
Zwols Historisch Tijdschrift
Bekroond
artikel
2010
De geur
van de stad
28e jaargang 2011 nummer 2 – 8,50 euro
70 zwols historisch tijdschrift
Wim Huijsmans
Suikerhistorie
Restauratie Autobusstation, Oosterlaan
Station Zwolle, geopend op 8 juni 1864, is een van de belangrijkste spoorwegknooppunten van Nederland. Het station staat nu op zijn kop in verband met de aansluiting op de Hanzelijn, die eind 2012 in gebruik zal worden genomen.
Het busstation van Zwolle is een belangrijk knooppunt in zowel het stadsnet van Zwolle als in het streeknet. Voor de entree van het treinstation ligt het stadsbusstation, langs de Oosterlaan ligt het busstation voor de streeklijnen. Tot 1951 stopten alle bussen voor het station. In dat jaar werd het Stationsplein heringericht en verhuisden de streekbussen naar de Oosterlaan. Om het wachten van de buspassagiers te veraangenamen, werd in 1959 het ‘Restauratie Autobusstation’ aan het begin van de Oosterlaan gebouwd. Het pand bestond grotendeels uit glas. Zomers was het er bloedheet. Aan de perronzijde van het gebouw kwam een automatiek en boven de restauratieruimte konden de chauffeurs van de streekkbussen tussen de ritten even uitblazen.
De keuken van het busstation leverde ook aan niet-reizigers. Zo stond er in de Zwolse Courant van 19 december 1961 een advertentie om met het oog op de komende feestdagen toch vooral tijdig kroketten, bitterballen (4 voor 30 cent) en koude schotels te bestellen.
Rond 2000 werd het ‘glazen busrestaurant’ afgebroken. Ter plaatse verrees een ander bouwsel om passagiers van bus en trein meer te kunnen gerieven. Sinds 2009 wordt gesproken over verplaatsing van het busstation, om het spoorgebied verder te ontwikkelen en om de verkeersstromen het hoofd te bieden. Het nieuwe busstation komt aan de zuidzijde van het station.
(Collectie ZHT)
Hier stond van 1959 tot 2000 het ‘glazen busrestaurant’.
(Foto Jan van de Wetering)
zwols historisch tijdschrift 71
Inhoud
Suikerhistorie Wim Huijsmans70
Klaas Baving rijwielen Theo de Kogel72
De geur van de stad Roel Steenbergen85
Alleen het kleedhok bleef staan…
Wielerpiste bij Urbana verdween
in oorlog Willem van der Veen91
Honderd jaar Remonstrantse Broederschap
in Zwolle Ingrid Wormgoor94
Zwolle in 1961
Deel 1: De stad ligt onder een glazen stolp
Jan van de Wetering104
Recent verschenen107
Mededelingen109
Auteurs110
Redactioneel
In deze editie van het Zwols Historisch Tijdschrift weer een aantal interessante verhalen over de geschiedenis van deze mooie stad. Wat te denken van het winnende verhaal van de schrijfwedstrijd 2010? Roel Steenbergen neemt ons mee naar zijn jeugd, toen Zwolle nog een stad vol geuren was. Op meeslepende wijze geeft hij een sfeerschets van een geurig verleden, van de geur van zoete pijpkaneel en slaolie van Reinders’ Oliefabrieken tot de stank van tonnetjes voor de plee.
Behalve ‘De geur van de stad’ ook aandacht voor fietsen, nu de Tour de France weer in volle gang is! Theo Kogel vertelt over Klaas Baving, eind negentiende eeuw een van de grootste fietsimporteurs van Nederland. Baving introduceerde fietsmerken als ‘Express’ en ‘Succes’. Hij was een slim adverteerder en had diverse agentschappen in het hele land. In een verhaal van Willem van der Veen komt de wielerbaan bij uitspanning Urbana aan de orde. Deze werd in 1934 geopend en kampioenen als Jan Derksen reden er hun wedstrijden. De baan was echter geen lang leven beschoren. Alleen het kleedhok bleef staan…
Verder een artikel over de Remonstrantse Broederschap, van Ingrid Wormgoor, naar aanleiding van het honderdjarig bestaan in Zwolle. De geloofsstrijd tussen Gomarus en Arminius wordt belicht, als ook de totstandkoming en activiteiten van de remonstrantse kring in Zwolle. Deze kring had een verregaande samenwerking met de doopsgezinden, maar tot een fusie is het in Zwolle (nog) niet gekomen.
Ook in dit nummer: het bekende Suikerzakje, boekrecensies en het eerste deel van het vervolg op de serie ‘Zwolle in 1960’, nu een jaar later. Kortom, weer een overcomplete editie van uw Zwols Historisch Tijdschrift!
Omslag: De Thorbeckegracht omstreeks 1960, toen de stad nog geuren had… (Collectie HCO)
72 zwols historisch tijdschrift
Klaas Baving rijwielen
De ontwikkeling van de fiets begon in 1817 met de introductie van de loopfiets door de Duitser Karl Friedrich Drais von Sauerbronn. In de tweede helft van de negentiende eeuw ontwikkelde de fiets zich in een aantal stappen tot het vervoermiddel dat wij dagelijks gebruiken. Deze ontwikkeling begon in 1861 met de vinding van de Fransman Michaux, die een fiets ontwierp die via een roterend trapsysteem rechtstreeks op de vooras werd aangedreven. Een belangrijke volgende stap was de ‘hoge Bi’ uit 1870 van de Engelsen James Starley en William Hillman. Deze fiets had een groot voorwiel en een klein achterwiel. Hierdoor konden veel grotere snelheden worden gehaald. In 1885 ontwikkelde de Engelsman James Starley de veiligheidsfiets ‘Rover’. Deze fiets had voor en achter ongeveer even grote wielen en werd aangedreven door een ketting. Deze uitvoering leek al erg op het huidige ruitmodel dat eind negentiende eeuw werd ontwikkeld.1
Vanaf eind negentiende eeuw werd de fiets ook gebruikt als vervoermiddel voor de gewone burger. Daarvoor was het toch vooral een speeltje van de meer sportief ingestelde en welgestelde bovenlaag van de bevolking. Vele fabrikanten speelden in op de groeiende populariteit van de fiets. Bekende Nederlandse rijwielfabrikanten die eind negentiende of begin twintigste eeuw met de productie van hun fietsen begonnen waren Burgers uit Deventer, Fongers uit Groningen, Simplex uit Amsterdam en Gazelle uit Dieren.
Klaas Baving
In de vroege periode van het fietsgebruik werd echter een groot deel van de fietsen niet in Nederland gemaakt, maar geïmporteerd uit Amerika, Engeland en Duitsland. Een van de grootste fiets-importeurs in Nederland was Klaas Baving uit Zwolle.
Opvallend is dat Baving niet alleen zijn achternaam gebruikte maar ook zijn voornaam. Hiermee week hij af van de handelswijze van bekende rijwielfabrikanten zoals (Albert) Fongers uit Groningen en (Hendrikus) Burgers uit Deventer. Klaas Baving bouwde in vrij korte tijd zo’n degelijke reputatie op, dat zijn opvolgers H.G.A. Ackmann (van 1912 tot 1937) en J. Kappers (van 1937 tot 1971) de naam Baving als merknaam zijn blijven voeren.
Over het bedrijf en ook over Klaas Baving zelf is weinig informatie bewaard gebleven. Ook binnen de familie Baving is, voor zover bekend, geen (foto)materiaal van Klaas meer aanwezig. Naast een aantal bewaard gebleven fietsen geven vooral de vele, vaak fraai vormgegeven advertenties in tijdschriften zoals de Kampioen van de ANWB een mooi (tijds)beeld van het bedrijf. In dit artikel probeer ik een zo compleet mogelijk overzicht van de tot nu toe bekende historie van dit bedrijf te geven.
Van Drenthe naar Zwolle
Klaas Baving werd op 24 september 1864 in Vries (Drenthe) geboren.2 Hij was een liefhebber van de wielersport. Eind negentiende eeuw deed hij mee aan tal van wielerwedstrijden. Het boek Een halve eeuw wielersport van Hogenkamp geeft een uitgebreide documentatie van de wielerwedstrijden die in deze periode werden gereden.3 In dit boek wordt Klaas Baving een aantal keren genoemd en staan bovendien de enige bekende foto’s van hem. Klaas was lid van de Asser Wielrijdersclub ‘Hermes’, die opgericht was op 7 september 1892.
Omstreeks 1889 begon Baving met de handel in rijwielen. Blijkens advertenties in de Leeuwarder Courant eerst in Dedemsvaart en daarna in Groningen. In Groningen begon Baving in 1892 samen met een compagnon Reese een rijwielzaak aan de Hereweg. Hij importeerde ondermeer Rudge rijwielen. In 1895 ging hij alleen verder met de zaak in Groningen. In de advertenties wordt nu niet meer gesproken van Baving en Reese, maar van Klaas Baving rijwielen.
Op 26 mei 1896 verhuisde Baving op 32-jarige leeftijd met zijn vrouw Hillechien Meinders uit Haren (Groningen) naar Zwolle. Het echtpaar vestigde zich aan de Veerallee nr. 710. Klaas begon daar zijn groothandel/import bedrijf in rijwielen. Op 18 oktober 1898 werd hun enige zoon Hendrik geboren. Het huisnummer Veerallee 710 is later omgenummerd tot nr. 37. Er zijn geen foto’s bekend van het pand waarin Baving zijn zaak begon, de huidige bebouwing aan de Veerallee is van latere datum.
Fietsen, motoren en auto’s
Baving begon met de import van fietsen, maar al snel importeerde hij ook motoren en auto’s. Op
13 juli 1897 deponeerde hij bij het merkenbureau in Rijswijk de fietsmerken ‘Express’ en ‘Success’.
In de jaren daarna werden ook de merken ‘Perfection’ (17-09-1898), ‘Welcome’ (29-04-1903) en ‘Salland’ (10-01-1911) door hem gedeponeerd. In de omvangrijke catalogi die hij maakte werden alle modellen beschreven. Van deze catalogi is vrijwel niets bewaard gebleven. In de bibliotheek van het fietsmuseum Velorama in Nijmegen zijn de twee oude catalogi uit 1913 en 1914 te vinden. Van de fietsmerken was de Success de duurste uitvoering. De Welcome en Express waren goedkoper. De Welcome modellen waren gezien de vormgeving waarschijnlijk gebouwd in een Duitse fabriek.
Het meest bijzondere model, waar Baving ook veel mee adverteerde, was het kettingloze, via een cardanas aangedreven Succes-rijwiel. Dit was een technisch mooi gemaakte fiets met voor- en achtervering en deze werd gebouwd door de Amerikaanse firma Pierce Arrow, een bekend bedrijf dat ook auto’s maakte.
Balhoofdplaatjes
Op het balhoofd werd een rijk versierd koperen balhoofdplaatje (merkplaatje) met de naam van het merk en daaromheen de tekst: ‘Especially made for Klaas Baving Zwolle’ geklonken. De opvolger van Klaas Baving, H.G.A. Ackmann veranderde dit vanaf 1912 in: ‘Especially made for H.G.A. Ackmann Zwolle.’
De balhoofdplaatjes van de merken Express en Welcome, met daaronder ‘Especially made for H.G.A. Ackmann Zwolle’ zijn nog vaak te vinden op oldtimerbeurzen of in antiekzaken. De heer J. Donze, beheerder van het buurtmuseum in de Kamperpoort, vertelde me het verhaal achter deze plaatjes. Het pand aan de Harm Smeengekade, waar Ackmann’s bedrijf het laatst was gevestigd, is samen met de daarnaast gelegen tramremise begin jaren zeventig in opdracht van de gemeente Zwolle door het sloopbedrijf Van der Vegt leeggehaald. Donze werkte toen bij Van der Vegt. Veel spullen gingen naar de oud-ijzerboer. Daarbij bevond zich ook een kistje met deze plaatjes. Donze vertelde dat hij er een paar uitgehaald had. Deze liggen nu in het buurtmuseum. Blijkbaar heeft iemand, de oud-ijzerboer zelf of iemand anders, deze kist achtergehouden en later verkocht. Kenmerkend voor deze plaatjes is dat de gaatjes voor de bevestiging van de klinknageltjes aan de boven- en onderkant van het plaatje zitten. Vermoedelijk gaat het hier om een verkeerd geleverde partij. De gaatjes horen namelijk links en rechts te zitten, anders is het plaatje niet goed strak op de ronde balhoofdbuis te bevestigen. Waarschijnlijk is deze verkeerd geleverde partij ergens op de zolder van de zaak aan de Harm Smeengekade blijven staan tot aan de ontruiming.
Motorboten
Naast fietsen, motorfietsen en auto’s importeerde Klaas Baving ook motorboten. De motorfietsen verkocht hij net als de fietsen onder het merk ‘Success’. De motor was waarschijnlijk grotendeels van Duitse makelij.
In het Leids Dagblad van 1 september 1906 wordt vermeld dat prins Hendrik koningin Wilhemina op haar 26e verjaardag een Success motorboot voor tien personen heeft gegeven, geleverd door de heer K. Baving uit Zwolle.
Advertentiecampagne
In de periode dat Baving in Groningen zat was hij al begonnen met adverteren in de lokale kranten. Na zijn verhuizing naar Zwolle begon hij in 1899 een intensieve reclamecampagne via advertenties in onder andere de ANWB Kampioen voor Success en Perfection rijwielen. In de jaren daarna verschenen vele tientallen, vaak fraai vormgegeven advertenties. In deze advertenties speelde Baving vaak handig in op actuele situaties die op dat moment in de publiciteit waren. Ook probeerde hij door middel van deze advertenties nieuwe agentschappen in het land van de grond te krijgen. Hij was hiermee een van de grootste adverteerders in de Kampioen. Het is duidelijk dat Baving een ambitieus zakenman was die zijn zaak goed en groots aanpakte.
Van in ieder geval één advertentie is zeker dat hij dezelfde afbeelding gebruikte waarmee de Amerikaanse rijwielfabrikant, waarvan hij de fietsen aankocht, in de Verenigde Staten adverteerde. Dit betreft een advertentie van Pierce Cycles uit 1901. Gezien de vormgeving van veel advertenties is het waarschijnlijk dat hij vaker gebruik maakte van buitenlandse voorbeelden.
Agentschappen
In de eerste advertentie die Baving in de ANWB Kampioen van 1899 plaatste, maakte hij bekend dat hij agentschappen ging vestigen in het gehele land. Door intensief te adverteren beloofde hij zijn potentiële agenten een grote omzet:
‘Steeds numero een zult gij zijn in uw stad, dorp of gehucht waar gij ook woont in Nederland, als gij eigenaar zijt van het ‘Perfection’ en ‘Succes extra’ rijwielen agentschap voor 1900. Al is uw zaak onder de concurrenten de kleinste, al is uw zaak de grootste, men zal er bij U naar vragen, omdat het superieure rijwielen zijn, omdat het rijwielen zijn met werkelijke waarde en er op een degelijke wijze uitgebreide publiciteit aan gegeven zal worden. Het is zeker van belang, het heeft zeker waarde en het mag ontegenzeggelijk een voordeel boven vele andere agentschappen genoemd worden, dat er voor de ‘Perfection’ en ‘Succes extra’ rijwielen voor 1900 in ruim 140 veel gelezen bladen onafgebroken geadverteerd wordt en ik de risico voor mijn rekening neem, om de niet verkochte machines op het einde van het seizoen terug te nemen. Er zijn nog andere voordelen aan dit agentschap verbonden, die gewaardeerd zullen worden, Verzekert U er van.
Klaas Baving Importeur, Zwolle.’
Om het vestigen van een agentschap zo makkelijk mogelijk te maken bood Baving geïnteresseerden de mogelijkheid om op zijn kosten in Zwolle te komen praten over de voordelen van een agentschap. In een advertentie uit 1908 stelt hij:
‘Men ziet ze overal, de Success en Welcome rijwielen. Hoe vele malen hebt ge ’t niet gelezen. Hoe gemakkelijk kunt ge U er van overtuigen. Dat ze overal loopen en steeds meer worden gezien, mogen wij als van veel zeggende beteekenis beschouwen. Men verkoopt ze gaarne, en ze laten zich zoo gemakkelijk verkoopen, omdat een eenmaal verkocht wiel nimmer terugkomt voor reparatie. Dit spaart U tijd en geld, maakt uw zaak, uw naam en reputatie grooter en winstgevender. Stel u zoo mogelijk dadelijk met mij in verbinding, indien ge belang stelt in “een agentschap voor altijd” en wanneer de Baving-Elswick, Success en Welcome rijwielen niet in uwe omgeving vertegenwoordigd zijn. Kom voor mijn kosten er over praten, of doe ’t per brief. Ik verlang niet, dat U dadelijk koopt of U verplicht. Kennismaking is voldoende, en waar gij ook woont in Nederland, de spoorkosten voor heen en terug vergoed ik U in elk geval bij uw bezoek. De nuttige, bezienswaardige Catalogus en Prijscouranten ontvangt U op aanvrage gratis en franco. Op welwillende medewerking kunt gij ten allen tijde rekenen.’
De aanpak van Baving had effect. Het bedrijf groeide snel, overal in het land kwamen agentschappen van de grond en werden zijn fietsen verkocht. In enkele advertenties heeft Baving het over het aantal agentschappen dat hij in het land heeft. In een advertentie van 16 maart 1900: ‘Thans in circa 170 plaatsen.’ In een advertentie van 25 januari 1901: ‘Grootste aantal depot-agentschappen in de provinciën.’ In 1903: ‘Meer dan 300 Success-Agenten weten hoe gemakkelijk het is succes met de SUCCESS te behalen.’
De groei van het bedrijf blijkt ook uit de aandacht die het bedrijf kreeg in De toestand van de gemeente Zwolle. Hierin werd jaarlijks een overzicht van belangrijke ontwikkelingen in de gemeente gegeven. In 1908 lezen we: ‘Onder de firma’s die een grooten handel in rijwielen drijven, niet uitsluitend hier ter plaatse, maar in geheel ons land, mag zeker die van Klaas Baving wel in de eerste plaats worden genoemd.’ 4
Actuele gebeurtenissen
Uit de advertenties blijkt dat Baving vaak handig inspeelde op gebeurtenissen waarmee hij reclame kon maken voor zijn producten. De eerste keer dat we zo’n actuele gebeurtenis tegenkomen is in zijn Groningse tijd, vlak nadat hij gestopt was met de samenwerking met Reese. Baving verkocht toen rijwielen van het merk Brilliant. In de Leeuwarder Courant stond op 29 januari 1895 een advertentie met de opvallende kop ‘Oorlog in het oosten’. In de advertentie stond een ‘telegram’ uit Peking aan Klaas Baving afgedrukt waarin generaal Ylang-Ylang het heeft over de opmars van de Japanners en dat hij Brillants nodig heeft… Baving speelde hierbij in op de eerste Japans-Chinese oorlog die duurde van 1894 tot 1895.
Major Taylor
Een opmerkelijke advertentie stond ook in de Kampioen van 24 mei 1901. Baving refereerde toen aan het kampioenschap van Major Taylor, een zwarte Amerikaanse wielrenner die in dat jaar een Europese tournee maakte. Deze Marshall Walter ‘Major’ Taylor werd op 10 augustus 1899 wereldkampioen op de sprint (1,6 km). Hij werd ook wel ‘de vliegende neger’ genoemd. Over Taylor zijn diverse boeken verschenen en er is in Amerika zelfs een Major Taylor genootschap:
‘De ‘SUCCESS’ is het fabrikaat, dat bereden wordt door de snelste rijders der wereld. MAJOR TAYLOR de neger versloeg te Berlijn den 11 april ARENDT (de Kampioen van Duitschland) en den 27 mei te Parijs, revanche-match JACQUELIN (de Kampioen van Frankrijk) met ongekende gemakkelijkheid. Men moet de “SUCCESS” zien en uit elkaar nemen, voordat men een wiel koopt. De catalogus, die alle bijzonderheden bevat, wordt op aanvrage, met eenige dozijnen tevredenheidsbetuigingen en een pracht-affiche, zoolang die voorradig zijn, gratis verstrekt.’
Het jubileum van mr. H. Smeenge
Een andere gebeurtenis waarmee Baving reclame maakte was het 25-jarig jubileum van mr. H. Smeenge als Kamerlid van het kiesdistrict Meppel op 10 april 1911. Mr. Smeenge (1852-1935) was ondermeer lid van de Tweede (1886-1918) en Eerste Kamer (1920-1935). Ter gelegenheid van zijn jubileum werd er een rondrit door de provincie gemaakt. Hierbij werd gebruik gemaakt van twee Perfecta auto’s van Klaas Baving.
Baving liet dit niet zomaar passeren en plaatste twee keer een advertentie in de Kampioen. Hierin citeerde hij krantenberichten waarin vermeld werd dat de auto’s van Klaas Baving het prima hadden gedaan, terwijl twee andere auto’s defect raakten tijdens de jubileumrit.
Sport
Een van de andere gebeurtenissen die we in de advertenties van Baving tegenkomen is de voetbalwedstrijd Holland – Duitsland die in 1912 in Zwolle werd gespeeld:
‘De Holland – Duitschland match trekt de aandacht van duizenden en met spanning vraagt men zich af… wie zal het winnen? In den qualiteitsmatch der rijwielen is het pleit beslecht. De ervaring van jaren leert, dat de Success-, Welcome- en Express rijwielen niet te overtreffen zijn.’
Baving speelde ook in op sportieve gevoelens. Een paginagrote advertentie in de Kampioen van 1908 luidde: ‘Sport in de open lucht staalt de zenuwen en spieren. Let er maar eens op hoe druk en met hoeveel succes tegenwoordig de voetbal, korfbal, hockey, cricket, lawntennis, wielerpolo spelen worden beoefend. Overal sport. Maar de wielersport neemt toch verreweg de eerste plaats in, want niet licht zal ‘de club’ te voet worden bezocht. Dat neemt te veel tijd. Bij wielerpolo is zelfs de fiets onmisbaar. De fiets blijft dus vooraan! Een deugdelijk rijwiel bewijst onschatbare diensten onder allerlei omstandigheden, en daarom is het goed, dat het tegenwoordig door den prijs vrijwel onder ieders bereik is. Men vrage b.v. de nieuwe modellen Perfection van ƒ 68,50, Express van ƒ 77,50 (…).’
In een advertentie in de Kampioen van 1912 had Baving het over gemeenschapsgevoel: ‘Gemeenschapsgevoel moeten wij hebben, ook op sportgebied. Als daar iemand moedeloos neerzit aan den weg, omdat zijn rijwiel defect is geraakt, en gij passeert op uw Success of Welcome die nooit teleurstelt, stap dan af en vraag, of gij helpen kunt. Maar als gij ’t gedaan hebt, verzuim dan niet te wijzen op de enorme voordeelen van het Success en Welcome fabrikaat, want het geldt hier een levenskwestie.’
‘Het Franse juk’
In de inleiding op de eerste pagina’s van de catalogus uit 1913 werd gerefereerd aan het feit dat het honderd jaar geleden was dat het Franse juk was afgeschud. In dit mooie stuk proza (zie kader) werd ook ingegaan op de groeiende betekenis van de fiets als volksvervoermiddel. Aan het einde van deze inleiding introduceerde men het nieuwe model Express. Blijkbaar werd dit ingevoerd omdat het ‘Welcome’ model niet zo goed werd verkocht. Dit Welcome model had een typisch Duitse vormgeving en week daarin af van wat Nederlandse fabrieken zoals Fongers en Burgers maakten. Die kozen voor het Engelse model damesfiets, dat nu nog steeds in Nederland als ‘omafiets’ veel wordt verkocht.
Verhuizing naar de Vechtstraat
In 1908 verhuisde Baving van de Veerallee naar de Vechtstraat 6. In een advertentie in de Kampioen maakt hij melding van deze verhuizing:
‘Uitbreiding van zaken was noodig. Van de Veer-allee, waar het te klein was, verplaatst naar de Thomas a Kempisstraat, hoek Vechtstraat, waar duizenden Rijwielen en Onderdelen geborgen kunnen worden. Is het niet aangenaam dit te kunnen melden, en verdient het niet de aandacht van het publiek? In deze ernstige tijden, waar verschillende firma’s zooveel moeite hebben zich staande te houden, en dan genoodzaakt te zijn de zaken uit te breiden. Dit mag men toch wel als een punt van belang beschouwen.’
In het nieuw betrokken pand zat tot voor kort Van Dijk slaapcomfort. Er zijn geen foto’s bekend van dit pand uit de tijd dat Baving hier was gevestigd.
Overname door Ackmann
In 1912 verkocht Baving zijn zaak aan H.G.A. Ackmann. Op 9 februari 1912 plaatste hij een kennisgeving in de Kampioen waarin hij de overname bekend maakte. Baving bleef na de verkoop van zijn zaak nog een jaar in Zwolle wonen aan het Bleekerswegje 1. In die periode stond hij nog geregistreerd als automobielhandelaar, samen met Swaagman. Op 7 juni 1915 keerde hij met zijn gezin terug naar Haren. Hij blijft nog weleen aantal jaren actief in de autohandel. In oktober 1915 begint de firma Klaas Baving in Amersfoort een automobiel garage.5
H.G.A. Ackmann werd in 1873 geboren in Duitsland en woonde in Schermerhorn. Op 11 december 1911 verhuisde hij van Schermerhorn samen met de weduwe Annetje Christina de Groot naar Prins Hendrikstraat 22a in Zwolle. Hij was niet getrouwd met deze weduwe. Volgens het bevolkingsregister van Zwolle trouwde Ackmann in 1919 met Alma Karline Eline Tilmann uit Osnabruck. Ze kregen twee dochters, Ilse Frieda en Hertha Wilhelmina.
Het hoe en waarom van de overname door Ackmann is niet bekend. Recent dook een document op dat nog meer vraagtekens bij deze overname zet. In de archieven van de gemeente Schermerhorn bevindt zich een fragment van het boekje Wat anderen zeggen van Klaas Baving uit 1906.6 Dit soort boekjes met tevredenheidbetuigingen waren in die tijd een gebruikelijke reclamevorm. Baving maakte in enkele advertenties bekend dat dit boekje gratis was aan te vragen. Een van de ingezonden brieven uit dit boekje is van de heer H.G.A. Ackmann, handelaar in vermoedelijk tapijten of stoffen in Schermerhorn! Hij schrijft in zijn brief dat hij zeer tevreden is over de door Klaas Baving geleverde Success-Buckboard auto.
Het lijkt op basis hiervan dat er twee mogelijkheden zijn: Ackmann was al een vriend of zakenpartner van Baving en heeft, zogenaamd als willekeurige klant, een brief geschreven die Baving gebruikte als reclame. Of Ackmann kende Baving niet en is door aankoop van de auto geïnteresseerd geraakt.
Ackmann zette als groothandel/importeur de zaak onder de naam ‘Klaas Baving rijwielen’ op dezelfde voet voort. Hij begon meteen vanaf de overname in 1912 een eigen merk te voeren: Baving rijwielen anno 1912. Dit is een fietsmerk dat van ingekochte onderdelen werd geassembleerd. Hij verhuisde de zaak ergens tussen 1915 en 1919 van de Vechtstraat naar Praubstraat 25.
Overname door Kappers
In 1937 stapte Ackmann uit de zaak en vertrok naar Duitsland. Het bedrijf werd verkocht aan drie zakenlui: A.J. Botermans, H. van Binsbergen en J.W. Bosscha. Dit driemanschap wijzigde de naam van het bedrijf in ‘NV Ackmann’s rijwielindustrie voorheen Klaas Baving’. In de oprichtingsakte, die gepubliceerd is in de Staatscourant, wordt als eerste directeur J.W. Bosscha genoemd.7 Deze Bosscha staat in het Adresboek van Zwolle van 1937 vermeld als ‘directeur rijwielhandel’. Deze drie vennoten hadden alleen een winstoogmerk en verkochten de zaak binnen een jaar weer door aan J. Kappers. Kappers was voor de overname al werknemer van Ackmann geweest.8 Bosscha begon daarna een zaak in radio’s in de Diezerstraat 61. Kappers bleef als groothandel fietsen onder het merk ‘Baving’ assembleren. Ook gebruikte hij in ieder geval nog de merken Success en Express. De zaak verhuisde in 1938 naar de Harm Smeengekade 8. Behalve in rijwielen handelde de firma ook in ondermeer buitenboordmotoren, wasmachines, wringers en radio’s. In 1942 werd het bedrijf omgevormd van een NV in een CV. In de periode na de oorlog verloor het bedrijf langzamerhand zijn landelijke betekenis. Wat restte was een regionale grossier die ook nog fietsen onder eigen merk voerde.
Het einde en daarna
Volgens het archief van de Kamer van Koophandel werd de naam van de zaak in 1967 gewijzigd in V.O.F. Ackmann’s groothandel. De naam Klaas Baving verdween hiermee. Het bedrijf bestond nog enkele jaren onder deze naam en werd op
1 april 1971 opgeheven door de toenmalige eigenaren R. Kappers en H.W. Kappers. In die tijd ging het in heel Nederland slecht met de rijwielbranche. Veel fabrieken moesten sluiten of fuseren. Zo kwam er een einde aan een eens zo florerend bedrijf.
In Zwolle is de naam Klaas Baving nog wel een tijd blijven voortleven, omdat een neef naar zijn oom vernoemd was. Deze Klaas Baving jr. was in Zwolle een bekend muzikant. Hij bracht als Trio Klaas Baving met zanger Jan van Dam in 1980 ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van Zwolle een singeltje uit met het nummer ‘Onder de Peperbusse’. Deze ‘jongere’ Klaas Baving is in 2007 overleden. Hiermee verdween ook de naam Klaas Baving uit Zwolle. Omdat Klaas Baving zoveel aandacht besteedde aan reclame blijft zijn naam echter ook in deze tijd weer opduiken; in 2009 vonden twee Nederlandse toeristen op vakantie in China in een klein kledingwinkeltje een T-shirt met opdruk van een advertentie van Klaas Baving rijwielen! Deze advertentie komt uit het boek van Hogenkamp uit 1916. De Chinezen hebben deze ongetwijfeld van internet geplukt. Ja, Klaas zou tevreden zijn geweest als hij dit had geweten!
* Dit artikel is ook verschenen in Het Rijwiel, 2011/1
Noten
1. Theo de Kogel, ‘Rijwielindustrie en rijwielhandel’, in: Een kleine staalkaart van het Zwols industrieel erfgoed, Zwolse Historische Reeks nr. 2, september 2001
2. Bevolkingsregister Zwolle, HCO
3. Hogenkamp, G.J.M., Een halve eeuw wielersport, Amsterdam 1916
4. De toestand van de gemeente Zwolle, 1908. HCO
5. Archief Nieuwe Amersfoortse Courant
6. Archief Oudheidkundige Vereniging Schermerhorn, nr. AE127
7. Archief Kamer van Koophandel Zwolle: dossiernrs. 1127, 22146, 6188, 8435; HCO
8. Informatie R. Kappers, Zwolle
Theo de Kogel
Rechts: Advertentie van Baving in de ANWB Kampioen van 1903.
Baving Rijwielen en Auto’s, poster omstreeks 1920. (Collectie fietsmuseum Velorama)
zwols historisch tijdschrift 73
De Asser Wielrijdersclub ‘Hermes’, met uiterst rechts waarschijnlijk Klaas Baving. (Uit: ‘Een halve eeuw wielersport’ van G.J.M. Hogenkamp)
Links: Klaas Baving (links) en Piet de Waardt, gefotografeerd in 1893. (Uit ‘Een halve eeuw wielersport’ van G.J.M. Hogenkamp)
Advertentie van Baving in de ‘Leeuwarder Courant’ van 25 september 1889.
74 zwols historisch tijdschrift
Rechts: Paginagrote advertentie voor Success rijwielen met verend frame in uitvoering met en zonder ketting. (ANWB Kampioen mei 1901)
Als fietsimporteur ging Baving op zoek naar buitenlandse leveranciers waar hij zaken mee kon doen. Het veilinghuis in de Voorstraat te Zwolle bezit een briefkaart die Klaas Baving op 12 oktober 1898 schreef aan The Vaupel Samaritan Company in het Amerikaanse Cleveland. Hij vroeg om informatie over te leveren fietsen. (Collectie Veilinghuis De Voorstraat)
zwols historisch tijdschrift 75
Van links naar rechts de balhoofdplaatjes van ‘Perfection’ met opschrift ‘Especially made for Klaas Baving Zwolle’, en ‘Welcome’ en ‘Express’ met opschrift ‘Especially made for H.G.A. Ackmann Zwolle’. (Collectie auteur)
Success motorfiets met kenteken H-307. Dit kenteken werd in 1906 afgegeven aan de heer Ooms uit Ammerstol. (Uit: D.F. Toersen et al. ‘De motorfiets in Nederland 1895-1940’. Veteraan motorenclub, Rijswijk 1991)
76 zwols historisch tijdschrift
Een van de bewaard gebleven Success cardanfietsen met geveerde voor- en achtervork, gebouwd door de Amerikaanse firma Pierce-Arrow uit Buffalo. Zie: ‘Een Success cardanfiets, historie en restauratie’ in De Oude Fiets 2007/4. (Foto en fiets auteur)
Baving importeerde ook auto’s en verkocht die onder de merken Success en Perfecta. De eerste auto die we in reclames tegenkomen is deze op een ‘Bommel autootje’ gelijkende Success-Buckboard auto. (ANWB Kampioen 1905)
zwols historisch tijdschrift 77
Baving had agenten door het hele land, zoals blijkt uit deze gerestaureerde muurreclame voor Baving rijwielen in de Oostergrachtswal in Leeuwarden. (Foto Jeanine Otten)
78 zwols historisch tijdschrift
Foto genomen op 10 april 1911 voor Hotel Luinge in Hoogeveen, ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van mr. Smeenge als lid van het kiesdistrict Meppel. De ‘Perfecta’-limousine op de foto met het provinciaal nummer E-41 stond op naam van Klaas Baving en is gebouwd door Ramesohl & Schmidt AG te Oelde in Westfalen. Zie: Hans Waldeck, ‘Een Perfecta van de rijwiel-, motorfiets- en autohandelaar Klaas Baving uit Zwolle’, in CONAM-Bulletin, het periodiek van de Contactgroep Automobiel- en Motorrijwielhistorie jrg. 14 nr. 3 december 2004. (Fotoarchief Stichting Oud-Meppel)
Rechts: Advertentie van Baving in de ANWB Kampioen van 12 mei 1911 naar aanleiding van de jubileumrit van mr. H. Smeenge.
zwols historisch tijdschrift 79
Modellen Welcome en Express uit de Baving catalogus van 1913. (Collectie fietsmuseum Velorama)
Voorkant van de Baving catalogus uit 1913. (Collectie fietsmuseum Velorama)
80 zwols historisch tijdschrift
Het Jubileumjaar
‘Het jaar 1913 is voor ons land een jaar van betekenis. Een eeuw is het geleden, dat onze voorvaderen het fransche juk afschudden en zich een eigen vrij en zelfstandig volksbestaan verwierven. Ons volk zal zich dit jaar niet onbetuigd laten en aan het Buitenland toonen, dat het trotsch is op zijn bestaan als zelfstandige natie. Aan overzichten van wat wij waren en werden zal het eveneens zeker niet ontbreken. De geweldige ontwikkeling der techniek, die aan de geheele wereld een ander aanzien gaf, schiep ook hier nieuwe toestanden. Door zijn eigenaardige ligging mede daartoe aangewezen nam en neemt ons kleine land in het wereldgebeuren een belangrijke plaats in en volgt men daarbuiten met belangstelling den loop der dingen hier. Op het gebied van Kunst en Wetenschap handhaafden wij onzen historischen roem, terwijl Handel en Industrie voortdurend in bloei toenamen.
Het ligt voor de hand, dat op onze verschillende soorten van voortbrengselen en verbruiksartikelen dit jaar in het bijzonder de aandacht valt. Het spreekt ook bijna vanzelf, dat het rijwiel daaronder in de eerste plaats in aanmerking komt, want er is welhaast geen uitvinding zoo ingrijpend geweest, zoo onder ieders bereik gekomen en zoo populair als het rijwiel. Het beste bewijs hoe snel het rijwiel zich burgerrecht verschaft heeft is wel, dat het ons een onmogelijke wereld zou toeschijnen, waarin men het rijwiel zou moeten missen, terwijl onze ouders in hun jeugd het nauwelijks gekend hebben. Vooral in ons vlakke land, dat zoo bij uitstek voor het gebruik van dit vervoermiddel geschikt is, neemt de fiets in het volksleven een belangrijke plaats in. Dat er vele soorten rijwielen zijn, behoeft geen betoog. Onder honderden verschillende merken worden zij het publiek aangeboden. Velen er van zijn als vallende sterren. Zij trekken in het voorbijgaan even de aandacht, in den regel slechts van enkelen, om dan weer voor goed te verdwijnen. Ook voor rijwielen geldt het oude spreekwoord: ‘Het beste is altijd het beste geld waard’.
Gedurende een belangrijk deel van deze, voor ons volk zoo betekenisvolle honderd jaren, kent men de ‘SUCCESS’ en ‘WELCOME’ rijwielen. Geen plek is er bijna in ons land waar men deze rijwielen niet kent. ‘DEGELIJKHEID’, de bekende oud-Hollandse eigenschap, is ook de eerste eigenschap van deze rijwielen. Op dien basis hebben zij zich, naar de eischen des tijds, geleidelijk ontwikkeld, wat model en afwerking betreft. Zoowel in de vroegere als in de tegenwoordige modellen hebben deze rijwielen oude vrienden, want er zijn wielrijders die hun ‘SUCCESS’ en ‘WELCOME’ wel tien jaren en langer berijden. Zij onderscheiden zich van alle andere merken die ter markt gebracht worden. Hun speciale naven, de brackets, de fittings, het is alles bijzonder werk; volmaakt, voor zoover hedendaagsche techniek zulks vermag. Naast de beide genoemde merken brengen wij onze ‘EXPRESS’ rijwielen in den handel, die ook reeds jaren lang van honderden sportliefhebbers de goede bekenden zijn. Deze rijwielen gelijken, wat afwerking enz. betreft meer op de andere modellen, die hier ter markt gebracht worden. Zij munten echter uit wat betreft prima materiaal en zijn door bekwame vaklieden gemaakt. De serie Success-, Welcome-, en Express rijwielen bevat het allerbeste van wat op rijwielgebied kan worden gepresteerd.’
(Inleiding uit de Baving catalogus van 1913, collectie fietsmuseum Velorama)
zwols historisch tijdschrift 81
Links: Advertentie met kennisgeving van de overname van het bedrijf door H.G.A. Ackmann. (ANWB Kampioen 9 februari 1912)
Balhoofdplaatje van het in 1912 door Ackmann gedeponeerde merk ‘Baving’. (Collectie auteur)
Advertentie voor Klaas Baving Rijwielen in ‘De Nederlandse Rijwielhandel’ van mei 1931, met een afbeelding van de vestiging in de Praubstraat.
Links: De Success-Buckboard auto waarover H.G.A. Ackmann in 1906 een tevredenheidsbetuiging schreef in het boekje ‘Wat anderen zeggen’. (Archief Gemeente Schermerhorn)
82 zwols historisch tijdschrift
Het pand van Ackmann’s rijwielindustrie aan de Harm Smeengekade eind jaren dertig. Momenteel zit hier makelaardij Goudzwaard. Op de foto staan van rechts naar links de heer J. Kappers en zijn werknemers Weurts, Havers, Van Wijhe en Romunde. (Particuliere collectie)
zwols historisch tijdschrift 83
T-shirt met advertentie voor Klaas Baving rijwielen in 2009 door Alfred en Ilona van de Belt tijdens een vakantie gekocht in Guangzhou (Canton). Deze advertentie komt uit het boek ‘Een halve eeuw wielersport’ van Hogenkamp uit 1916. De Chinezen hebben deze advertentie blijkbaar nagetekend, want in de tekst staan een aantal spelfouten: ‘Wekcome’ in plaats van ‘Welcome’ en ‘Energire’ in plaats van ‘Energie’. (Particuliere collectie)
84 zwols historisch tijdschrift
De originele advertentie uit ‘Een halve eeuw wielersport’ van Hogenkamp uit 1916, die negentig jaar later opdook op een Chinees T-shirt.
Winnaar
Schrijfwedstrijd
2010
zwols historisch tijdschrift 85
De geur van de stad
Kaneel of liever nog pijpkaneel. Maak me ’s nachts wakker, houd een kaneelstokje voor m’n neus en ik zal roepen: de Thorbeckegracht!
Elke zondag liep ik – op weg naar de kerk op de Thorbeckegracht – met mijn moeder en vier broers over de Menno van Coehoornsingel. We staken het links liggende parkje schuin door, langs het stinkende urinoir. Dan hoefde ik nog maar één hoek om te slaan. Daar, op de Spinhuisbredehoek, gebeurde het. De neusvleugels spanden zich, ik haalde diep adem door mijn neus en bij het tweede huis – soms pas bij het derde huis – drong de geur van pijpkaneel naar binnen en was het alsof ik werd bedwelmd. Ik zag de grote bruine dekzeilen op de kade van de Thorbeckegracht, die de bedwelmende geur van de daaronder verborgen kaneelstokjes niet konden tegenhouden.
Geurpalet
Zwolle in de jaren vijftig van de vorige eeuw. De stad was nog niet half zo groot als nu. De industriële bedrijvigheid was gewoon een onderdeel van de stad zelf. Kleine en grote industriële bedrijven waren aan de rand van of zelfs in de door grachten omgeven binnenstad te vinden.
De stad was één groot geurpalet, straten en gebouwen hadden hun eigen karakteristieke geur. Het gemeentelijke Sophia Ziekenhuis: als je de portier was gepasseerd en door de klapdeur de kleine hal binnenkwam, rook je de lysol die moest verhullen dat uitgerekend het ziekenhuis de grootste broedplaats van bacteriën was. In het rooms-katholieke ziekenhuis De Weezenlanden was het vast niet anders. Maar daar kwam ik niet. Kom daar nu eens om, het ziekenhuis van nu ruikt spic en span, zoals thuis het schoongemaakte toilet.
Olie en zeep
Ik woonde in de Warmoesstraat. Als vroeger de wind verkeerd stond, rook je daar de slaolie van de Reinders’ Oliefabrieken, zo’n vijfhonderd meter van ons huis verwijderd. En op weg naar het openluchtzwembad lag links van de oliefabriek de gelijknamige zeepfabriek, officieel de Zwolsche Stoomzeep en Chemicaliënfabriek. De scherpe geur van groene zeep kreeg vat op je kleren als je er te lang bleef staan om een glimp op te vangen van wat zich binnen afspeelde.
Zeep viel op meer plaatsen te ruiken. Bij gebrek aan een douche werd ik eenmaal per week in een teil gewassen. Maar toen ik daarvoor te groot was geworden, maakte ik de wekelijkse tocht naar het Stilobad op de Turfmarkt. In het zwembad was een afzonderlijke ruimte, waar je tegen betaling kon douchen. Als je de ruimte binnenkwam waar je op een vrije douchecel moest wachten, was ook daar die geur van zeep, een eindeloze hoeveelheid zeep, opgelost in een wolk van stoom.
Stoom
Over stoom gesproken, wat was er mooier dan op woensdagmiddag een perronkaartje van vijf cent te kopen om uren te kijken naar de stoomtreinen, de krakende wagons, de stoomfluit te horen en de geur van olie en steenkool tot je door te laten dringen. We renden van het ene perron naar het andere. Maar het mooist was de Hoge Spoorbrug. Als uit het noorden een stoomtrein kwam aanrijden, als op een perron een trein zich met veel gepuf in beweging zette, dan keken we snel over welke rails hij reed en renden we naar de plek waar de trein onder de brug door zou komen. Grote stoomwolken kwamen over de brug, je verdween er helemaal in, je voelde waterdruppels, maar vooral: je rook die machtige locomotief.
Hoe anders rook het op de vrijdagse veemarkt. De koeien en kalveren, het stro, de stront en urine, het was daar een kakofonie van geuren. Dampende dieren, zwetende opgewonden mannen, het bier bij het café, ik snoof het allemaal op, het werd opgeslagen in m’n hersens en dat geurgeheugen is niet meer te wissen. Als ik nu door de IJsselhallen loop, is het alsof er een deurtje wordt opengezet. Dan ruik ik opnieuw die geur die toch al zoveel jaren verdwenen is. Als we weer naar huis trokken, hing er op de Veerallee weer een heel andere geur. Het was de zoetige baklucht van Helder’s Biscuitfabriek aan de Hoogstraat, waar droge zoete koekjes werden gebakken.
Wierook
In het voorjaar – ik was een jaar of dertien, veertien – zongen we met een aantal schoolvriendjes in het jongenskoor van de Matthäus Passion. We oefenden elke week in het gebouw de Dageraad op de Molenweg. Clemens Holthaus had er de wind onder, maar het was prachtig. Nog veel mooier was echter – op weg naar huis – ons bezoek aan de Dominicanenkerk in de Assendorperstraat. Als protestants jongentje was ik gefascineerd door de geheimzinnige kerkruimte, waar een zoete geur van wierook hing. We meenden in het koor de priesters te zien zitten en eigenlijk waren we bang. Snel schepten we wat wijwater in onze hand en renden de kerk uit. Wisten wij dat je ook een kruisje moest slaan! Die wierookgeur was er ook op het roomse kerkhof aan de Middelweg, honderd meter van mijn huis. Ik mocht vaak de doodgraver helpen met het onderhoud van het kerkhof en het verblijf tussen al die dode lichamen was mij vertrouwd. Mooi werd het pas tijdens een begrafenis. We keken toe hoe de begrafenisstoet vanaf het grote hek naar het geopende graf liep. Voorop liep iemand met de wierookhouder, met direct daarachter de drager van het kruis. Was de stoet bij het graf aangekomen, dan stelden we ons op gepaste afstand op. Maar die afstand was niet zo groot of de wierookwolken waren voor ons zichtbaar en ruikbaar als de priester het wierookvat heen en weer slingerde. Hoe duurder de begrafenis, hoe meer er werd gebeden en met wierook geslingerd. Geur was – zo ontdekte ik – te koop.
Ook de natuur drong diep mijn neusgaten binnen. Of het nu de mooie witte seringenboom was bij ons achter het huis of het rozenbed bij mijn grootouders, het gemaaide gras in de weilanden van Langenholte, de rododendrons op de Badhuiswal, de natuur was gul met haar geuren. En als het weer eens flink geregend en gedonderd had, dan rook de straat schoon. Schoonheid – zo ontdekte ik ook – kon je ruiken.
Schroeilucht
In onze zwerftochten door de stad was er nog een ander hoogtepunt als we op de Nieuwe Haven – nu Luttekestraat – waren aangekomen. Daar was de hoefsmederij van Poppe. Met een blaasbalg werd het vuur opgestookt en het hoefbeslag werd verhit en in de goede vorm geslagen. Het paard stond onrustig tussen de balken, schraapte met zijn hoeven over de grond, in afwachting van wat er stond te gebeuren. Dan kwam Poppe naar buiten, een tang in zijn hand en daarin geklemd een vurig rode hoef. Het paardenbeen werd opgetild; de smid stond met zijn rug tegen het achterwerk van het paard, een paardenbeen tussen zijn benen. En dan gebeurde waarvoor we waren gekomen: het gloeiende hoefbeslag werd op de witte rand van de zool van de paardenhoef gedrukt en een scherpe schroeilucht steeg op en vulde de straat. Als je geluk had, herhaalde het ritueel zich nog drie keer. Nog een aantal nagels erin geslagen en dan togen we opgewonden naar huis.
Tonnetjes
Als we geluk hadden, konden we dan nog net meemaken dat de tonnenauto in de straat voor ons huis stond. Onze buurman die bij de reinigingsdienst werkte, had een dik leren zadel op zijn linkerschouder. Hij pakte een lege ton van de wagen en liep door het heel smalle steegje tussen de huizen naar onze plee, een houten hokje tegen de achtermuur van ons huis. De ton werd omgeruild, de heel zware ton ging op zijn linkerschouder en werd met een krachtige zwier op de tonnenauto gezet. Het was alsof door die zwaai de smerige stank uit de ton de ruimte kreeg om door de straat weg te zweven. En soms ging die zwaai niet helemaal goed…
Ja, in die tijd hadden straten hun eigen geur. De Warmoesstraat rook anders dan de Eindstraat. En als we over de Wilhelminasingel liepen met die grote huizen en prachtige tuinen waarvan we zeker wisten dat daar een ander soort mensen woonde, dan heerste daar toch een heel andere geur, een geur die blijkbaar bij die mensen hoorde.
Nu woon ik zelf op het Van Nahuysplein in zo’n huis dat – toen ik een jochie was – niet bij ons soort mensen hoorde. Maar wat ik toen had, is er niet meer. In de loop van de jaren zijn alle geuren uit de stad verdwenen. De stad rúikt niet meer. Op z’n hoogst dringt de geur van het gemotoriseerd verkeer nog onze woning binnen. Een heel enkele keer komt de geur uit het verleden terug. Fiets in het weekend maar eens door een oude buurt van Zwolle, zoals de Bollebieste. Dan ruik je dat de karbonade heel langzaam wordt gebraden. Misschien zelfs op een petroleumstel, zoals dat vroeger lange tijd brandde om het vlees te braden.
Maar verder? Als ik nu geblinddoekt de stad zou worden rondgeleid, zou ik niet meer kunnen ruiken waar ik ben. Nu wordt de stad alleen nog maar gehóórd. Er gaat in de zomer bijna geen weekend voorbij of van ergens – meestal dichtbij – klinken de dreunende bassen, nogal eens tot na middernacht, minstens 85 decibel. Dat ruik je niet, dat hoor je en hoe! Dat moet – zeggen de beleidmakers – want Zwolle wil zo graag een evenementenstad zijn. Als ik dan tegen beter weten in de slaap probeer te vatten en m’n ogen sluit, lijkt het soms alsof de geur van pijpkaneel de slaapkamer vult en het lawaai verdringt. Dan ben ik weer dat jochie dat op de Thorbeckegracht door de kaneel bedwelmd raakte – in een tijd dat de stad nog haar geuren had.
Roel Steenbergen
De Thorbeckegracht omstreeks 1950. (Foto Bertus Meulenbelt, collectie HCO)
86 zwols historisch tijdschrift
De Warmoesstraat gezien vanuit de Middelweg, omstreeks 1930. (Collectie HCO)
De hoek Warmoesstraat/Middelweg in 1973. De auteur werd geboren en woonde tijdens zijn jeugdjaren in het derde huis van links, nummer 79. De dakkapel (koekoek) werd er in zijn jeugd opgezet. Ze sliepen daar met vijf broers. (Foto De Koning, collectie HCO)
zwols historisch tijdschrift 87
Luchtfoto van het complex van Reinders’ Oliefabrieken aan de Nieuwe Vecht, omstreeks 1950. Rechts voor de Tesselschadestraat. Links, omcirkeld, bevond zich de zeepfabriek. (Foto KLM, collectie HCO)
88 zwols historisch tijdschrift
Tot januari 1958 maakte de NS gebruik van stoomlocomotieven. Duitse stoomlocomotieven verschenen daarna nog wel op Nederlandse stations. Deze foto werd gemaakt van de Hoge Brug, jaren vijftig. (Collectie HCO)
Roel Steenbergen, 9 jaar oud. De foto was gratis gemaakt in het kader van een VIVO-zegeltjes spaaractie. (Collectie auteur)
zwols historisch tijdschrift 89
Boven: De kapel op het katholieke kerkhof aan de Middelweg. (Collectie HCO)
Links: Hoefsmid Th.A. Poppe, omstreeks 1950. (Collectie HCO)
Gevel van hoefsmederij Poppe aan de
Luttekestraat, toen nog Nieuwe Haven geheten, omstreeks 1950. In de zogeheten travalje werd het paard vastgezet. (Collectie HCO)
90 zwols historisch tijdschrift
Juryrapport
Wanneer je nu geblinddoekt ergens in Zwolle zou worden afgezet, valt moeilijk te raden waar je bent. Hooguit verschilt het geluid per wijk of per straat. Vroeger was dat wel anders. Roel Steenbergen beschrijft in ‘De geur van de stad’ welke indruk het toen nog veel kleinere Zwolle in zijn jeugd op hem maakte. Hij geeft een prachtig sfeerbeeld van de activiteiten die er plaatsvonden, van een katholieke mis tot de veemarkt en van de stoomtreinen op het station tot de schroeilucht die van het beslaan van de paarden bij Poppe afkwam. Steenbergen voert je mee langs al die ‘geurige’ plaatsen. Als je zijn verhaal leest zou je bijna willen dat je het nu ook nog zo zou kunnen ervaren. Maar, de stad ruikt niet meer. Hooguit naar een oliebollenkraam. Een groot deel van de zaken die de geur in de stad veroorzaakten zijn verdwenen of ingeperkt, omdat dit anders overlast voor omwonenden geeft.
Het levendige beeld dat Steenbergen in zijn artikel van Zwolle oproept, was reden voor de redactie om hem voor dit artikel te bekronen en hem de prijs voor de schrijfwedstrijd uit te keren.
Man van de reinigingsdienst met een tonnetje op z’n schouder, jaren twintig. Het tonnetjessysteem werd in 1873 ingevoerd. In 1950 waren er nog ongeveer 400 huishoudens die er gebruik van maakten. De laatste tonnetjes verdwenen pas begin jaren zeventig uit het Zwolse stadsbeeld, honderd jaar na de invoering. (Uit: Ach Lieve Tijd, dl. 6)
zwols historisch tijdschrift 91
Alleen het kleedhok bleef staan…
Wielerpiste bij Urbana verdween in oorlog
Het laatste tastbare overblijfsel van een roemruchte episode in het Zwolse sportleven valt te vinden op de parkeerplaats van Urbana, de aloude uitspanning aan het einde van de Wipstrikkerallee. Het is een onaanzienlijk bouwsel dat al meer dan zeventig jaar op luttele meters afstand van het inmiddels geheel vernieuwde café-restaurant staat. Wie het tot garage en bergruimte omgebouwde stulpje op Urbana’s erf nu bekijkt, zal zich niet kunnen voorstellen dat het eens als officiële kleedruimte diende voor de beste wielrenners van ons land, zelfs voor wereldkampioenen.
Het kleedhok hoorde bij de wielerbaan die in 1934 achter Urbana werd geopend (op de plek waar zich nu een deel van de drukke Ceintuurbaan bevindt). Die baan van Zweeds grenenhout was een waar juweel in een tijd dat het wielrennen op de baan een ongekende populariteit genoot, veel meer nog dan het nu zo overheersende wielrennen op de weg. De piste stond zelfs bekend als de snelste van ons land en trok dan ook echte topcoureurs aan, zoals de Nederlandse wereldkampioen op de sprint Jan Derksen, de beroemde Zesdagenrenners Jan Pijnenburg en Kees Pellenaars alsmede de prominenten Piet van Kempen en Frans Slaats. Onder hen bevond zich ook Zwollenaar Rinus Schotman, die zich soms als een evenknie van de grote kampioenen ontpopte en er weleens in slaagde ze te verslaan.
Deze tempobeul van onder de Peperbus werd bewonderend gadegeslagen door een piepjong Zwols rennertje, Han Mengerink geheten, wiens oudere broer Willem – vroeger een enthousiaste amateurrenner – hem had overgehaald om het ook eens op de piste van Urbana te proberen. De toen vijftienjarige Han was gelijk verkocht en gaf zich meteen maar op als lid van de RTVZ, de Ren- en Toervereniging Zwolle, die anno 2010 nog steeds bestaat.
Han Mengerink herinnert zich de gloriejaren
Vlak voor de Tweede Wereldoorlog trainde Han Mengerink zich op de baan letterlijk een stuk in de rondte, temidden van de echte kampioenen die toen vaak bij Urbana te vinden waren. Nu, anno 2010, is Mengerink nog de enige Zwollenaar die het gevoel kan navertellen hoe de wieltjes konden snorren op die oude piste achter in de Wipstrik, hoe genotvol de speed van het snelle hout kon doortrillen in banden, benen en handen van de renner en zijn fiets.
Zeventig jaar later spraken wij met Han Mengerink in een heel andere sportambiance, namelijk bij de tennisbanen op het park van De Pelikaan, waar deze sportman – thans dik in de tachtig – nog wekelijks een balletje slaat.
‘Ik kan me nu nauwelijks nog voorstellen dat ik ooit getraind heb met Jan Derksen’, zegt Mengerink verbaasd, ‘ik reed warempel weleens een wedstrijdje met hem.’
Deze latere wereldkampioen sprint van 1946 en’47, die in mei van dit jaar op 92-jarige leeftijd overleed, woonde toen in Spoolde en vond het gezellig als er een paar andere renners met hem meetrainden. Hoewel Han best enig talent voor de sprint had, was de jonge coureur natuurlijk geen partij voor deze coryfee.
Mengerink: ‘Jan Derksen zei bijvoorbeeld: daar ginds bij die paal beginnen we. Dan riep hij “weg!” en voordat ik er erg in had was hij in een paar trappen al bij die paal. Die man had een paar benen om u tegen te zeggen.’
De wielerbaan bij Urbana kwam in 1934 tot stand op initiatief van Urbana-eigenaar Massier en de aannemers Van Werven en Houtsma, alle drie wielerliefhebbers. In een tijd dat de wielersport in ons land qua populariteit de tweede sport was, beleefde de baan een paar topjaren. Publiek uit Zwolle en de hele regio stroomde toe om de grote sterren van sprint en achtervolging te zien. Maar op een gegeven moment kwam er de klad in.
Han Mengerink herinnert zich: ‘Dat kwam door verkeerd management. Vaak werden er allerlei beloften gedaan en de komst van grote sterren in het vooruitzicht gesteld, maar die kwamen dan niet opdagen, waardoor het publiek zich bedrogen voelde. Vlak voor de oorlog ging het weer wat beter doordat spannende amateurwedstrijden werden georganiseerd, maar toen de meidagen van 1940 aanbraken was het gebeurd met de baan. Jonge renners, zoals wij, konden zich nauwelijks meer op straat vertonen, omdat ze anders in de kuif werden gepikt voor dwangarbeid in Duitsland. Wielrennen op de weg was er met al dat oorlogsgeweld helemaal niet meer bij. Het betekende gelijk het einde van mijn prille wielercarrière. Na de oorlog kwam ik er niet meer aan toe, ook al niet omdat ik het te druk kreeg met mijn stucadoorsbedrijf.’
Ook Urbana’s wielerbaan kreeg – na een bestaan van nog geen tien jaar – een roemloos einde. Door het steeds nijpender gebrek aan brandstof werden karrenvrachten Zweedse plankjes uit het kostbare oppervlak gesloopt, waarna tegen het einde van de oorlog een totale afbraak volgde. Alleen het kleedhok bleef staan, tot de dag van vandaag.
Willem van der Veen
Han Mengerink (rechts) vlak voor de oorlog in volle sprint op de wielerbaan bij Urbana. (Collectie auteur)
92 zwols historisch tijdschrift
Het oude kleedhok voor de renners bleef – iets verbouwd – 77 jaren staan. (Foto auteur)
Wielerwedstrijden op de baan bij Urbana trokken veel publiek in de jaren dertig van de vorige eeuw. De middenstand maakte gretig gebruik van de reclamemogelijkheden. Vooraan, tweede van links, rijdt Rinus Schotman. (Collectie auteur)
zwols historisch tijdschrift 93
Oud-wielrenner Han Mengerink anno 2010, nu in beslag genomen door de tennissport op de banen van De Pelikaan. (Foto auteur)
94 zwols historisch tijdschrift
Honderd jaar Remonstrantse Broederschap
in Zwolle
Op 14 januari 1610 richtten sympathisanten van de Leidse predikant en hoogleraar Jacobus Arminius (1560-1609) een ‘Remonstrantie’ ofwel een verzoekschrift aan de Staten van Holland. Zij brachten daarmee hun bezwaren tegen de leer van de gereformeerde kerk naar voren. Dit was een belangrijke stap naar de oprichting van de Remonstrantse Broederschap.
De herdenking van deze remonstrantie vormde driehonderd jaar later de aanleiding voor enkele Zwollenaren om een remonstrantse kring in Zwolle op te richten.
Voorgeschiedenis
De remonstrantie van 1610 was onderdeel van een felle geloofsstrijd die toen al enige tijd aan de gang was. Ongeveer vanaf 1580 werd de predestinatieleer een belangrijk theologisch onderwerp. Heeft de mens de vrijheid om tegemoet te komen aan Gods genade en zo ja, hoe groot is die vrijheid. De theoloog Jacobus Arminius (1560-1609), groeide uit tot woordvoerder van degenen die de mens een zekere mate van vrijheid toekenden. Zij stonden bekend als arminianen of remonstranten. Hun tegenstanders werden contraremonstranten of gomaristen genoemd, naar hun woordvoerder Franciscus Gomarus (1563-1641), eveneens hoogleraar in Leiden. Volgens deze gomaristen was het aandeel van de mens in zijn verlossing uiterst beperkt. Zij leerden dat God zijn genade schenkt zonder rekening te houden met welke menselijke verdienste dan ook.
Toen het Twaalfjarig Bestand (1609-1921) tijdelijk een einde maakte aan de militaire strijd tussen de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën en de Spanjaarden, barstte deze godsdienstige strijd in alle hevigheid los. Die strijd werd verergerd omdat politiek en godsdienst door elkaar gingen lopen.
De vermenging van politiek en religie was in die tijd bijna onvermijdelijk, door de opbouw van de gereformeerde kerk als de enige formeel toegestane en ‘publieke kerk’. De vorming van de nieuwe staat en confessionalisering gingen hand in hand en de stedelijke en gewestelijke overheden speelden daarbij een grote rol. Bovendien vroegen de arminianen in hun remonstrantie om een algemene synode waarin de verschillen besproken zouden worden. Ook de gomaristen wilden graag zo’n nationale synode. Het conflict kwam daarmee automatisch in politiek vaarwater.
Leiders zoals de Hollandse landsadvocaat Johan van Oldenbarneveldt, de jurist Hugo de Groot en de hofpredikant Johannes Uytenbogaert steunden het arminiaanse standpunt. Bovendien waren zij voorstanders van de gewestelijke autonomie. Dat was weer tegen het zere been van de stadhouder prins Maurits, die tevens opperbevelhebber van leger en vloot was. Hij maakte zich juist grote zorgen over de provinciale versnippering in de Republiek.
Discussies over de leer liepen uit op een felle pamflettenstrijd, waarin voor- en tegenstanders hun zegje deden. Bovendien ontstonden verschillende stedelijke oproeren. Daarop koos Maurits openlijk partij voor de contraremonstranten. Hij gebruikte vervolgens zijn troepen om zijn tegenstanders uit hun ambt te ontzetten. In enkele steden werd de remonstrants gezinde magistraat vervangen door contraremonstranten. De Groot en Oldenbarneveldt kwamen terecht in Slot Loevenstein, de staatsgevangenis, en Uytenbogaert vluchtte naar Antwerpen.
Onder deze omstandigheden vond van 1618-1619 de synode van Dordrecht plaats. Uiteraard hadden de voorgaande gebeurtenissen gevolgen voor de samenstelling van de synode en daarmee op de eindresultaten. De arminianen waren hun politieke steun kwijt en daardoor was de grote meerderheid van de kerkelijke afgevaardigden op de synode contaremonstrants gezind. Uiteindelijk werden de nog aanwezige remonstrantse afgevaardigden uit de synode weggestuurd. Daarna was de weg vrij om de gereformeerde genadeleer vast te leggen in de zogenoemde Dordtse Leerregels.
Aan de remonstranten werd gevraagd te beloven om niet meer in de eredienst voor te gaan. Op één na weigerden zij dat en kozen ze voor ballingschap. De meesten van hen gingen naar Antwerpen waar Uytenbogaert al eerder was aangekomen. Daar richtten zij in 1619 de Remonstrantse Broederschap op.
Remonstrantse Broederschap
De beginperiode van de remonstranten was moeilijk. Predikanten waren verbannen en alle remonstranten liepen het gevaar gearresteerd te worden. Omstreeks 1630 begonnen de scherpste kantjes van de tegenstellingen te slijten. Ballingen begonnen terug te keren en zonder al te veel problemen kon men gemeenten gaan opbouwen. Het was hen echter niet toegestaan – net zomin als aan katholieken en aan andere kerkgenootschappen – om kerken de openbare weg te bouwen, zodat men in schuilkerken een min of meer verborgen bestaan leidde.
De Broederschap hield een bescheiden omvang en vond haar aanhang vooral in het gewest Holland, waar Amsterdam een schuilkerk bouwde in 1630 en Rotterdam in 1632. Intussen was ze in 1631 officieel in de Republiek gevestigd en kreeg ze in 1633 een kerkorde. In 1634 kwam een Seminarium in Amsterdam dat in 1872 naar Leiden verhuisde. Er ontwikkelde zich een eigen leer waarbij vrijheid en verdraagzaamheid hoog in het vaandel stonden. In de zeventiende en achttiende eeuw waren dan ook veel voorstanders van religieuze tolerantie te vinden onder remonstranten en hun sympathisanten.
De achttiende eeuw en de Verlichting betekenden een moeilijke tijd voor de remonstranten. Voor velen bleken de gewaardeerde begrippen vrijheid en verdraagzaamheid zeer dicht te liggen tegen vrijblijvendheid en gebrek aan betrokkenheid. Aan het eind van de eeuw werd zelfs rekening gehouden met een algehele ondergang van de broederschap. Gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw volgde een licht herstel en groeide het ledental van de broederschap weer iets. De invloed van de predikant en hoogleraar Abraham des Amorie van der Hoeven (Rotterdam 1798-Arnhem 1855) zal daar niet vreemd aan zijn geweest. Deze representant van de romantiek wist een groot publiek aan te spreken en legde de nadruk op een verlicht-romantisch verbroederingsideaal.
Gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw zette de groei van de broederschap zich voort onder invloed van het modernisme. Het modernisme is een stroming binnen de filosofie en theologie, waarbij men wilde aansluiten bij actuele ontwikkelingen in wetenschap, filosofie en maatschappij. Binnen de theologie werd het een centraal thema hoe de scheiding tussen geloof en geschiedenis, tussen historische betrouwbaarheid en godsdienstige waarheid en tussen wetenschappelijk (bijbel)onderzoek en godsdienst met elkaar te verzoenen zijn. Toen eind jaren vijftig deze moderne opvatting in bredere lagen van de kerk begon door te dringen, werden degenen die zich beriepen op goddelijke openbaring en kerkleer orthodox genoemd. Degenen die belang hechtten aan een historisch-kritische methode golden als modern of vrijzinnig.
Binnen de Remonstrantse Broederschap neigde men overwegend naar het vrijzinnige modernisme, maar binnen de Hervormde Kerk laaide de discussie hoog op. Velen voelden zich daardoor niet meer thuis binnen de hervormde kerk en stapten over naar de remonstranten. In de laatste decennia van de negentiende eeuw groeide de broederschap daardoor fors. Er ontstonden nieuwe gemeenten in Groningen, Arnhem, Lochem, Doesburg, Hoogeveen en Meppel; dus ook buiten Holland waar ze van oudsher het meest vertegenwoordigd waren. In Zwolle bood de hervormde kerk voldoende ruimte voor de vrijzinnige richting. Toch kwam ook daar – weliswaar iets na de grote hausse aan nieuwe gemeenten – een aparte remonstrantse kring tot stand.
Zwolle
Driehonderd en één jaar na de aanbieding van de remonstrantie – op 14 februari 1911 – vond de oprichtingsvergadering plaats van de Zwolse Remonstrantse kring. Directe aanleiding hiervoor was de herdenking in 1910 van deze remonstrantie. Dit werd gezien als de basis van de Remonstrantse Broederschap en het stimuleerde enkele Zwollenaren te proberen een eigen gemeente op te richten. W. van Maanen, luitenant bij de Zwolse artillerieschool, richtte zich samen met vier geestverwanten in februari 1910 via een circulaire tot de hun bekende remonstranten met de oproep om zich aaneen te sluiten. In november volgde een tweede oproep omdat men nog meer remonstranten in Zwolle had ontdekt.
In de tussentijd hadden de initiatiefnemers overleg gehad met vertegenwoordigers van de landelijke organisatie. Daar bestond weinig enthousiasme voor de Zwolse plannen. De zogeheten Commissie tot de Zaken (CoZa), het landelijk bestuur van de Remonstrantse Broederschap, wees erop dat binnen de hervormde kerk van Zwolle voldoende ruimte was voor vrijzinnige prediking. Ze verwachtte in dat opzicht problemen en betwijfelde of het Zwolse initiatief groot genoeg zou kunnen worden om tot een volwaardige gemeente uit te groeien. Ze maande tot bedachtzaamheid maar was bereid om advies te geven. Tenslotte wees ze erop dat de initiatiefnemers geen formele toestemming nodig hadden.
De bezorgdheid van de CoZa was wel begrijpelijk. De vrijzinnige gelovigen konden in Zwolle terecht bij de doopsgezinden en ook binnen de hervormde gemeente hier overheerste de vrijzinnigheid, hoewel daar ook ruimte was voor een orthodoxe minderheid. De hervormden waren dan ook niet blij met de plannen en in het weekblad De Hervorming verschenen diverse artikelen tegen de plannen om een remonstrantse kring op te richten. Sommige vrijzinnig hervormden vreesden voor concurrentie bij hun strijd voor een vrijzinnige richting binnen hun kerk, terwijl anderen de plannenmakers sektarisme verweten.
De Zwolse initiatiefnemers zetten echter door. Op 14 februari 1911 richtten zij in de doopsgezinde kerk in de Wolweverstraat een eigen kring op. Er waren zeventig belangstellenden aanwezig, waarvan uiteindelijk 34 lid werden van de nieuwe Zwolse remonstrantse kring. Zij kozen bovengenoemde W. van Maanen tot voorzitter en mevrouw C. Thiebout-Loopuyt, echtgenote van de bankier C. Thiebout, tot secretaresse.
Met 34 leden was de omvang van de Zwolse kring beperkt. Dat is ze ook altijd gebleven, hoewel het aantal leden na de Tweede Wereldoorlog langzaam toenam. In 1941 waren er 38 leden en in 1970 werd het hoogtepunt bereikt met 138 leden. Hierbij zal hebben meegespeeld dat de Hervormde Kerk van Zwolle, waar voor de oorlog het vrijzinnige geluid duidelijk te horen was, in 1940 een orthodoxe meerderheid kreeg. De vrijzinnige minderheid werd er nu alleen nog geduld. Datzelfde speelde overigens in meer plaatsen in Nederland en had te maken met een conflict binnen de hervormde kerk en het ontstaan van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt in 1944. Verschillende mensen stapten toen uit de hervormde kerk en sloten zich aan bij de remonstranten. Overigens heeft de Remonstrantse Broederschap altijd relatief veel leden gehad die overstapten vanuit een ander kerkgenootschap.
Na 1970 deed de invloed van de secularisering zich gelden en begon een dalin