
Honderd jaar
Zwolse interieurs
19e jaargang 2002 nummer 1 – € 5,75
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Annèt Bootsmavan
Hulten en
Wim Huijsmans
Groeten uit Zwolle
(Collectie HCO)
Ansichtkaart Zwolland
Poststempel 8 januari 1930
‘In haast.
Lieve Lien, Juist toen ik de brief aan jou gepost had,
vond ik thuis je briefkaart, waarvoor hartelijk dank.
‘k Zal zorgen present te zijn om je intocht hier mee te
maken, ‘k Vind ’t heel prettig [dat] je komt en ook
m’n ouders hopen je gauw te zien. Watje bezorgdheid
voor vervoermiddel betreft is in orde, we hebben
een geregelde busdienst. Volgende week wordt hier
de brug geopend en begint voor ’t eerst hier ’t klokkenspel
te spelen, ’t Lijkt me bar leuk, ‘k zit bijna
onder de toren, dus hooren kan ik ’t wel. Misschien
komt er nog wel een feest hier. Adieu Lien tot zondag.
Hart. gr. aan je ouders en jij een z. v. Stien.’
Op 2 oktober 2001 verbleven kroonprins Willem-
Alexander en Maxima tijdens hun bezoek aan
Overijssel enige uren in Zwolle. In september 1928
was de koninklijke familie hier ook. Koningin
Wilhelmina, prins Hendrik en prinses Juliana
brachten toen een bezoek aan de grote provinciale
landbouwtentoonstelling ‘Zwolland’. Op de kaart
wordt de koningin welkom geheten.
De ansicht is verzonden door Stien Eelsingh
(1903-1964), de schilderes, aan Lien Heerma van
Voss. Lien en Stien waren op dat moment allebei
met een jongen Stroink verloofd, de broers Fokko
en Herbert. Lien trouwde ook daadwerkelijk met
Fokko; Stien zou haar verloving een paar jaar later
verbreken. Stiens vader was hoffotograaf – vandaar
deze kaart?- en had een zaak in de Kamperstraat.
Stien had zelf een atelier aan de Ossenmarkt,
dus inderdaad bijna onder de Peperbus.
Het carillon werd gefinancierd met geld dat was
overgebleven na de bouw van de (eerste) IJsselbrug,
die op 15 januari 1930 werd geopend. Het
carillon zou uiteindelijk pas op 10 april 1931 voor
het eerst zijn klanken over de stad uitstorten.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Voor u ligt het eerste nummer van de negentiende
jaargang van het Zwols Historisch Tijdschrift. Na
ruim tien jaar vonden bestuur en redactie het tijd
om het tijdschrift in een nieuw jasje te steken. De
oproep om te komen tot een logo voor de Zwolse
Historische Vereniging is daartoe indirect de aanleiding
geweest; bestuurslid Miriam Schneiders
licht dit verder toe.
De Open Monumentendag 2001 had als thema
‘Wonen’. De fototentoonstelling die de Zwolse
Historische Vereniging in dit kader in september
2001 in de Grote Kerk organiseerde, bood zoveel
moois dat de redactie besloot om een selectie hieruit
te publiceren in het tijdschrift. De foto’s worden
van commentaar voorzien door Jeanine Otten
en Dirk Baaiman. Niet als voyeurs, kijkend naar
‘het bankstel van Mien en haar dressoir met plastic
rozen’ (Sonneveld), maar als deskundigen
geven zij in twee artikelen tekst en uitleg bij diverse
Zwolse interieurs. Het zal de lezer wellicht doen
besluiten bij een komende opruimwoede wat
terughoudender te zijn.
De ansicht en het Zwolse glazenmakersgilde
hebben iets gemeenschappelijks. Niet alleen is een
van de auteurs bij beide artikelen betrokken, er is
beide keren sprake van een schilder. Adrianus
Hulsbergen penseelde zichzelf en de overige leden
van het glazenmakersgilde in 1807, terwijl de
bekende Zwolse schilderes Stien Eelsingh in 1930
de afgedrukte ansichtkaart verstuurde. Wie de
‘mystery guest’ met de hoge zwarte hoed op het
schilderij van Hulsbergen zou kunnen zijn, wordt
ragfijn ontrafeld. Het tijdschrift besluit met een
tweetal boekbesprekingen.
De mededelingen van het bestuur worden zeer
ter lezing aanbevolen, want er vallen binnenkort
weer fraaie prijzen te winnen. Hou in elk geval de
Zwolse Courant van 27 april aanstaande en de
website van de Zwolse Historische Vereniging in
de gaten! Veel leesplezier.
Groeten uit Zwolle Annèt Bootsma-van Hulten en Wim Huijsmans 2
Nieuw omslag Zwols Historisch Tijdschrift Miriam Schneiders 4
Honderd jaar Zwolse wooninterieurs Jeanine Otten 5
Zwolse interieurs nader bekeken Dirk Baaiman 14
Het Zwolse glazenmakersgilde in 1807
Wim Huijsmans, Otto Schutte, Jean Streng 24
Boekbesprekingen 28
Mededelingen 33
Auteurs 34
Omslag: Studeerkamer van Anna Maria van Gilse, Thorbeckegracht 28,
ca. 1910 -1915 (foto P.H.G. van Gilse, collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Nieuw omslag Zwols Historisch Tijdschrift
Miriam Schneiders Vermoedelijk is het u direct opgevallen: het
Zwols Historisch Tijdschrift heeft een
nieuw jasje. Alleen de omslag is veranderd,
u zult de gebruikelijke rubrieken in de vertrouwde
lay-out aantreffen.
De indirecte aanleiding tot deze verandering
was de oproep tot deelname aan een prijsvraag
van drie jaar geleden. Gevraagd werd een logo te
ontwerpen, waarin het karakter van zowel de
Zwolse Historische Vereniging als de stad Zwolle
duidelijk herkenbaar naar voren zou komen. Een
jury, samengesteld uit leden van het bestuur en de
redactie bijgestaan door deskundige externe adviseurs,
zou uit de binnengekomen inzendingen een
keuze maken. Goede en minder goede ontwerpen
werden beoordeeld. Toch besloot de jury geen van
de inzendingen te honoreren. De plannen lagen
vervolgens stil tot we vorig jaar contact hebben
opgenomen met Ontwerpburo Thijs Verster
(sinds 1 januari 2002 bekend onder de nieuwe
naam Buro 1 Hoog). We kwamen bij Thijs Verster
terecht omdat hij de ontwerper bleek te zijn van
het opmerkelijke silhouet van de stad Zwolle, aangebracht
op de gele omleidingsborden die bij gelegenheid
in de stad – de laatste jaren dus veelvuldig
– geplaatst worden. Thijs had er geen moeite mee
dit ontwerp af te staan aan onze vereniging. Het
siert nu het briefpapier van de Zwolse Historische
Vereniging. Verster was tevens bereid het silhouet
zo aan te passen dat het geschikt was voor de
omslag van het Zwols Historisch Tijdschrift. In
het silhouet zijn ondermeer duidelijk herkenbaar
de IJsselspoorbrug, de Mastenbroekerbrug, de
Peperbustoren, het stadhuis, de Sassenpoort en
molen de Passiebloem. We zijn het tegenwoordige
Buro 1 Hoog zeer erkentelijk voor het gebruik van
dit silhouet. Onze vaste opmaker Ger Bomans van
Different Design Deventer heeft de verdere uitwerking
ter hand genomen. Het resultaat is een
verrassende vormgeving waarmee we het jaar
2002 starten en waarvan we hopen dat u er net zo
tevreden mee bent als wij.
Silhouet van de omslag
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Honderd jaar Zwolse wooninterieurs
De Open Monumentendag in het weekend
van 8 en 9 september 2001, speelde zich af
rond het thema wonen. Het thema had als
titel ‘Huis en haard: monumenten van het
wonen’. Aanleiding voor dit onderwerp was het
feit dat de Woningwet in 2001 honderd jaar
bestond. Tevens sloot de Open Monumentendag
aan bij de Manifestatie Historisch Interieur 2001,
een initiatief vanuit de rijksoverheid dat op grote
schaal aandacht vraagt voor het beheer en het
behoud van het historische wooninterieur.
In het kader van het thema ‘Huis en haard’
waren op Open Monumentendag 2001 in diverse
plaatsen veel soorten panden opengesteld die
gebouwd zijn om in te wonen, variërend van villa’s,
grachtenpanden en hofjes tot kloosters, weeshuizen
en woonboten. Soms waren het woningen
waar tevens gewerkt werd, bijvoorbeeld een boerderij,
een burgemeesterswoning of een ander
soort dienstwoning. In andere gevallen kon het
gaan om tijdelijk wonen zoals in een logement of
herberg, om buiten wonen, wonen in luxe, of
wonen in het groen. Arbeiderswoningen en sociale
woningbouw hadden eveneens een belangrijke
plaats in het thema.
Er zijn nog heel wat ongeschonden zestiendeen
zeventiende-eeuwse interieurs. Vooral in kastelen
en buitenverblijven is vaak eeuwenlang weinig
of niets aan de inrichting veranderd. Originele
negentiende-eeuwse interieurs van woonhuizen
zijn al moeilijker te vinden en huiskamers uit de
jaren dertig of vijftig van de twintigste eeuw al
helemaal. In Zwolle bestaat voor zover bekend één
ongeschonden kamer uit de jaren vijftig: een
kamertje in het Vrouwenhuis aan de Korte Kamperstraat.
Fototentoonstelling ‘Honderd jaar Zwolse wooninterieurs’
Juist foto’s van het gewone wooninterieur roepen
een tijdsbeeld op en kunnen een visie geven op
hoe mensen in een bepaalde tijd leven (of leefden).
Wie herinnert zich bijvoorbeeld niet de verschillende
trends in het wonen van de tweede helft
van de twintigste eeuw, zoals de niervormige bijzettafeltjes
en ‘Picasso’-gordijnen uit de jaren vijftig,
het nostalgische interieur met spulletjes uit
grootmoeders tijd uit de jaren zeventig of het
zakelijke interieur met chromen buisstoelen en
tafels uit de jaren negentig?
In mei 2001 vatte het bestuur van de Zwolse
Historische Vereniging (ZHV) daarom het plan
op om op Open Monumentendag 8 september
2001 in de Grote Kerk een tentoonstelling van
Zwolse wooninterieurs te organiseren. Door middel
van folders en oproepen in de Zwolse Courant
en huis-aan-huisbladen werden de inwoners van
Zwolle opgeroepen om vóór 1 augustus één of
meer foto’s van hun wooninterieur in te sturen.
Het mochten nieuwe maar ook oude foto’s zijn,
foto’s van woonkamers, keukens, eetkamers,
slaapkamers, studeerkamers, badkamers en kinderkamers.
Ongeveer 50 foto’s werden ingezonden.
Het Historisch Centrum Overijssel (HCO)
vulde deze aan met 30 foto’s uit eigen collectie.
Veiligheidshalve werden voor de tentoonstelling
in de Grote Kerk van alle foto’s digitale fotokopieën
gemaakt. Eigenlijk zou de expositie maar
één dag, namelijk alleen op Open Monumentendag,
te zien zijn, maar tot verrassing en blijdschap
van de ZHV en het HCO gaf de koster van de Grote
Kerk toestemming de expositie tot en met 7
oktober 2001 te laten duren.
Jeanine Otten
De 80 foto’s op de tentoonstelling gaven een beeld
van de inrichting van Zwolse woningen in de afgeZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
lopen honderd jaar. Foto’s uit 1916-1918 toonden
het interieur van Naftali Herman Frank, de eerste
chirurg in Zwolle, wonend op Eekwal 31 (nu het
makelaarskantoor De Graaf Van Vilsteren BV); de
jongste uit juli 2001 lieten de inrichting van twee
studentenkamers zien. Bijzonder waren twee
series foto’s: één uit 1956 van elk vertrek van een
woonhuis in de Lijsterbesstraat, bedoeld om een
tante in Venezuela op de hoogte te stellen van de
inrichting van de nieuwe woning (zie het artikel
van Dirk Baaiman), en één van een interieur aan
de Herenweg 14, dat zowel in 1927 als in 2001 is
gefotografeerd: dezelfde meubels staan nog op
dezelfde plaats, de huidige bewoner is de kleindochter
van degene die in 1927 zowel het huis als
de meubels heeft ontworpen. In het hiernavolgende
zullen de interieurfoto’s van Eekwal 31 uit 1916-
1918, van Herenweg 14 uit 1927-2001 en Thorbeckegracht
28 uit 1915 nader toegelicht worden.
Aanklachtfoto’s
Op de tentoonstelling waren vooral interieurfoto’s
van de ‘gegoede en gewone burgerij’ te zien.
Deze had vanaf het begin van de twintigste eeuw
geld om foto’s van het interieur te laten maken of
om zelf over een fotocamera te beschikken. Toch
zijn interieurfoto’s over het algemeen zeldzaam.
Dit is ook de reden waarom vooroorlogse interieurfoto’s
van arbeiderswoningen zeer weinig op
de tentoonstelling te zien waren en foto’s van het
interieur van krotwoningen geheel ontbraken.
Anders dan in sommige andere steden in Nederland
zijn in Zwolle in het verleden geen ‘aanklachtfoto’s’
gemaakt van het interieur van onbewoonbare
sloppen en kelderwoningen. In dit verband
is het opmerkelijk dat C.J.J. Schaepman,
directeur van de Zwolse azijn- en kaarsenfabriek
‘De Ster’ en medeoprichter van de Zwolse Amateurfotografen
Vereniging, in de jaren 1925-1935
een serie foto’s heeft gemaakt van ellendige woonomstandigheden.
Schaepman fotografeerde
(krot)woningen in het Achterom, op het Eiland,
aan het Klein Grachtje en de houten noodwoningen
aan de Vermeerstraat, met als contrast de pas
verrezen nieuwbouwprojecten van de gemeente
Zwolle, van Zwolse woningbouwverenigingen als
Openbaar Belang, Beter Wonen, Providentia,
Sint-Joseph, de Algemene Zwolse Coöperatieve
Woningbouwvereniging en van particulieren. In
die jaren werd in Zwolle hard gewerkt aan de verbetering
van de volkshuisvesting door het afbreken
van krotwoningen en het bouwen van woningen
voor minder draagkrachtigen. Of de foto’s
van Schaepman van onbewoonbare woningen als
‘aanklachtfoto’s’ zijn bedoeld, of dat Schaepman
datgene wilde vastleggen wat verdwijnen zou, is
helaas niet bekend.
Eekwal 31, omstreeks 1916-1918
Van ongeveer 1898 tot 1920 woonde Naftali Herman
Frank (geboren Veendam 2 mei 1860, overleden
Montreux na 1920) op Eekwal 31. Naftali was
de eerste chirurg in Zwolle. Hij was gehuwd met
Charlotte Sara Spanjaard (geboren 1869), het
echtpaar kreeg drie dochters: Dina Henriëtte
(geboren 3 april 1891, overleden 1 september 1900),
Lenie (geboren 31 januari 1893) die na haar huwelijk
in 1914 naar Boekarest verhuisde, en Dora
Hermanna Charlotte (geboren 18 augustus 1901).
Afbeelding 1: foto voorzijde Eekwal 31. Het huis
zelf is een prachtig voorbeeld van de negen tiendeeeuwse
villabouw langs de Zwolse stadsgracht.
Nadat Zwolle vanaf 1790 niet langer vestingstad
was, werden de stadspoorten in de loop van de
negentiende eeuw afgebroken, de stadsmuren
geslecht en de bolwerken ‘omgetoverd’ in ‘stadswandelingen’.
Langs de stadsgracht verrezen
imposante stadsvilla’s voor notabelen. Bij de verbreding
van de weg in 1918 sneuvelden de bomen
en kwam de weg vlak langs Eekwal 31 te liggen.
Afbeelding 2: foto studeerkamer. In de boekenkast
staan behalve boeken twee portretfotootjes en
een langwerpige groepsfoto met heel veel heren
(waarschijnlijk medici op een NMG-congres).
Tegen de planken van de boekenkast zijn met
meubelnagels strookjes textiel gespijkerd, zodat er
niet te veel stof op de boeken komt. Rechts naast
de boekenkast een groot olieverfschilderij met een
figuur met een kelk (?) in zijn handen. Onder het
schilderij is een met een motief bedrukte wandbespanning
te zien. Twee leren fauteuils en een klein
rond tafeltje waarop een bosje narcissen en asbakken
met een doosje zwaluw-lucifers staan klaar
voor de rokers. De kolenkachel wordt afgeZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 1: voorzijde
Eekwal^i, omstreeks
1917 (particuliere collectie)
Afbeelding 2: studeerkamer
Eekwal 31,
omstreeks 1917 (particuliere
collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeeldingy. damessalon
Eekw al 31,
omstreeks 191J (particuliere
collectie)
Afbeelding 4: serre
Eekwal^i, omstreeks
1917 (particuliere collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
schermd door een in het midden scharnierend
tweedelig haardscherm met glazen panelen. Erop
staat een waterketel. Boven de schouw hangt een
spiegel, op de schouw staan een klok, twee kandelaars
en een viertal portretfotootjes.
Afbeelding3: foto damessalon. Gordijnen markeren
de overgang naar de salon en de serre. Links
in de hoek staat een piano waarop portretfotootjes
en een vaasje met tulpen staan. Vijf fauteuils en
een stoel staan in een cirkel opgesteld. In het midden
staat een rond tafeltje op ranke pootjes. Erop
staat een klein bloemenvaasje op een kleedje en
een doosje. Rechts bevindt zich een venster. In de
toegang naar de serre hangen vitrages. Op de achtergrond
zien we door de vensters van de serre een
schip in de stadsgracht met daarachter de schoorpalen
voor het vee op de Beestenmarkt (nu Harm
Smeengekade).
Afbeelding 4: foto serre. De foto’s van de
damessalon en de serre zijn op dezelfde dag genomen.
Dat is te zien aan dezelfde vaas met tulpen
die zowel op de piano in de salon als op het tafeltje
in de serre figureert. De inrichting van de serre
doet exotisch aan door de jaloezieën, de vier rotan
stoelen en de elektrische bamboe hanglamp.
Rechts in het hoekje staat een piëdestal met een
elektrische tafellamp, het snoer is om de voet
gewikkeld (in 1916 kreeg Zwolle elektriciteit).
Over het ronde tafeltje in het midden ligt een
gebatikt kleedje, erop staan de al genoemde vaas
met een bos tulpen, een asbak en een waaier.
Herenweg 14 in 1927 en in 2001
Afbeeldingen 5, 6, 7, en 8: op de foto’s zien we de
inrichting van Herenweg 14 in 1927 en in 2001.
Zeer bijzonder aan de inrichting is dat meubels uit
1927 in de zakelijke stijl van de Amsterdamse
School bewaard zijn gebleven en in het huidige
interieur zijn opgenomen. Het zijn strak vormgegeven
fauteuils, een in die tijd als modern geldend
dressoir, een theetafel, een eetkamertafel en eetkamerstoelen,
alles in zwart gebeitst eikenhout. De
geglazuurde wandtegels in de woonkamer zijn
gemêleerd bordeauxrood en mosgroen. Opval-
Afbeelding 5: zitkamer
Herenweg 14,1927 (particuliere
collectie)
10 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 6: eetkamer
Herenweg 14,1927 (particuliere
collectie)
Afbeelding 7: eetkamer
Herenweg 14, 2001 (par- l£*
ticuliere collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 11
lend is dat de traditionele schouw heeft plaats
gemaakt voor twee uitspringende hoeken, belegd
met een dik houten blad. Boven het dressoir zien
we een glazen doorgeefluik. Het doorgeefluikje
tussen keuken en woon/eetkamer bestond al in de
negentiende eeuw, maar werd pas na de Tweede
Wereldoorlog standaard in woningen ingebouwd,
totdat het met de komst van de open keuken als
een symbool van ouderwetse burgerlijkheid weer
verdween. Zowel woning als meubels zijn ontworpen
door de eerste bewoner van het huis, Dirk
Hartzuiker (geboren Zwolle 2 oktober 1898, overleden
Zwolle 31 juli 1982).
Dirk Hartzuiker was aanvankelijk kantoorbediende,
maar vertrok in januari 1917 naar Utrecht
om daar een studie bouwkunde te volgen. In
november 1918 keerde hij weer terug in Zwolle. Hij
werd bouwkundig tekenaar bij de gemeente Zwolle
en klom op tot chef tekenkamer. In Zwolle
werkte hij onder de stadsarchitecten Lourens
Krook, Jan Gerko Wiebenga en W.B.M. Beumer.
Halverwege de jaren zestig ging hij met pensioen.
Hartzuiker ontwierp in 1921 een dubbel woonhuis
aan het begin van de Herenweg, in april 1926
ontwierp hij zijn eigen woonhuis Herenweg 14:
een vrijstaande woning met twee bouwlagen
onder een schilddak, met een gedeeltelijk gepotdekselde
voorgevel (zie bouwtekening afbeelding
9). Het huis heeft drie opvallende schoorstenen en
een loggia in de linkerzijgevel.
Op 26 april 1927 trouwde Hartzuiker met
Egberdina van der Gronde. Aanvankelijk woonde
het echtpaar op Herenweg 2. Nadat de bouw voltooid
was, verhuisden ze naar Herenweg 14. Bij
Afbeelding 8: zitkamer
Herenweg 14, 2001 (particuliere
collectie)
12 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 9: bouwtekening
Herenweg 14 (collectie
HCO)
Herenweg 14 hoort ook het door Hartzuiker in
1926 ontworpen bijgebouwtje (afbeelding 10). Dit
bijgebouwtje was bedoeld voor de smederij van
zijn schoonvader Van der Gronde, die na het
huwelijk bij het echtpaar Hartzuiker-van der
Gronde inwoonde. Van deze smederij is nu nog
alleen de blaasbalg aanwezig. Naast zijn bouwkundige
werk maakte hij tussen de jaren dertig en
veertig een serie tekeningen en aquarellen van
gevelstenen in Zwolle (nu in de collectie van het
Afbeelding 10: bouwtekening
bijgebouwtje
Herenweg 14 (collectie
HCO)
Stedelijk Museum Zwolle), schilderde hij landschappen,
was hij lid van de Zwolse kunstenaarsvereniging
Het Palet en zat hij in het bestuur van
de Vrienden van de Stadskern. Herenweg 14 wordt
nu bewoond door een kleindochter van Dirk
Hartzuiker.
Bezoekster Grote Kerk herkent moeder op oude
foto’s
Op de eerste dag van de expositie, zaterdag 8 september
Open Monumentendag, vond er een aardig
voorval plaats. Een in Zwolle woonachtige
bezoekster, mevrouw A.H.P. Viehof-van Bolhuis,
herkende op oude foto’s uit ca. 1910 haar moeder,
Maria Anna van Gilse (zie voor deze foto het artikel
van Dirk Baaiman). Dat deze foto’s bewaard
zijn gebleven mag wel een wonder heten. De glasnegatieven
werden namelijk vorig jaar, samen met
nog wat paperassen, gered liggend op de rand van
een glasbak in Laren. De Larense kringloopwinkel
stond op het punt de glasnegatieven in de glasbak
te gooien, toen de heer B.W. Treijtel uit Ilpendam
toevallig langskwam en vroeg of hij ze mocht hebben.
Hij drukte ze uit nieuwsgierigheid af en zag
dat het om afbeeldingen van Zwolle ging. In juli
2001 schonk hij 30 glasnegatieven aan het Historisch
Centrum Overijssel. Uit documentatie blijkt
dat de foto’s tussen 1910 en 1915 zijn gemaakt door
de Amsterdamse arts Peter Heinrich Gerhard van
Gilse (geb. Leer, Duitsland, 1881). De glasnegatieven
zaten in de inboedel van één van zijn dochters,
die na haar overlijden bij een Larense kringloopwinkel
terechtkwam. Een aantal van deze geredde
foto’s was op de tentoonstelling in de Grote Kerk
te zien.
Thorbeckegracht 28, woonhuis familie Van Gilse,
1897 -1923
Op 28 november 1890 kwam Alexander Gerhard
van Gilse (geboren Amsterdam 1847) met zijn
echtgenote Henriette Johanne Brouër (geboren
Leer, Duitsland, 1858) en hun zoon Peter Heinrich
Gerhard van Gilse (geboren Leer, Duitsland, 31
mei 1881) vanuit Leer naar Zwolle. Op 18 december
1891 werd in Zwolle dochter Maria Anna geboren.
A.G. van Gilse was van 1890 tot 1923 werkzaam
als predikant van de Zwolse Doopsgezinde
Gemeente. Het gezin woonde aanvankelijk aan de
Schellerweg, van 1897 tot 1923 aan de Thorbeckegracht
28 (op de begane grond zit nu het Grenen
Meubel Centrum). Zoon P.H.G. van Gilse vertrok
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
in september 1900 naar Amsterdam om medicijnen
te studeren. Op 30 juni 1910 trouwde hij,
inmiddels arts geworden, met de uit Haarlem
afkomstige Julie van West, eveneens arts. Tussen
1910 en 1915 maakte P.H.G. van Gilse in Zwolle een
serie opnamen in en om het ouderlijk huis Thorbeckegracht
28; van zijn vader in de woonkamer,
van zijn zuster Maria Anna aan de studie, van het
uitzicht op de pakhuizen aan de Waterstraat, van
een familie-uitstapje naar de Agnietenberg. Maria
Anna van Gilse vertrok in oktober 1910 naar
Utrecht om daar rechten te studeren. In november
1913 liet zij zich weer in Zwolle inschrijven. Op
14 december 1922 trouwde zij te Hilversum met
Evert van Bolhuis. A.G. van Gilse en zijn vrouw
verhuisden in juli 1923 naar Hilversum.
Afbeelding 11: woonkamer Thorbeckegracht
28, Alexander G. van Gilse zit aan een ronde tafel
op één poot. Erop ligt een tafelkleed met bladmotief.
Boven de tafel hangt een gaslamp. Voor de
schouw staat een bewerkte gietijzeren kachel.
Boven de schouw een rococo spiegel. Volgens
mededeling van mevrouw A.H.P. Viehof-van Bolhuis
kon deze spiegel opzij geschoven worden
waardoor een wandschildering met een pastoraal
landschap zichtbaar werd. In de hoek van de
kamer staat een grote kast, boven op de kast is een
beeldje zichtbaar. Op de vloer ligt parket, onder de
tafel ligt een wat versleten karpet. In de loop van
de tijd is er veel aan het interieur van Thorbeckegracht
28 verbouwd, de spiegel boven de schoorsteen
is verdwenen, maar de wandschildering is
nog intact.
Afbeelding 11: woonkamer Thorbeckegracht28, ca. 1910-1915 (foto: P.H.G. van
Gilse, collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolse interieurs nader bekeken
Dirk Baaiman
Afbeelding 1: werkkamer
van advocaat en
procureur mr. dr. J.G.
Stenfert Kroese, Koestraat
10, ca. 1923 (collectie
HCO)
Als spin-off van de fototentoonstelling ‘100
jaar Zwolse wooninterieurs’, die van 8 september
tot 8 oktober 2001 in de Grote Kerk
te zien was, hield Dirk Baaiman op 28 september
2001 in het Zwols Historisch Café een korte presentatie
over Zwolse interieurs. Hij was daartoe
uitgenodigd door het bestuur van de Zwolse Historische
Vereniging. Baaiman selecteerde uit de
tentoonstelling veertien foto’s en vertelde aan het
verzamelde publiek wat hem als architectuurhistoricus
bij het bekijken was opgevallen. Het hiernavolgende
is een bewerking van zijn presentatie*.
Werkkamer van advocaat en procureur mr. dr.
J.G. Stenfert Kroese, Koestraat 10, circa 1923
Afbeelding 1: deze foto is heel fascinerend omdat
het interieur, in plaats van uit 1923, ook uit 1892
had kunnen dateren. Alleen de elektrische lamp,
de telefoon en het pak van de heer Stenfert Kroese
wijzen erop dat de foto van een latere datum dan
1892 moet zijn. De degelijkheid van het pak moet
een vorm van waardigheid oproepen, evenals het
bureau waarachter Stenfert Kroese zit. Het is een
bureau in de stijl van de Hollandse neorenaissance,
getimmerd in de jaren 1883-1886 toen deze stijl
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
in Nederland in de mode was. De stoel waarop hij
zit, heeft gedraaide poten en past door zijn neozeventiende-
eeuwse stijl bij het bureau. Uit de verschillend
gedraaide poten blijkt dat de meubels
niet in één stijl zijn ontworpen. Het bureau is niet
gepolitoerd en gepolijst, maar bovenop ligt een
glasplaat, een innovatie, want toen het bureau
eind negentiende eeuw gemaakt werd, werd een
vloeiblad gebruikt om de oneffenheden van het
houten blad te maskeren. De telefoon is ook een
noviteit. Opmerkelijk is de draad ervan, die vanaf
het plafond naar beneden komt zakken. Stenfert
Kroese wilde de draad kennelijk niet over de vloer
hebben. De vloer is belegd met parket, met daaroverheen
een geknoopt tapijt. Aan de planken van
de boekenkast zijn met koperen spijkers stofstroken
bevestigd, een uitermate nuttige voorziening
(om te voorkomen dat stof zich op de boeken nestelt),
die iedereen nu echter lelijk vindt. De haard
in de kamer werd ’s zomers aan het gezicht onttrokken
door een gordijntje. In de kamer bevindt
zich nog een bijzondere houten stoel, naast het
bureau. In de rugleuning zijn de letters ‘IHS’
gegraveerd. De letters zijn een afkorting van ‘In
Hoc Signo’: een nieuwtestamentische term voor
het kruis van Christus: ‘In dit teken (zult gij overwinnen)’.
Dat betekent dat de stoel niet gemaakt is
voor de kamer van Stenfert Kroese, maar afkomstig
is uit bijvoorbeeld een kerk of een pastorie. De
fotograaf heeft voor de opname vermoedelijk in
de deuropening van de kamer gestaan, als het ware
in de positie van de bezoeker, in de as van de
kamer, net als het indrukwekkende bureau en
Stenfert Kroese zelf.
Interieur dokter Evert Klinkert, later dokter B.J.
Kam, Koestraat 22, omstreeks 1926 en in 1987
Afbeelding 2 toont de werkkamer van dokter Klinkert
omstreeks 1926. Elementen daaruit zijn de
vulkachel en de natuurstenen schoorsteen, rechts
staat een uit het derde kwart van de negentiende
eeuw daterende kolommenkast, met prachtige
Ionische kolommen, links een cilinderbureau uit
het midden van de negentiende eeuw of later.
Afbeelding 2: werkkamer
dokter Evert
Klinkert, Koestraat 22,
omstreeks 1926 (foto
Eelsingh, collectie
HCO)
16 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeeldingy. woonkamer
dokter Evert
KMnkert, Koestraat 22,
omstreeks 1926 (foto
Eelsingh, collectie
HCO)
Het is heel zeldzaam wanneer je over foto’s van
één en hetzelfde vertrek uit verschillende periodes
beschikt. Dit is het geval bij een aantal vertrekken
in Koestraat 22.
Afbeelding 3 toont de woonkamer omstreeks
1926. Links bevindt zich een buffetkast. Oorspronkelijk
was de buffetkast bedoeld om het eten op uit
te stallen, als het ware tentoon te stellen, voordat
het op tafel gezet werd. De buffetkast fungeerde
als een soort parkeerplaats tussen de keuken en de
tafel. In de kastjes boven en onder het buffet werden
het servies en andere tafelbenodigdheden
opgeborgen. Bij Klinkert heeft de buffetkast een
andere functie gekregen: het is een nutteloos
ornament geworden, een soort ‘bergkast’, waarop
familiefoto’s uitgestald kunnen worden. Bovenop
is een vijfdelig kaststel neergezet. In de vazen werd
misschien wel eens een bloemetje gezet, maar over
het algemeen werden de voorwerpen voor de sier
gekocht. Aan de wand bevindt zich een telefoon.
De kamerdeur is ongelukkig geplaatst: deze draait
de verkeerde kant op, het scharnier zit aan de
rechterkant en de deurknop zit in de hoek. De
deur moet helemaal opengeslagen worden voorbij
de buffetkast, voordat men de kamer kan betreden.
Onhandig.
Afbeelding 4 en 5 tonen de woonkamer in 1987:
in de jaren 1936-1937 zijn enkele vertrekken in
opdracht van Klinkert verbouwd door de meubelontwerper
en architect Gerrit Th. Rietveld (1888-
1964). In Zwolle staan twee werken van Rietveld:
het ene is het in 1957-1959 voor Schrale Beton ontworpen
pand Willemsvaart 21, dat momenteel
(2001) gerestaureerd wordt, het andere is Koestraat
22. De verbouwing door Rietveld van Koestraat
22 heeft vooral betrekking op interieuronderdelen.
Hij heeft geen grote verbouwingsingrepen
als muurdoorbraken uitgevoerd. Een interessant
onderdeel in het interieur (afbeelding 4) is de
losse kast aan de linkerkant, 2,55 meter lang, 55 cm
diep, 1,05 meter hoog (ik weet de maten zo precies,
omdat de kast bij mij thuis gestaan heeft). Bovenop
ligt een gegoten glasplaat van 2,5 cm dik, waarop
dokter Kam de familieportretten en kandelaars
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 4: woonkamer
dokter B.J. Kam,
Koestraat 22,1987 (collectie
Kam)
Afbeelding 5: woonkamer
dokter B.J. Kam,
Koestraat 22,1987 (collectie
Kam)
18 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 6: slaapkamer
dokter Evert
Klinkert, Koestraat 22,
omstreeks 1926 (foto
Eelsingh, collectie
HCO)
heeft neergezet. De schoorsteen, schouw en kachel
die zich oorspronkelijk in de woonkamer van
dokter Klinkert bevonden, zijn gesloopt. Tegen de
nu vlakke wand staat een negentiende-eeuwse
vitrinekast (afbeelding5). De stoelen aan weerszijden
dateren uit de achttiende eeuw. De deur is
blijven zitten en draait nog steeds de verkeerde
kant op.
Afbeelding 6: foto slaapkamer, 1926. Het litsjumeaux
(stel van twee gelijke éénpersoonsledikanten
naast elkaar) is, net als het bureau van
Stenfert Kroese, in Hollandse neorenaissancestijl
uitgevoerd, herkenbaar aan de diamantknoppen
en de frontonnetjes op het hoofdeinde van de beide
bedden. In de hoek van het plafond en de wand
is een kleine platte stuclijst te zien, die in het
behang op de strook en op het plafond met schildering
is aangevuld. De deur bevindt zich ongeveer
twee meter uit de hoek en staat open. Rechts
bevindt zich in de hoek, bijna onzichtbaar in het
behang, nog een tweede deur die toegang gaf tot
een alkoof. Opvallend is de ophanging van de
schilderijen vlak onder het plafond.
Afbeelding y. foto slaapkamer, 1987. Bij de verbouwing
heeft Rietveld de bijna onzichtbare deur
naar de alkoof zichtbaar gemaakt. Het is duidelijk
dat het hier om een dubbele wand gaat. Bij het
wegbreken van de voorwand is een nis ontstaan,
waarin het tweepersoonsbed staat. Voor de symmetrie
is aan de linkerkant van de nis een kast
gemaakt. Naast de slaapkamerdeur links staat een
boekenkast (niet door Rietveld, maar later, in
opdracht van dokter Kam, door een gewone timmerman
gemaakt) die precies in de hoogte en
breedte van het interieur past. De kachel is verdwenen.
Onder het blad van de schoorsteenmantel
staat een kastje dat dokter Kam op maat heeft
laten maken. Het kastje heeft precies de breedte
van de schoorsteen en maakt daardoor het gat van
de schoorsteen onzichtbaar.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De verbouwing van Koestraat 22 is uitgevoerd
in de zakelijke stijl van de jaren dertig. Rietveld
behoorde tot de ‘Stijl’-groep. De Stijl vermeed
principieel elke niet-nuttige vorm, er werd ruimte
geschapen door alles zoveel mogelijk open te houden.
De achtergevel van het pand Koestraat 22 is
door Rietveld nogal drastisch aangepakt. Oorspronkelijk
was het een prachtige gevel met drie
vensters en mooi lijstwerk. Rietveld verving deze
door stalen ramen in een vlak gestucte gevel. Dat
zouden we nu niet meer doen, maar omdat het
‘een Rietveld’ is, moeten we het toch maar laten
zitten.
Interieur Lijsterbesstraat 33,1956
De Lijsterbesstraat loopt van de Assendorperstraat
naar de Goudsbloemstraat. De woningen aan Lijsterbesstraat
– Goudsbloemstraat en Leliestraat
werden gebouwd in 1928 naar een ontwerp van
architect H.W.T. Schoenmaker. De woning Lijsterbesstraat
33 ligt in de hoek Lijsterbesstraat –
Goudsbloemstraat. De voordeur bevindt zich aan
de Lijsterbesstraat, terwijl de woon- en eetkamer
aan de Goudsbloemstraat gelegen zijn. Een verklaring
voor de vreemde indeling van de woning is
waarschijnlijk dat het oorspronkelijk een woonwinkelhuis
moest worden. Zo was de voordeur de
deur van een winkel, de hal was enorm groot, de
gang was zes meter lang en twee meter breed. De
foto’s zijn gemaakt voor een familielid in Venezuela,
om te laten zien hoe het interieur er uit zag in
de Lijsterbesstraat.
Afbeelding 8: moeder en dochter zitten een
beetje geposeerd voor de foto, met een tijdschriftje
in een fauteuil. Het portret van de dochter aan de
muur is geschilderd door een leerling van Stien
Eelsingh. Opvallend zijn de interieuronderdelen
die iedereen wel kent, zoals de worteldoek aan de
schoorsteen. Iedereen had vroeger zo’n doek aan
de muur. Het verwijderen van stof uit de plooien
was een moeilijk werkje. Daarom werd de doek
maar één keer per jaar van de muur genomen, om
uitgeklopt of gestofzuigd te worden. Andere
onderdelen zijn de televisie (heel nieuw in 1956!)
Afbeelding 7: slaapkamer
dokter BJ. Kam,
Koestraat 22,1987 (collectie
Kam)
20 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 8: zitkamer
Lijsterbesstraat 33,1956
(particuliere collectie)
Afbeelding 9: eetkamer
Lijsterbesstraat 33,1956
(particuliere collectie)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 21
en de sanseveria. (Aan de sanseveria heb ik nog
persoonlijke herinneringen. In de jaren vijftig
woonde ik als kind op Curacao. Daar is de sanseveria
een onkruid, dat wel meters hoog kan worden
en met een kapmes verwijderd wordt. Toen
we weer in Nederland kwamen, zag ik bij mijn
oma dat dat onkruid hier als kamerplant in de
vensterbank stond).
Afbeelding 9: opmerkelijk is verder dat het een
kamer en suite betreft; de woonkamer en de eetkamer
worden gescheiden door schuifdeuren met
komgrepen en kasten met panelen. De bewoners
waren echter helemaal niet geïnteresseerd in een
kamer en suite, want de doorgang is volledig
gebarricadeerd door een kastje en een stoel. Interessant
is dat men in de volkswoningbouw zo’n
kamer ensuite maakte en zorgde dat de kamers
goed op elkaar betrokken werden, maar dat de
bewoners in het gebruik liever gewoon twee aparte
kamers wilden, omdat de eetkamer veel meer
een relatie met de keuken heeft dan met de zitkamer.
Afbeelding 10: keuken Lijsterbesstraat 33,1956.
De foto’s op de tentoonstelling gaven interessante
informatie over de ontwikkeling van de keuken.
Op de foto van de keuken in de Lijsterbesstraat
zien we een schouw. Dat betekent dat er een trekgat
is voor de afzuiging, er is geen ventilatiekap of
ventilator. Er staat een tweepits gasstel op een
plank boven een nis met een plank of spijlen om
wat op te bergen. Daarvoor is een praktisch gordijntje
bevestigd, iets wat we tegenwoordig niet
meer doen. Rechts is een aanrecht van granito, liggend
op keukenkastjes die, net zoals de bovenkastjes,
speciaal voor het project zijn gemaakt. De
seriegrootte van de keukenkastjes en de aanrechtkastjes
is de seriegrootte van de twintig woningen
die in 1928 aan de Lijsterbesstraat-Goudsbloemstraat-
Leliestraat werden gebouwd. Het zijn dus
geen standaardproducten, zoals we die tegenwoordig
bij bouwmarkten kopen. De granitowerker
kwam in de keuken om ter plekke het granito
aanrecht te maken. In die tijd was het heel
gewoon, maar wie tegenwoordig een granitowerker
in zijn keuken een aanrecht wil laten maken,
zit al gauw in de topklasse van de keukens.
Keuken in het Vrouwenhuis, jaren vijftig
Afbeelding 11: het eeuwenoude Vrouwenhuis, gelegen
aan de Melkmarkt, Korte Kamperstraat en
Voorstraat, bestaat uit een aaneenschakeling van
vertrekken en gangen. Dit keukentje is in de jaren
vijftig ingebouwd in een zitslaapkamer in het
Vrouwenhuis. Nu is het één van de stijlkamers:
Afbeelding 10: keuken
Lijsterbesstraat 33,1956
(particuliere collectie)
22 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding u: keuken in
het Vrouwenhuis,
Melkmarkt 53, jaren
vijftig (foto S. Zwiers,
collectie Vrouwenhuis)
Afbeelding 12 en 13: keuken
aan de Molenweg,
voor en na de renovatie,
ca. 1980 (collectie HCO)
het is een onvermoed origineel interieur uit de
jaren vijftig. De kamer werd in die jaren bewoond
door een oudere dame, de aanwezige meubels vertonen
niet de moderne stijl die Goed Wonen in
die jaren propageerde. Het keukentje is een
Bruynzeel keuken, een standaard product, met
standaard kastjes en een standaard aanrechtblad
dat niet van granito, maar van een soort cementplaat
of een bepaald betonachtig mengsel is
gemaakt. Deze platen werden pre-fab gemaakt en
in de ruimte op de kastjes gemonteerd.
Keuken aan de Molenweg, voor en na de renovatie,
circa 1980
Afbeelding 12: vóór de renovatie stond er een keuken
in de seriegrootte van de woningen die in de
jaren dertig aan de Molenweg werden gebouwd.
De keuken werd speciaal voor het project op maat
gemaakt, met een granito aanrechtblad dat ter
plekke werd gestort. De enkele kraan boven de
gootsteen getuigt nog van de tijd dat er alleen
koud stromend water was. In de planken vloer is
een luikje gemaakt. Verder had de keuken een
schouw met een natuurlijke trek.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Afbeelding 13: de kwaliteiten van zo’n ouderwetse
keuken worden duidelijk, als we deze vergelijken
met de standaard keuken na de renovatie.
Nieuw is de gasgeiser. Het roestvrijstalen aanrecht
is misschien wel praktisch, maar om het mooi te
houden moet je je een ongeluk poetsen. De volslagen
liefdeloosheid waarmee een leiding aan de
muur is bevestigd en waar men de rest van zijn
leven tegenaan moet kijken, spreekt van een
gewijzigde opvatting over ‘ambacht’.
Studeerkamer en slaapkamer van Maria Anna
van Gilse, Thorbeckegracht 28, circa 1910 -1915
Afbeeldingen 14 en 15: Maria Anna van Gilse, dochter
van een Zwolse doopsgezinde predikant, studeerde
van 1910-1913 rechten te Utrecht, kwam
daarna weer terug in Zwolle en woonde tot haar
huwelijk in 1922 bij haar ouders op de Thorbeckegracht
28 (zie ook het artikel van Jeanine Otten).
Haar broer Peter van Gilse fotografeerde haar studerend
achter haar bureau en in haar slaapkamer.
De eerste foto toont een studerende jonge
vrouw, modern gekleed, in een modern interieur.
Het bureau in de studeerkamer is door de sobere
decoratie omstreeks 1905-1906 te dateren. De uitvoering
staat in groot contrast met het bureau van
Stenfert Kroese uit het midden van de jaren tachtig
van de negentiende eeuw.
De foto van Maria Anna in haar slaapkamer
toont haar zittend op haar ledikant. Het ledikant
is strak vormgegeven en sober geornamenteerd,
met in de hoeken een motief bestaande uit een
paar lijnen. Dit motief komt ook voor op de wastafel
met marmeren blad, waarop een lampetkan
staat, op het handdoekenrek en op de kledingkast
die nog juist in de spiegel zichtbaar is. Opvallend
is verder de vloerbedekking in de studeerkamer en
de slaapkamer. In de slaapkamer ligt een kleed en
in de studeerkamer een (in die tijd heel moderne)
biezen mat.
* Bewerking door Jeanine Otten van bandopname
28 september 2001.
Afbeelding 14: studeerkamer
van Anna Maria
van Gilse, Thorbeckegracht
28, ca. 1910 -1915
(foto P.H.G. van Gilse,
collectie HCO)
Afbeelding 15: slaapkamer
van Anna Maria
van Gilse, Thorbeckegracht
28, ca. 1910 -1915
(foto P.H.G. van Gilse,
collectie HCO)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Zwolse glazenmakersgilde in 1807
Wim Huijsmans, Otto
Schutte, Jean Streng A;an het schilderij van Adrianus Hulsbergen
(1755-1827) waarop hij de leden, zichzelf
-incluis, van het Zwolse glazenmakersgilde
vastlegde, is reeds in diverse publicaties aandacht
besteed. Terecht, want het is een bijzonder schilderij.
Het is het enige groepsportret van Zwolse
middenstanders. De aanleiding was ook bijzonder:
het herstel van de gilden in 1807 nadat ze in
1798 waren opgeheven. In de praktijk hadden de
gilden in afwachting van nadere wetgeving trouwens
een sluimerend bestaan geleid. De heroprichting
was te danken aan de hier uit Frankrijk
gedropte koning Lodewijk Napoleon, die het overigens
goed met dit voor hem vreemde land en
zijn bewoners voor had.
Het Zwolse glazenmakersgilde in 180/, groepsportret door Adrianus van Hulsbergen; hij beeldde zichzelf af staand uiterst links. Tussen de
staande heren aan de rechterkant valt nog het restant van de hoge hoed te ontwaren van een ‘weggemoffelde’persoon. Uiterst rechts
staat, zonder hoed, een (onbekende) knecht. (Collectie Stedelijk Museum Zwolle)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De leden van het glazenmakersgilde schematisch weergegeven: 1. Johannes van Otten 2. Nicolaus terMeulen
3. Klaas Voskuil 4. Jan Bouwmeester 5. Matthijs Hoefman 6. Adrianus Hulsbergen 7. Johannes Vernhout
8. Leendert Parkementis 9. Evert Veenhuizen.
De gilden in het hele land waren over het herstel
van hun organisaties zeer te spreken, al waren
er in de nieuwe reglementen beperkingen opgenomen
die voorheen niet golden. Met groot enthousiasme
vatte men overal de onderbroken
continuïteit weer op. Het glazenmakersgilde vond
het herstel belangwekkend genoeg om het in een
collectief (zelf)portret vast te leggen. De gildeleden
keken daarbij niet op een vierkante centimeter:
het schilderij meet liefst 180 bij 235 centimeter.
De geportretteerden zitten of staan rond
een tafel met paperassen en ieder draagt een zelfde
deftige hoge hoed. Sommigen roken een lange
pijp. Alleen de knecht is zonder hoed, want waar
zou het zonder sociaal onderscheid met de wereld
heengaan? Duidelijke hoofdletters die het belangrijke
momentum eens benadrukken, bejubelen
het heugelijke feit:
GLAZEMAKERS GILD HERBOREN
DAT VERNIETIGD WAS TE VOREN
WEER HERSTELD IN ZYN GEHEEL
ADRIEANUS KUNST PENSEEL
SCHILDERT ACHTIENHONDERDZEVEN
DEZE LEDEN NAAR HET LEVEN
DIE ZOO ALS MEN EERTYDS PLAG
NU WEER HOUDEN GILDEDAG
Nieuw licht
Maar dit is allemaal bekend, waarom dit schilderij
dan toch opnieuw tot onderwerp van een
beschouwing gemaakt? Nader genealogisch
onderzoek door Otto Schutte bracht meer over de
afgebeelde leden van het gilde aan het licht. Wim
Huijsmans bekeek het schilderij kritisch en wist
een niet-afgebeeld of beter gezegd weggemoffeld
gildelid te identificeren.
26 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Bovendien is inmiddels bekend dat Adrianus
Hulsbergen een stiefbroer had die ook kunstschilder
was, en wel in Friesland. Deze Christoffel
Frederik Franck werd te Zwolle op 4 mei 1755 in de
Lutherse kerk gedoopt. Hij was de zoon van
Christiaan Franck (Vrancke) en Hendrika van
Doesburg. Hendrika hertrouwde in 1772 met de
weduwnaar en timmerman Lambertus Hulsbergen,
de vader van Adrianus. Na de dood van
Christoffel in 1821 werd Adrianus de enige erfgenaam
van zijn nalatenschap. Adrianus ontving
schilderijen, tekeningen, prenten, een schildersezel,
een lessenaar, teken- en schildermateriaal,
een tabaksdoos, een dwarsfluit, een paar zilveren
broeksgespen en wat kleding. De schilderijen
betroffen afbeeldingen met landschappen, portretten,
een boerenkermis, een heremiet, de verrijzenis
van Christus, een Maria en een armoedig
gezin. Wat Adrianus met de schilderijen heeft
gedaan is onduidelijk, vermoedelijk heeft hij ze te
Zwolle verkocht.
De gildeleden
Op het schilderij van Hulsbergen staan de volgende
personen afgebeeld:
1. Johannes van Otten werd op 24 september
1747 in Zwolle gedoopt. Hij trouwde in Zwolle op
7 juni 1773 met Jantje Stolte en op 6 mei 1819
wederom in Zwolle met Aartje Nouland. Johannes
stierf in Zwolle op 1 juni 1832. Hij was verver en
glazenmakersbaas.
2. De rooms-katholieke Nicolaus ter Meulen
werd op 29 november 1740 in de statie van de Koestraat
gedoopt. Hij was de zoon van de molenaar
Johannes ter Meulen en Johanna Kops. Nicolaus
huwde twee maal in Zwolle. De eerste keer op 20
mei 1776 met Johanna Paschala Tidink en
opnieuw op 8 februari 1795 met Anna Maria van
Berkum. Zijn beroep was verver, glazenmakersbaas
en schilder. Nicolaus stierf op 21 juni 1816 in
Zwolle.
3. Op 27 september 1767 lieten de kleermaker
Arent Voskuil en zijn vrouw Lamberta Pasman in
de Grote Kerk hun zoontje Klaas dopen. Deze
Klaas zou als verversknecht beginnen om als verver,
glazenmaker en schilder zijn loopbaan te vervolgen.
Klaas maakte ook aquarellen; in het Stedelijk
Museum Zwolle wordt er een bewaard. Op 23
november 1789 huwde Klaas in Zwolle met Johanna
Weemhof. Hij stierf in zijn geboorteplaats op
28 juli 1842.
4. Jan, de zoon die de schilder Klaas Bouwmeester
en zijn vrouw Arentien van Arriën op 16
september 1756 lieten dopen, zou hetzelfde vak als
zijn vader kiezen. Jan verdiende gedurende zijn
leven de kost als verver en glazenmakersbaas. Op 8
augustus 1791 huwde hij in de Bethlehemse kerk
met Anna Gesiena van Engelen. Op 28 september
1813 stierf Jan in Zwolle.
5. Matthijs Hoefman werd op 30 mei 1765 in de
Grote Kerk gedoopt. Hij was de zoon van Jan
Hoefman en Willemina Stuul. Bij zijn huwelijk in
de Bethlehemse kerk met Jacoba Erdtsiek op 17
mei 1790 was hij nog verversknecht. Spoedig daarna
werd hij verver en glazenmakersbaas. Hij stierf
in Zwolle op 1 april 1821.
6. Het bekendste personage in dit groepsportret
is de reeds vaker genoemde Adrianus Hulsbergen,
de maker van dit schilderij. Hij werd in
Nijmegen gedoopt op 30 maart 1755 als zoon van
de timmerman Lambertus Hulsbergen en Berendina
van der Linde. Adrianus was aanvankelijk als
fijnschilder en meesterschilder lid van het schildersgilde,
maar na een verzoek aan de magistraat
mocht hij zich inschrijven in het glazenmakersgilde.
Hij meende als verver en glazenmakersbaas
beter voor zijn huishouding te kunnen zorgen.
Adrianus huwde driemaal. De eerste keer op 8
april 1776 in Zwolle met linnennaaister Ida Bouwman.
De tweede maal in het afgelegen Koekange
op 6 november 1791 met de dienstmeid Hendrikje
ten Oever of Oeven. Tenslotte huwde hij in Zwolle
op 16 oktober 1817 met de veel jongere Gesina Platel.
Zij was in 1788 als dochter van de looiersknecht
Simon Platel en Antonia Nieuwmeijer geboren.
Adrianus stierf op 31 mei 1827 als aanspreker. Gesina
overleefde haar man bijna vijftig jaar, zij stierf
in 1875.
7. Te Zwolle lieten Hendrik Jan Vernhout en
Rebekka van den Berg op 28 september 1749 hun
zoon Johannes dopen. Zijn leven lang was hij verver
en glazenmakersbaas. In Wezel huwde hij op
19 augustus 1781 met Geertruid Anthonetta
Rochel. Johannes stierf op 31 mei 1813 in Zwolle.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
8. Antonij, de bierdrager met de deftige achternaam
Parkementis liet op 29 mei 1768 zijn zoon
Leendert in de Broerenkerk dopen. Hij was volgens
het doopregister getrouwd met Jacoba van
Uunen, vermoedelijk een verschrijving want ze
komt als Jacoba van Neuringen in andere bronnen
voor. Leendert verdiende overigens niet met het
bewerken van lamsvellen zijn brood, maar als
schilder en glazenmaker. In de Grote Kerk huwde
hij op 11 mei 1794 met Zwaantje Hassink. Leendert
stierf in Zwolle op 15 mei 1837. Hij was toen de
echtgenoot van Johanna Gesina Weenink.
9. Op 21 juni 1806 werd Evert Veenhuizen
kleinburger van Zwolle. Hij was op 28 april 1776 in
Wijhe geboren als zoon van de schilder Jan Veenhuizen
en Angenis Voerman. In Zwolle zette Evert
het beroep van zijn vader voort. In dezelfde stad
huwde Evert op 25 mei 1806 met Petronella Broekhuizen
en stierf hij op 13 december 1849.
Weggemoffeld
Wanneer je het schilderij van het glazenmakersgilde
bekijkt, lijkt het net of er een persoon is verwijderd.
Een restant van zijn hoge zwarte hoed is nog
zichtbaar, en het is duidelijk dat de aanwezigheid
van een persoon op juist die plek het totaalbeeld
evenwichtiger zou maken.
Wat zou de reden kunnen zijn? Wie was dit
weggemoffelde gildelid?
De meest voor de hand liggende verklaring
zou kunnen zijn het overlijden van een glazenmaker
op het moment dat Adrianus aan het schilderij
werkte. Deze glazenmaker zou dan in 1807 gestorven
moeten zijn, omdat het schilderij in dat jaar
voltooid werd. Een archiefstuk met een opgave
van de glazenmakers en ververs uit het begin van
de negentiende eeuw is helaas niet bewaard gebleven.
Onderzoek in de begraafboeken had uitsluitsel
kunnen geven, maar leverde jammer genoeg
niets op omdat het beroep niet altijd vermeld
werd. Dankzij het kaartsysteem van het voormalige
Gemeentearchief Zwolle (inmiddels opgegaan
in het HCO) was het toch mogelijk verder te zoeken.
Dat kon door in de rubriek ‘hoedanigheden’
de fiches met ‘glazenmaker’ en ‘verver’ door te
nemen. Van hen zou er een voor december 1807
overleden moeten zijn om in aanmerking te
komen. Uit de periode rond 1800 leverde dat een
dertigtal namen van glazenmakers en ververs op.
Een van deze dertig personen zou dus in 1807
overleden moeten zijn.
Inderdaad was er in september 1807 ene Peter
van Santen overleden. Hij was 34 jaar oud en
woonde in de Smeden, zonder vermelding van
zijn beroep. Met grote waarschijnlijkheid is hij de
op het schilderij weggemoffelde persoon. De
opdrachtgevers wensten blijkbaar dat bij het herstel
van de gilden alleen de levende gildeleden op
het schilderij werden afgebeeld.
Peter van Santen werd op 11 juni 1773 katholiek
gedoopt in de statie in het Hoornsteegje als Petrus,
zoon van Jacob van Santen en Maria Fortuin. Hij
trouwde op 15 mei 1799 in Zwolle met Hendrica
Tentman, die op 29 mei 1805 overleed en in de
Broerenkerk werd begraven. Uit dit zesjarig huwelijk
ontsproten geen kinderen. Op 28 juli 1806
werd aan Peter – evenals aan de andere afgebeelde
personen – patent verleend om het beroep van
verver en glazenmaker uit te oefenen. Als baas of
meester betaalde hij daarvoor vier gulden. De glazen
makersknechten en verversknechten waren
voor dit patent een gulden kwijt. Slechts korte tijd
heeft hij van dit recht kunnen genieten. Hij overleed
op 4 september 1807 en werd vier dagen later
’s avonds om 10 uur in de Broerenkerk bij zijn
vrouw begraven. Voor het luiden van de klokken
betaalden zijn erfgenamen twee gulden en 16 stuivers,
waaruit een zekere gegoedheid valt af te leiden.
Bronnen en literatuur
Historisch Centrum Overijssel: de( generale index Zwolle
en het patentregister uit 1806.
E.A. van Dijk, ‘Hulsbergen, Adrianus (1755-1827) ku’fistschilder’,
in: Overijsselse biografieën 2, Meppel-Arn^
sterdam 1992,76-79.
E.A. van Dijk, Schilders in Zwolle, Zwolle 1993,34-35.
A. Meddens-van Borseen, ‘Christoffel Frederik Franck
(1755-1816). Een veelzijdig kunstschilder in Friesland’,
in: Fryslan 6 (2000), 22-25.
J.C. Streng, Vrijheid, gelijkheid, broederschap en gezelligheid.
Het Zwolse Sint Nicolaasgilde tijdens het ancien
régime, Hilversum 2001,157-178.
28 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boekbesprekingen
Hilde van Wijngaarden, Zorg voor de kost. Armenzorg,
arbeid en onderlinge hulp in Zwolle 1650 -1700.
Prometheus/Bert Bakker, Amsterdam 2000.
ISBN 90 5333 9671- 346 pagina’s. Prijs ƒ 52,75.
De tekeningen van Gesina ter Borch en haar
broers of van Gerrit en Jan Grasdorp behoren tot
de bekendste beelden van het zeventiende-eeuwse
Zwolle. De levendige en realistische figuurtjes van
mannen, vrouwen en kinderen vormen scènes uit
het straatleven waarmee het stadsbeeld, dat we van
de topografische schilderijen en prenten zo goed
kennen, kan worden ingevuld. De ventsters, werklieden
en straatschoffies blijven echter naamloos;
het zijn tenslotte geen portretten.
Toch kunnen we sinds kort een veel beter idee
krijgen van het dagelijks geploeter van deze mensen
aan de arme kant van de Gouden Eeuw. Hilde
van Wijngaarden heeft ze dichterbij gebracht met
haar studie over de armenzorg, waarop ze vorig
jaar in Groningen promoveerde en waarvoor ze in
2000 terecht de Prijs voor de Zwolse Geschiedenis
ontving. Dat ze deze studie heeft kunnen uitvoeren
was behalve aan haar eigen motivatie te danken
aan twee factoren: de inpassing in een landelijk
onderzoeksproject en de aanwezigheid van
uniek archiefmateriaal. Het feit dat er in het Zwolse
gemeentearchief bedeeldenregisters, visitatiebcjeken
en registers van andere uitdelingen zoals
kleding en turf uit ongeveer dezelfde periode
bewaard zijn gebleven, maakte het mogelijk om
een groot aantal mensen gedurende langere tijd te
volgen.
Zwolle was in de tweede helft van de zeventiende
eeuw de grootste stad van Overijssel geworden
met 11 a 12.000 inwoners. Daarvan werd ongeveer
zes procent bedeeld, dat wil zeggen dat deze
min of meer structureel steun ontving van de
Stadsarmenkamer. Dit is in vergelijking met andere
steden tijdens de Republiek geen extreem hoog
aantal, waarbij overigens wel moet worden gezegd
dat de gegevens en de interpretatie ervan vaak heel
verschillend en vooral onzeker zijn. Zo rekenden
de Zwolse armbestuurders niet per huishouden –
alle mensen die in één huis woonden – maar per
gezin. Een moeder en een bij haar inwonende volwassen
dochter konden dus ieder afzonderlijk
steun ontvangen omdat zij ieder als ‘gezin’ werden
beschouwd. Hilde van Wijngaarden volgt deze
redenatie en komt zo, anders dan in veel vergelijkbare
studies, tot een realistischer beeld van de
zeventiende-eeuwse werkelijkheid.
Het boek is systematisch opgezet en volgt een
vrij strak schema. Dit heeft het grote voordeel, dat
de verschillende aspecten van de armenzorg helder
kunnen worden uiteengezet en dat op deze
manier ondanks het unieke materiaal toch een
vergelijking kan worden gemaakt met de situatie
in andere steden. Nadeel is, dat de mensen zelf wat
achter de theorie verborgen blijven, al raakt men
in de loop van het boek met sommigen van hen
wel enigszins vertrouwd. Nu en dan gunt de
schrijfster ons doorkijkjes a la Van Deursen in het
echte doen en laten van de hoofdpersonen, die
doen verlangen naar meer. Maar het schrijven van
een collectieve biografie was natuurlijk niet het
oogmerk van haar studie. Dat we ons nu een veel
diepgaander voorstelling kunnen maken van de
armenwoninkjes in de Broerentrans dan de
bekende tekening van Gerrit Grasdorp (afgebeeld
op p. 228) is tenslotte al geen geringe verdienste.
Zoals de titel al aangeeft, behandelt Hilde van
Wijngaarden drie aspecten van de armenzorg. Na
een heldere inleiding over armoede in het algemeen
en het dagelijks leven in het zeventiendeeeuwse
Zwolle gaat zij allereerst in op de organisatie
en het functioneren van de armenzorg. De
Stadsarmenkamer, gevestigd in de later afgebroZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ken verbinding tussen Bethlehemsekerk en Refter,
had in beginsel de zorg voor alle Zwollenaren die
beneden het bestaansminimum dreigden te
komen. Daarbij werd geen onderscheid gemaakt
tussen officiële burgers en inwoners; een goede
reputatie, een langdurig verblijf en eventuele
vroegere verdiensten voor de stad waren belangrijker.
Er bestond ook toen waarschijnlijk al een
uitgebreide informele netwerkstructuur, waarvan
nu en dan sporen terug te vinden zijn in de beslissingen
over het al dan niet verlenen van steun.
Ook de religie speelde in beginsel geen rol. De
gereformeerde diaconie was bij de armenkamer
ondergebracht en lidmaten kregen vaak wel iets
extra’s. Maar aan de andere kant kon ook de voorspraak
van een pastoor van een van de schuilkerken
er toe leiden, dat een katholieke arme een uitkering
van de stad ontving.
Het tweede aspect dat aan de orde komt is dat
van de arbeid. Dit levert nu en dan zeer directe
confrontaties op met de echte strijd om het
bestaan. Dat geldt bijvoorbeeld voor de kinderarbeid.
Vergelijking met de algemene situatie in de
zeventiende eeuw blijkt heel slecht mogelijk,
omdat de stelling dat de economie toen mede
door de inzet van kinderen draaiende werd
gehouden niet gebaseerd blijkt te zijn op diepgaand
onderzoek. Het gegeven, dat Zwolse ouders
hun kinderen bewust weghielden van het speciaal
voor hun opgerichte werkhuis (dat mede daardoor
mislukte), lijkt erop te wijzen dat deze
exploitatie niet zo vanzelfsprekend werd gevonden
als historici wel denken. Kijken we hier soms
teveel door een negentiende-eeuwse bril? Een
ander gemis in dit deel van Zorg voor de kost is dat
van een goede sociaal-economische beschrijving
van Zwolle in de vroegmoderne tijd. Zoals veel
schrijvers moet ook Hilde van Wijngaarden terugvallen
op de inmiddels sterk verouderde onderzoeksgegevens
van Slicher van Bath. Zo is haar
stelling op pagina 163, dat de linnenindustrie in
Zwolle en Kampen ‘van weinig betekenis was’ in
verhouding tot die in Twente onhoudbaar, en
wordt deze trouwens door haar eigen gegevens
over de aantallen beroepsbeoefenaren gelogenstraft.
Een ander interessant aspect is dat van de
knopenmakerij. Deze huisindustrie, die vooral
door (arme) kinderen werd uitgevoerd, had in
Zwolle een enorme omvang aangenomen en de
vraag hoe dit mogelijk was kan niet direct worden
beantwoord. Mijn idee is, dat deze net als het sterk
verbreide schoenmakersvak een direct gevolg is
van de Zwolse veehandel. Knopen werden immers
gemaakt van been. Wellicht kan de archeologie
ons daar meer over vertellen.
Het laatste deel van Hilde van Wijngaardens
studie is gewijd aan de onderlinge hulpverlening.
Deze kon plaatsvinden onder verwanten, tussen
buren, dankzij bekenden maar ook via de al eerder
genoemde, in de bronnen vrijwel ongrijpbare,
informele netwerken. Dat hierover toch iets
gezegd kan worden is een voorbeeld van inlevingsvermogen
maar ook van minutieuze wetenschappelijke
interpretatiekunst. Zorg voor de kost
is daarmee een fraaie tegenhanger geworden van
Zwolle in de Gouden Eeuw door Jean Streng en
Lydie van Dijk. De geschiedschrijving zal er wel bij
varen.
Frits David Zeiler
ï
Woningen in de Broerentrans,
doorGerrit
Grasdorp (collectie Stedelijk
Museum Zwolle).
Afbeelding uit besproken
boek.
30 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Schnitgerorgel in de
Grote of Sint Michaé’lskerk.
Afbeelding uit
besproken boek.
J. Erdtsieck, M.P. Logtenberg en J.M. de Ruiter
(t), Koninklijke instrumenten rond de Peperbus.
Kampen (Stichting IJsselacademie) 2001.
ISBN 90-6697-132-0; prijs €20,40.
In de Hanzesteden Deventer, Kampen en Zwolle
kreeg de orgelbouwkunst in een vroeg stadium
een kans. Voor de orgelhistoricus zijn de oudste
archiefstukken over Zwolse orgels van groot
belang. Deze stukken hebben betrekking op de
Onze Lieve Vrouwe Kerk, de Grote of Sint
Michaëlskerk en de kloosterkerken.
Maarten Albert Vente, de eerste onderzoeker
in ons land die de orgelkunde op academisch
niveau beoefende, heeft velen gestimuleerd bij
orgelhistorisch onderzoek.1 Door zijn aanstelling
in 1958 als wetenschappelijk hoofdmedewerker
aan het Instituut voor Muziekwetenschap te
Utrecht werd het mogelijk de orgelkunst als verplicht
onderdeel in de studie van de muziekwetenschap
op te nemen. De laatste decennia zijn grote
vorderingen gemaakt op een terrein dat bij het
aantreden van Vente nagenoeg geheel braak lag.
Saillant detail is dat Vente kort voor zijn overlijden
kennis nam van de gewelfschilderingen in de
Broerenkerk, in het bijzonder de schildering die
het middeleeuwse orgel omlijstte.2 Van zijn hand
verscheen in 1971 het eerste boek van enige
omvang met beschouwingen over de Zwolse
orgelgeschiedenis.3 Recentelijk verscheen een
kloek boek onder de titel Koninklijke instrumenten
rond de Peperbus.
Dinsdagavond 11 december 2001 vond de presentatie
van dit boek plaats in de Grote of Sint
Michaëlskerk. Voor de muzikale omlijsting zorgde
organist Toon Hagen. De eerste twee exemplaren
werden uitgereikt aan de heer J. Berends, wethouder
van de gemeente Zwolle en aan de heer
J.M. Meulenkamp, directeur van Vestia Projectontwikkeling
BV.
In Koninklijke instrumenten worden de in de
Zwolse kerken, het conservatorium, de Isala klinieken
en het Zonnehuis aanwezige orgels
beschreven en middels een kleurenfoto afgebeeld.
Een hele klus, zeker als men zich realiseert dat het
fotograferen van orgels geen sinecure is wegens de
veelal ongunstige omstandigheden ter plaatse. Een
compliment verdient daarom M.J. Heilhof, want
hij is erin geslaagd met zijn kleurenfotografie een
substantieel aandeel te leveren in de aantrekkelijkheid
van het boek. Slechts een enkele foto is van
mindere kwaliteit (Bethlehemkerk, Broerenkerk,
Noorderkerk).
De ordening van de beschrijvingen vindt
plaats binnen vier tijdsperioden: orgels uit kerken
van voor de reformatie (6), kerken uit de periode
1600 tot 1900 (4), kerken uit de periode 1900 tot
195° (4) e n kerken uit de periode 1950 tot heden
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
(17); in totaal 31 orgels. Binnen de gehanteerde
perioden zijn de kerken alfabetisch op naam geordend
en het toeval wil dat in de eerste twee perioden
een chronologische reeks is ontstaan.
De gehanteerde systematiek bij het kopje
‘orgel’ voldoet niet. Men vergelijke Windesheim,
hervormde kerk, met de Onze-Lieve-Vrouwe ten
Hemelopnemingbasiliek. Het kerkgebouw van
het Apostolisch Genootschap aan de Pilotenlaan
bezit een orgel van Michael Maarschalkerweerd
uit 1993, aldus het kopje. Maar Maarschalkerweerd
leefde van 1838 tot 1915.
In het Vooraf (blz. 7) wordt gerefereerd aan de
encyclopedie Het historische orgel in Nederland.
De chronologische volgorde in deze encyclopedie
wordt strikt bepaald door de ouderdom van het
oorspronkelijke orgel, voor zover delen, inclusief
kas, resteren en in het huidige instrument zijn verwerkt.
Het eerste deel verscheen overigens twintig
jaar later dan Logtenberg ons wil doen geloven;
prins Claus ontving op 19 februari 1997 in de Dom
te Utrecht het eerste exemplaar.
Iedere orgelbeschrijving wordt voorafgegaan
door een korte geschiedenis van het kerkgebouw.
Waar nodig wordt het kerkgenootschap nader
belicht. Dit facet was bij J. Erdtsieck in vertrouwde
handen.
Voor wat de orgelhistorische aspecten betreft
volstaan we met enige op- en aanmerkingen, die
kunnen worden opgevat als zijnde illustratief voor
het geheel. Voor de orgels gebouwd tot 1840 kon
men te rade gaan bij de gedetailleerde dispositiegegevens
in de encyclopedie. In dit verband is het
merkwaardig dat alleen het eerste deel in de literatuurlijst
staat vermeld.
De volledige orgelgeschiedenis van de Grote
Kerk verdient een fraaie monografie. Met het
onderhavige werk dient men bereid te zijn concessies
te accepteren. In mindere mate speelt deze
overweging een rol bij de Bethlehemkerk, waar
met zevenmijls laarzen door de orgelgeschiedenis
van voor 1825 wordt gestapt op basis van een niet
authentieke bron uit 1965.
Bij de Lutherse kerk staat vermeld: ‘Het orgel
werd in 1788 gerenoveerd door Frans Caspar’.
Men leze: Frans Caspar Schnitger, die overigens in
1729 was overleden. Terecht kan worden tegengeworpen
dat in het kasboek bij de datum 17 juli 1786
wel degelijk melding wordt gemaakt van F.C.
Schnitger. We hebben hier te doen met Frans Caspar
Schnitger junior (1724-1799), die, zoals de jaartallen
laten zien, het vak niet van zijn vader heeft
geleerd: ‘aan d’orgelmaker F.C. Schnitger voor het
renoveren van het orgel ingevolge Resolutie van
de Groten Kerkenraad L.Q. (- luydt quitansie)
bet. ad. 130.-.’4
We zouden dit geen renovatie of restauratie
willen noemen maar een schoonmaakbeurt, eventueel
met herstel van kleine gebreken, waarover
Knock in 1788 berichtte.
Op dezelfde bladzijde 57 wordt een dispositie
uit 1926 vermeld, hoewel het Schnitger-orgel in
1917 was ingeruild voor een pneumatisch instrument
van Standaart. Opvallend is het dat de dispositie
vrijwel geheel overeenkomt met die van
Knock. Waarschijnlijk is hier sprake van een simpele
lees- en drukfout; in plaats van 1726 is zonder
bronvermelding abusievelijk 1926 overgenomen.
Bij de Sint Jozefkerk lezen we dat niet meer te
achterhalen is wie het orgel maakte. Het orgel is
afkomstig uit een Benedictinessenklooster te
Driebergen. Zonder voorbehoud kan het instrument
worden toegeschreven aan Friedrich Fleiter
(1836-1924), die in het jaar 1872 te Munster een
orgelmakerij oprichtte. Dit bedrijf bestaat tot op
de huidige dag. De spelling van de Duitse registernamen
zijn niet alle correct. Het is opmerkelijk
dat de dispositie geen enkele vulstem bezit. Fleiter
bouwde ook het orgel van het inmiddels gesloopte
klooster Bethlehem aan de Molenstraat te Oldenzaal,
in de volksmond aangeduid met het Duitse
klooster. Als gevolg van de politieke situatie waren
de zusters Benedictinessen in 1875 gedwongen hun
klooster in Osnabrück te verlaten. Zij zochten in
Tegelen, Driebergen en Oldenzaal veilige vestigingsplaatsen
voor nieuwe kloosters.
Verdwenen orgels zijn ten dele vermeld,
slechts voor zover zij bij de beschrijvingen van de
huidige instrumenten worden gememoreerd, terwijl
aan kabinet-, secrétaire- en andere huispijporgels
geen aandacht is geschonken. Terecht zijn
de instrumenten van de Ichtus-, Sions- en Stinskerk
niet opgenomen. Organisten zijn buiten
beeld gebleven.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De kassen zijn niet vergeten, maar de behandeling
is summier en beperkt zich doorgaans tot
het noemen van de