaderruimte. Ik had
daar veel respect voor. We kregen zijn presentatie
op 22 augustus 1972. De raad vond het prachtig,
die waren dolblij dat ze van die controverse af
waren en met algemene stemmen werd gezegd, dit
is het, uitwerken. Toen hebben we als B en W
gezegd, één ding, we kennen de raad van Zwolle al
langer dan gisteren, als we dit weer helemaal moeten
gaan uitwerken en uitwerken, dan is dat klaar
tegen de tijd dat de volgende raad komt en dan
komen er weer bezwaren en kunnen we opnieuw
beginnen. Het is nu 22 augustus, 23 oktober is er
een reguliere raad, daar moet het definitieve krediet
in. Met enkele stelposten, maar dat moet. Dan
moet er dag en nacht doorgewerkt worden en in
die tussentijd moeten we ook nog inspraak houden.
Deze en de volgende tekeningen doen we in
de inspraak. En toen op 23 oktober werd het weer
door de raad met algemene stemmen aangenomen.
Ze zeiden zelfs dat er meer inspraak was
geweest, wat niet waar was. In januari 1973 was er
toch al een raadslid dat riep, nu achteraf, nu ik het
nog eens zie vind ik het toch eigenlijk zus en zo,
maar ik zei, man, het spijt me maar je bent nu te
laat [lachthartelijk].
Maar ik vond die hele combinatie van het stadhuis
en wat er verder nog moest gebeuren, inclusief
de grote moeilijkheid om de sprong naar Zuid
te maken, die begin zeventiger jaren, de moeilijkste
bestuurlijke jaren die ik als burgemeester heb
gehad. In al die tijd. Dat was echt heel moeilijk om
dat allemaal voor elkaar te krijgen.
De sprong naar Zwolle-Zuid
In de tijd van Roeien was Zwolle industriekern
geworden. Dat was heel belangrijk want dan kreeg
je behoorlijke subsidies voor vestigingen van
bedrijven en voor de infrastructuur. Daar heeft
het kabinet Biesheuvel, dat in 1971 kwam, een eind
aan gemaakt. In dat regeerakkoord werd bepaald
dat het aantal kernen veel te groot was. Zwolle en
onder meer ook Kampen werden geschrapt. Dat
was natuurlijk een behoorlijke tegenvaller want
wij moesten juist met veel rijkssteun over het stationsemplacement
naar Zuid springen. Wij hebben
toen vreselijk veel moeite gedaan bij dat kabinet,
er zaten ook twee ministers in met wie ik persoonlijk
min of meer bevrind was, namelijk Geertsema
op Binnenlandse en Langman op Economische
Zaken.
Helpt zoiets, als je mensen persoonlijk kent?
Nou, soms wel. Maar ik ben dan wel WD-er,
maar ik kon meestal meer bereiken bij PvdA- en
CDA-ministers dan bij WD-ers. In die tijd kon ik
het heel goed vinden met Udink, minister van
Volkhuisvesting, die wou ook veel doen voor
Zwolle. Hij zei mij dan, kunt u nou niet nog eens
bij uw partijgenoten Geertsema en Langman lobbyen,
ik krijg ze niet om. Dan zei ik, nou ik zal het
doen, maar ik krijg ze ook niet om, dat weet ik nu
Zwolle promotie in Den
Haag. Een Zwolse delegatie
onder leiding van
burgemeester Drijber
presenteert in het Haagse
Nieuwspoort het
nieuwe structuurplan
van de stad, 27 oktober
1971. Vlnr. onbekend, de
heer Dekker, directeur
van de socio-grafische
dienst van de gemeente
Zwolle, de heer Roorda
van Eijsinga van het
stedebouwkundig
adviesbureau O.D. 205,
burgemeester Drijber,
de heer Messer, stedebouwkundige
van de
gemeente Zwolle en
wethouder Venstra.
(Foto GPD Den Haag,
collectie HCO)
54 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
al. Dat was een moeilijkheid. Maar het ministerie
van VROM, of eigenlijk toen nog VRO, toen was
de M(milieubeheer) er nog niet bij, was zéér voor
Zwolle. De leiding van het departement en ook de
directeur van de Rijksplanologische Dienst, dat
was toen Quené, zagen namelijk de ontwikkeling
van Zwolle als een voorwaarde voor de ontwikkeling
van het Noorden. Ze zeiden willen wij dat
Noorden ontwikkelen, dat wil de regering en ook
de Tweede Kamer, dan moet er iets tussen liggen.
Je kunt niet zeggen hier is de Randstad en dan heb
je daar Groningen. Daar moet een steppingstone
zijn. Dus eerst moet Zwolle goed ontwikkeld worden
en dan kan je in het Noorden wat doen. Zij
waren daarom altijd erg voor ons. Dat was niet
gering. Ik vind dat een man als Quené daar wel
eens voor geëerd mag worden. Die heeft heel veel
voor Zwolle gedaan. Hij was eerst directeur van de
Rijksplanologische Dienst, daarna secretarisgeneraal
op het ministerie van VRO. In de tachtiger
jaren werd hij voorzitter van de SER, enfin, het
was een heel vooraanstaande man en een hele aardige
man ook. Daar mag Zwolle wel dankbaar
voor zijn, dat dat ministerie zo meewerkte.
Het was zelfs zo, in die tijd van Udink, dat het
departement van VRO het idee had dat je niet
rijksdiensten vanuit Den Haag moest spreiden
over het hele land, maar dat je een tweede ‘schrijftafel’
moest maken, een heel end van Den Haag af.
Dat was voor die diensten ook veel beter. En waar
zou die tweede schrijftafel dan komen? Juist, in
Zwolle. Maar dat idee was politiek niet reëel.
Voor de ontwikkeling van Zwolle-Zuid hadden
we een speciaal team. Dat ontstond zo; er
bood zich een grote projectontwikkelaar aan en
daar waren we toen bijna mee akkoord gegaan.
Maar toen kwam er een combinatie van het destijds
bekende Rotterdamse stedebouwkundige
bureau Stad en Landschap met twee ingenieursbureau’s
en ook nog een belegger in onroerend
goed. Zij presenteerden gezamenlijk een plan. Wij
zijn met die groep in zee gegaan omdat die offerte
meer vrijheid bood dan die van de projectontwikkelaar.
Met projectontwikkelaars kun je een contract
sluiten, maar dat is dan verder ook bindend
en daar kan heel weinig aan veranderd worden. De
leider van dat team was de directeur van Stad en
Landschap, Schut, de oud-minister van VRO.
Schut was voor hij minister werd onze stedebouwkundige
in Middelburg. Daar had ik altijd met
hem samengewerkt en ik had de band met hem
vastgehouden. Ik zei daarom, we moeten Schut
nemen want die heeft goede entrees op het departement.
Want het was van het grootste belang om
subsidies te krijgen. Toen heeft zich een heel proces
ontwikkeld, waarbij wij ook nauw hebben
samengewerkt met de opeenvolgende ministers,
Udink en later Gruyters. Het is toen uiteindelijk
gelukt om de status van groeistad te krijgen. Op
die basis hebben we van het Rijk als eerste tranche
103 miljoen gulden gekregen voor de ontsluiting
van Zwolle-Zuid. Om dat allemaal voor elkaar te
krijgen was ook een hele moeilijke operatie. Daar
hebben we, met z’n allen, heel veel energie ingestoken.
Maar toen het stadhuis er was, de restauraties
in de binnenstad in volle gang waren en de sprong
naar Zuid was verzekerd, werd het besturen wat
minder enerverend. Toen was het zaak om het
goed uit te voeren.
Werkhouding
Hard gewerkt, zegt u. Het verhaal gaat altijd nog dat
meneer Drijber ook op zondag wel naar het stadhuis
ging en daar ook vaak doorwerkte. O zeker, dat
vond ik ook helemaal niet erg. Ook ’s avonds wel.
Ik zat daar in dat oude stadhuis heel mooi, in die
hoek. Als je daar dan nog laat zat dan zeiden ze
wel, zit u er nou nog? Dan zei ik, nee helemaal
niet, ik ben gewoon thuis geweest, heb daar gegeten,
de krant gelezen en even televisie gekeken en
nou om tien uur ga ik weer naar het stadhuis.
Maar goed, dat deed ik inderdaad. Dat was destijds
ook het geval in Middelburg. Ze hadden daar
grote plannen, Middelburg moest groeien en toen
heb ik ook gezegd, kijk, ik vind het uitstekend dat
we die taakstelling gaan doen, maar dan moet
iedereen gewoon doorwerken. Dan moet je niet
zeggen, het is vijf uur, nu gaan we naar huis, want
dat kan niet. Wie mee wil doen, prima, maar dan
gaan we er ook geweldig achteraan.
Dat hebben we in Zwolle ook wel gedaan, met
een aantal goede mensen. Maar de sfeer was…
anders. Er was een voortreffelijke gemeentesecreZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 55
taris in Zwolle, Jan Peeman, hij is na een jaar
benoemd tot griffier van de Staten in Groningen.
Die zei tegen mij voordat ik de eerste keer op de
Nieuwjaarsbijeenkomst het personeel zou toespreken,
je zult wel gaan zeggen dat er een heleboel
dingen op stapel staan en dat er toch nog een
heleboel meer moet gebeuren, dat we de status
van industriekern moeten houden en dat we in de
binnenstad die hele verandering met eensgezindheid
moeten dragen, dat soort dingen. Inderdaad,
zei ik, zoiets zou best kunnen. Ja, zei hij, zo zou
Roeien dat ook zeggen. Maar dat slaat bij deze
mensen niet in. Toen kreeg ik van Jur Tjeenk Willink12
een oudejaarsoverpeinzing, die maakte dat
elk jaar en die kwam mij dat brengen. Daar zag ik
ook iets in, een negentiende-eeuws verhaal over de
jaarwisseling, een beetje beschouwend en dat heb
ik toen als uitgangspunt genomen. Peeman zei,
nou dat is goed hoor, men vond het leuk dat het
iets totaal anders was, niet die taakstelling. En toen
kwam er in het personeelsblad een artikeltje van
een linkse dwarse jongen en die schreef, hoe is het
nou toch mogelijk, de burgemeester houdt zijn
eerste nieuwjaarstoespraak en waar heeft hij het
over? De negentiende eeuw! Zo zie je maar weer,
het is nooit goed [lacht hartelijk]. Maar die secretarie,
dat was toen een vrij moeilijk te hanteren
gezelschap. Er zat niet een grote dynamiek in. Er
waren hele goede mensen bij maar de sfeer was
afwachtend ten opzichte van die bestuurders die
altijd maar meer wilden. Dat veranderde later.
Daar kom ik nog op terug.
Goed oud versus goed modern
U wordt in Zwolle gememoreerd als de burgemeester
die gezorgd heeft voor het behoud van de stad, u hebt
daarvoor bij uw afscheid in 1980 het erelidmaatschap
van de Vrienden van de Stadskern gekregen,
was u daar altijd al mee bezig? Ja, die belangstelling
was er altijd wel, maar in Leiden uitte dat zich nog
maar op bescheiden wijze. In die tijd vond het ook
nog geen ingang. Zoals al een paar keer aangeduid,
heeft zich dat in Middelburg verder ontwikkeld.
Ik heb me bijvoorbeeld altijd verzet tegen de
redenering: goed oud moet kunnen naast goed
modern. Dat zie je nog in de Breestraat in Leiden.
Maar het is niet waar. Het kan alleen als goed
modern een geleding heeft en een schaal die past
bij het oude. Je ziet hier in Arnhem ook vreselijke
dingen, horizontale gevels naast verticale. Oud is
altijd verticaal. In een historische binnenstad
moet je geen lang horizontaal gebouw neerzetten.
Hoe zat dat alweer met de nieuwbouw aan de
Thorbeckegracht, vlak bij de Diezerpoortenbrug; dat
alles al klaar was, dat alleen de burgemeester nog
zijn fiat moest geven, maar die bekeek de plannen en
zei, hier zet ik mijn handtekening niet onder. Dat
zijn nu die balkonwoningen. Er was ooit een plan
om daar een grijze wand van te maken, en dat zou
Drijber hebben verhinderd! Dat is waar, ja. Er
moest daar iets gebeuren, de oude pakhuizen13 die
daar stonden waren helemaal vervallen, daar
moest nieuwbouw komen. Er is toen een projectontwikkelaar
gekomen en die heeft een architect
aangetrokken om dat te doen. Daar is veel over
heen en weer gepraat en uiteindelijk is er een plan
gekomen wat de goedkeuring kreeg van Welstandstoezicht
en ook van de directeur Openbare
Werken14. Maar het was geen goed plan, onder
andere weer veel te horizontaal en op zo’n gevoelig
punt in de stad, dat kon niet. Dus ik zei, dit
moet anders. Maar het zal moeilijk zijn om dit te
keren, dan moeten we wel van goede huize
komen. Met die plannen onder de arm ben ik naar
Middelburg gereden, om ze met professor Berg-
Vijf van de zes monumentale
maar volledig
vervallen achttiendeeeuwse
zogeheten Marsmanpanden
aan de
Thorbeckegracht, vlak
voor de sloop in 1981.
(Collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Twee tekeningen van de
invulling van het bouwplan
voor appartementen
aan de Thorbeckegracht;
boven het door
alle instanties goedgekeurde
maar door burgemeester
Drijber
tegengehouden ontwerp,
onder het ontwerp
dat uiteindelijk
gerealiseerd is. (Uit:
‘Op de Bres voor Zwolle’,
Zwolle 1992)
hoef te bespreken. Berghoef was hoogleraar
bouwkunde in Delft en een bekende architect, van
onder andere het stadhuis in Hengelo. Ik kende
hem nog van de Studentenhuisvesting, hij was
destijds actiefin Delft en ik in Leiden. We hebben
toen veel samengewerkt. Later in Middelburg
heeft hij onder meer het provinciehuis ontworpen
en het waterschapsgebouw. Hij had gevoel voor de
oude stad, hij is ook in Middelburg gaan wonen.
Berghoef vond van die plannen hetzelfde als ik.
We concludeerden dat ik met die mensen moest
gaan praten, samen met de wethouder, en ze uitleggen
dat het plan niet doorging maar dan zou
aanwijzen wat het wel moest zijn. Berghoef schetste
het voor en ik leerde dat uit mijn hoofd. Toen
kwam het plan in B en W en ik dacht, ik moet zorgen
dat ik wethouder Loos meekrijg. Die was het
gelukkig met me eens. De sfeer in B en W was
eigenlijk nog zo, dat die machtiging die ik in het
begin min of meer kreeg, maak wat van de binnenstad,
in feite nog steeds gold. Het was inmiddels
1978. Toen hebben we een gesprek gehad met
de projectontwikkelaar en Openbare Werken en
gezegd, B en W heeft het plan niet goedgekeurd.
Wat er aan ontbreekt dat zal ik u tekenen. Zoiets
zou het moeten zijn en dat is het helemaal niet. Ik
vind het voor u ook heel vervelend, zei ik tegen die
projectontwikkelaar, want u heeft wel uw best
gedaan door een goede architect te nemen, maar
het is geen architect die verstand heeft van binnensteden.
Dat is nou net het punt. We moeten er
nu zien uit te komen en als het nodig is, het kost u
geld want u moet weer opnieuw beginnen, kunnen
wij nog wel iets aan de grondprijs doen om u
tegemoet te komen. Want het is ook ons erg veel
waard dat het goed komt. Wij kunnen u ook nog
wel verder helpen, als u een andere architect hebt,
dan hebben wij nog wel mogelijkheden om u nog
meer te laten zien wat je in de binnenstad kunt
doen. Want iemand als Han Prins15 was ook
bereid om te tekenen. Maar ik had deze zaak niet
met hem besproken. Want iets als de Vrienden
van de Stadskern is heel nuttig, maar die moeten
niet helemaal in het hart van het beleid doordringen.
Want dat kon je ook weer niet goed verkopen.
Maar met Berghoef achter de hand voelde ik
me sterk genoeg. Die projectontwikkelaar, aardige
man, heeft dat genomen. En bij de verdere uitwerking
is Han Prins betrokken. Toen is dit er uitgekomen.
Ik vind het goed geworden, alleen de steen
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 57
had ik graag minder donker gezien. Ik was al weg,
want anders had ik zeker gevraagd, welke steen
komt er. Dat had ik geleerd bij Aldo van Eijck,
daar ben ik ook niet zo verrukt van de steensoort,
daar had ik toch meer achterheen moeten zitten.
De verhouding en de samenwerking met de
Vrienden van de Stadskern was trouwens na 1972,
na de controverse om het stadhuis waar we aanvankelijk
tegenover elkaar stonden, heel goed. In
de voor het behoud en de herinrichting van het
oude stadshart beslissende zeventiger jaren zijn
het gemeentebestuur en de Vrienden elkaar toen
dicht genaderd.
Verder ging het zo dat wij samen keken, de
wethouder en ik, naar de bouwaanvragen. En vaak
dingen afwezen. Ik weet nog dat ik een keer in de
Diezerpromenade stond met een architect en een
zaakwaarnemer van zo’n groot landelijk bedrijf.
Die maken dan zoiets wat ze overal maken. We
stonden daar voor het bewuste pand met de tekening
en ik zei tegen die architect, u maakt nu iets
wat u overal maakt en blijkbaar krijgt u veel medewerking.
Maar bij ons niet. Dat is natuurlijk vervelend,
maar wij willen proberen iets heel anders
te doen. U vindt het zeker gek dat de burgemeester
zich met een winkelpui bemoeit. En daar hebt u
ook gelijk aan. Dat doen burgemeesters niet. Maar
ik doe dat wel en daar moet u dan even aan wennen.
Dreigt dan niet het gevaar dat je op het terrein
van een wethouder komt? Je kunt het als burgemeester
alleen doen wanneer de wethouder van
Openbare Werken meewerkt. Dat had ik met
Nooter, met Venstra16 en daarna met Loos. Loos
had daar naar mijn idee soms wat moeite mee. Dat
zou je niet denken, gezien de opvattingen van z’n
vader17. Maar die ging doorgaans ook wel mee. Op
zo’n manier kon je wel iets goeds krijgen. In Middelburg
was ik voorzitter van Welstandstoezicht.
Dat was zo geregeld in Zeeland. Het college dat in
1966 kwam, heeft daar een eind aan gemaakt. Ze
hadden daar wel gelijk aan. Ze zeiden, we vinden
dat een verkeerde constructie; de burgemeester
bekijkt met de architect en de gemeentearchitect
die plannen en dan komt het bij ons en moeten wij
het goed vinden. Maar ik heb er heel veel van
geleerd. Die panden in zo’n Diezerstaat zijn altijd
afgesneden, daarboven is iets en daaronder. Maar
dat moet niet, zo’n pand moet op z’n ‘poten’ blijven
staan. Dat is het uitgangspunt en dat probeer
ik dan al die mensen uit te leggen. Maar veel zin
heeft het niet, want je bent een tijdje weg en dan
zie je her en der weer vreselijke dingen.
Maar de recente invulling van het Eiland door
Natalini vind ik heel mooi geworden. Eerst was er
een plan dat weinig gelukkig was. Dat zie je vaak,
dat een projectontwikkelaar wel de moeite doet
om een goede architect te vinden, maar niet er aan
denkt dat het een architect moet zijn die verstand
heeft van binnensteden. Die de plannen aanpast
aan het karakter, aan de maat en schaal van de hele
enscenering van de vorige eeuwen. Dat mislukt
heel vaak, buitengewoon jammer. Gelukkig heeft
Natalini dat wel. Het is alleen een beetje massief, je
ziet zo dat het ‘aus einem Guss’ is gebouwd. Een
binnenstad is geleidelijk aan ontstaan, je had dat
nog iets meer kunnen nabootsen door bijvoorbeeld
wat meer variatie in de gevelhoogtes aan te
brengen.
Ambtsverplichtingen
Moest u ook de langgehuwden toespreken en bezoeken?
De zestigjarigen, ja. Daar gingen m’n vrouw
en ik naar toe. Een heel werk. Maar we deden dat
met plezier want je hoort veel over hoe het leven
vroeger in zo’n stad was. Het gesprek brachten we
daar ook altijd op. Dat deden we in Middelburg
ook, al die bezoeken. Een enkele keer is mijn
vrouw wel eens alleen gegaan, want dan was er
zo’n receptie en die viel bijvoorbeeld net op die
middag dat de enige mogelijkheid was om een
gesprek met Gedeputeerde Staten te hebben. In
het jaar van Zwolle 750, dat ik helaas maar ten dele
heb meegemaakt door mijn overstap naar Arnhem,
hebben we in april alle diamanten bruidsparen
op het stadhuis uitgenodigd voor een feestelijke
middag. Want ik had toen zoveel te doen dat
die aparte bezoeken in de verdrukking kwamen.
Dat herinner ik mij als een groot succes. Dus toen
zei ik, misschien is dit wel leuk om elk jaar te doen
en niet meer op bezoek te gaan. Maar ik weet niet
hoe dat verder gegaan is, ik was weg. In Arnhem
heb ik het nooit gedaan. Dat werd te veel. De honderdjarigen
nog wel, maar geen bruidsparen meer.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Tegenwoordig zijn de omgangsvormen informeler,
er wordt nu gesproken over Jan Franssen, Henk
Jan Meijer. Dat was toch in uw tijd niet zo, u was
meneer Drijber. Dat is nu inderdaad anders. Ook
hier in Arnhem was ik meneer Drijber, mr. J. Drijber.
M’n opvolger werd altijd bij de voornaam
genoemd, burgemeester Paul Scholten. Ja, dat is
de verandering in de tijd, die voornamen, het gaat
er wat informeler aan toe.
Voelde u zich in uw doen en laten beperkt door
uw functie’;’Nee, dat heb ik nooit zo gevoeld. Wat
zou ik dan anders gedaan hebben? Ik heb van huis
uit heel weinig geduld, dat is een lastige eigenschap.
Je moet daarom wel oppassen dat je je niet
driftig toont. Ook als je werkelijk boos bent, moet
je het niet tonen. Soms moet je wel eens doen alsof.
Een zeker spel zit daar in. Dat kan nuttig zijn.
Maar als je echt boos bent, is voorzichtigheid
geboden. Ik heb me wel het een en ander aangeleerd,
zeker in de raad. Ik had wel eens een gedachtewisseling
met de toenmalige gemeentesecretaris
Niek Meiman. Die zei dan na een raadsvergade-
Een burgemeester moet van alle markten thuis zijn. Op 19 december 1975 decoreerde burgemeester Drijber het 400.000ste dier dat dat
jaar op de Zwolse veemarkt werd aangevoerd.