
J
P R I J S F 9 , 5 O
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Boven: Veemarktterrein
in 1931.
Onder: Veemarkthal,
huidige situatie
(foto: D. Hogenkamp).
Door de eeuwen heen is Zwolle een centrum
geweest voor de veehandel. Dat kwam
vooral omdat verordonneerd was, dat alle
dieren binnen de stad verkocht moesten worden.
De handel in vee vond plaats op verschillende
locaties in de stad. De meest bekende zijn de beestenmarkt
aan de Harm Smeengekade, waar het
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
rundvee werd verhandeld, de varkensmarkt op de
Pannenkoekendijk en de paardemarkt op de
Brink. Pluimvee en konijnen werden verhandeld
aan de Vijfhoek bij het Gasthuisplein.
Omdat de handel in rundvee en varkens zich
strek uitbreidde, werd de in 1852 in gebruik genomen
beestenmarkt op 1 mei 1931 verplaatst naar
het huidige veemarktterrein, gelegen achter de
Emmastraat in het gebied dat Blalo heette.
Door de steeds groeiende markt werd in 1964
het veemarktterrein vergroot. Helaas verzuimde
de gemeente goede laad- en losplaatsen aan te leggen,
zodat de uitbreiding pas in 1965 gebruikt kon
worden.
Om de concurrentie van andere markten voor
te blijven, werd in 1972 een veemarkthal gebouwd:
de IJsselhal. In deze hal verkochten de handelaren
vooral varkens, schapen en jongvee.
In 1984 werd de hal vergroot. In 1990 werd de
hal opnieuw vergroot, hetgeen op de nieuwe foto
goed te zien is. Al het vee wordt nu binnen verhandeld.
Wonderbaarlijk genoeg was aanvankelijk
opnieuw verzuimd om goede laad- en losperrons
aan te leggen. Ook was het terrein onvoldoende
beveiligd om te voorkomen dat losgebroken vee
de stad in kon gaan.
Behalve voor de veehandel, werd de hal ook
gebruikt voor vele sporten zoals zaalkorfbal, zaalvoetbal
en handbal. Tegenwoordig sport men er
niet meer. Wel vinden er allerlei manifestaties,
tentoonstellingen en optredens plaats. Zo traden
hier onder meer het orkest van James Last en Fats
Domino op.
Op de oude foto, als prentbriefkaart uitgegeven
ter ere van de opening van de ‘nieuwe’ Veemarkt
staan de gebouwtjes van de keuringsdienst,
de administratie en de controleurs. Helemaal links
is de weegbrug te zien.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
Hoewel het begrip milieuvervuiling in de
negentiende eeuw nog onbekend was,
wist de overheid ook in die tijd heel goed
dat sommige bedrijven een bedreiging vormden
voor de volksgezondheid. Ook werd toezicht gehouden
op de bereiding van voedsel en genotmiddelen.
De Commissie van Geneeskundig Onderzoek
en Toevoorzigt adviseerde het Zwolse gemeentebestuur
over dit soort zaken in de periode
van 1805 tot 1865. F. Jansen onderzocht wat voor
adviezen deze commissie gaf en of het gemeentebestuur
de adviezen opvolgde. Zijn conclusie is
dat de commissie zeker nuttig werk verrichtte.
Enkele jaren later, in 1894, werd in gebouw De
Atlas, gelegen aan de Ossenmarkt, de SDAP opgericht.
Wat was dit voor gebouw? De een spreekt
van een ‘hyperproletarisch lokaal’ terwijl een ander
het een ‘danshuis met niet zo’n beste reputatie’
noemt. F. Zeiler heeft geprobeerd na te gaan welke
rol dit gebouw in Zwolle speelde, voordat het landelijke
bekendheid verkreeg doordat hier een landelijke
politieke partij zijn oorsprong vond.
Naast archiefonderzoek spelen ook herinneringen
een belangrijke rol in het beeld dat iemand
van het verleden krijgt. Willem Boxma kwam als
kleine jongen uit het verre Friesland naar Zwolle.
In dit tijdschriftnummer vertelt hij over zijn jeugd
tijdens de crisis van de jaren dertig.
Tenslotte neemt Lydie van Dijk weer een voorwerp
van het Provinciaal Overijssels Museum onder
de loep: dit keer de fraaie zilveren gildebeker
van het Zwolse hoedenmakers- en bontwerkersgilde.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp 82
Toezicht op de gezondheidszorg, 1805-1865 F.Th.J. Jansen 84
‘De Atlas’ omstreeks 1894: danshuis of socialistenhol? 92
Frits David Zeiler
Een gewone jongen in Zwolle Willem Boxma 100
Een gildebeker van het Zwolse hoedenmakers- en bontwerkersgilde 111
Lydie van Dijk
Literatuur 113
Boekbespreking 114
Auteurs 115
Omslag: Midden vorige eeuw was de aanwezigheid van koper (en van andere
metalen) in wijnazijn een groot probleem. De fabrikant van deze vloeistof, Heerkens
en Schaepman aan het Groot Weezenland, kreeg daarom het advies voorzichtig
te zijn met koperen voorwerpen tijdens de bereiding. De foto met de
bewaarkuipen van de azijn werd gemaakt in 1914.
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Toezicht op de gezondheidszorg, 1805-1865
F.Th.J. Jansen
Koekvergulden. Tekening
van Jo Spier. Illustratie
bij het verhaal
‘De familie Kegge’ uit
de Camera obscura van
Hildebrand.
Verontreiniging van bodem, water, lucht en
voedsel vormt vandaag de dag een ernstige
bedreiging voor mens, dier en plant. Maar
hoewel het woord milieuvervuiling in de eerste
helft van de negentiende eeuw onbekend was, stelde
de overheid ook toen – weliswaar bescheiden –
eisen aan bedrijven die de leefomgeving dreigden
aan te tasten. Ook oefende men wel degelijk toezicht
uit op de bereiding van voedsel en genotmiddelen.
Evenzeer wist de bevolking zuiver water
en schone lucht te waarderen. Over vervuiling
van de bodem maakte men zich echter nog geen
zorgen!
In het archief van de Commissie van Geneeskundig
Onderzoek en Toevoorzigt van de stad
Zwolle, een commissie die van 1805 tot 1865 werkzaam
was, zijn de adviezen te vinden die zij aan het
gemeentebestuur gaf om de stad leefbaar te houden.
1
Het ontstaan
In de Bataafs-Franse tijd kwam in Nederland verandering
in de structuur van de gezondheidszorg.
Aan de eeuwenoude supervisie van de chirurgijnsgilden
op dit gebied kwam een einde. In 1804
bepaalde de landelijke overheid dat provinciale en
plaatselijke Commissies van Geneeskundig Onderzoek
en Toevoorzigt die taak moesten overnemen.
2 Onder koning Willem I werd de door de
Fransen ingestelde structuur bevestigd en konden
de commissies hun werk voortzetten.3 Plaatselijke
commissies waren er in Overijssel in Deventer,
Kampen en Zwolle. In de provinciehoofdstad
zetelde aanvankelijk ook de Provinciale Commissie
van Overijssel en Drenthe, totdat deze in 1824
naar Assen verhuisde.
De plaatselijke gezondheidscommissie was
samengesteld uit de beide stadsmedici, de stadschirurgijn
en een apotheker. In de Zwolse commissie,
die op 11 december 1805 voor het eerst bijeenkwam,
waren de stadsmedici G.A. Ramaer en
F.A. Nilant respectievelijk voorzitter en secretaris,
terwijl de stadschirurgijn J. Veldkamp en de apotheker
V.G.C. Metelerkamp het college completeerden.
4 De heren vergaderden een keer per
maand in de zogenoemde Geestelijke Kamer in
het stadhuis. Deze ruimte was eerder gebruikt
voor ‘Artzenijmengkunde’. De leden van de commissie
deden hun werk pro deo, maar kregen wel
75 gulden per jaar om een bode, papier en inkt en
brandstof voor licht en vuur en te betalen.
Zij moesten toezicht houden op alle takken
van de geneeskunde en eventuele misbruiken signaleren
aan het stadsbestuur. Ook controleerden
ze de geneesmiddelen en moesten ze kwakzalverij
bestrijden. Daarnaast werd van hen verwacht dat
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ze middelen aangaven om epidemieën te stuiten.
Jaarlijks brachten ze een verslag uit aan de Provinciale
Commissie van Geneeskundig Onderzoek en
Toevoorzigt.
Voedsel en genotmiddelen
De commissie gaf adviezen over de meest uiteenlopende
voedings- en genotmiddelen als vis,
brood, tabak, aardappelen en vlees. Zelfs het St.
Nicolaassnoep werd onderzocht; niets lieten de
Zwolse bewakers van de gezondheid aan het toeval
over. Zo stelde de commissie tijdens de ‘geweldige
hitte’ in de zomer van 1819 de burgemeester
voor de verkoop van rotte vis tegen te gaan.5 Ook
werd het brood van de plaatselijke bakkers in 1829
onderzocht op de aanwezigheid van blauwe vitriool.
6
De kwaliteit van de tabak bij sigarenfabrikant
Steven de Goey en zijn sigarenmakers leverde
eveneens problemen op.7 De rookwaar op zolder
van de fabriek was oud, nat en hevig rottend. De
tabak verspreidde een ondraaglijke stank, zodat
een jongen bijna flauwviel. Vooral lieden die ‘vatbaar
zijn of voorbeschikt tot zenuwkoortsen’ hadden
er volgens de commissie last van. Maar ook
het werkvolk en de baas zelf kwamen op 16 juni
1832 met hevige hoofdpijn thuis en bleven vervolgens
ziek. Na twaalf dagen vroeg het gemeentebestuur
of de gezondheidscommissie eens bij de heer
De Goey wilde gaan kijken. Men was bang dat de
ziekte iets te maken had met de cholera die de
stadsgrenzen naderde. Dat bleek echter niet het
geval te zijn. Wel liet de commissie de rottende
tabak verwijderen; wat droog was werd verbrand,
De Thorbeckegracht
was vanouds een straat
waar veel kleine bedrijfjes
waren gevestigd. De
commissie hield nauwlettend
in de gaten of
daarbij de volksgezondheid
niet werd bedreigd.
Deze foto is omstreeks
1880 gemaakt.
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Midden vorige eeuw
was de aanwezigheid
van koper (en van
andere metalen) in
wijnazijn een groot probleem.
De fabrikant van
deze vloeistof, Heerkens
en Schaepman aan het
Groot Weezenland,
kreeg daarom het advies
voorzichtig te zijn met
koperen voorwerpen tijdens
de bereiding. De
foto met de bewaarkuipen
van de azijn werd
gemaakt in 1914.
de natte tabak werd in de grond begraven. De zolder
werd met chloorkalk gereinigd.
In 1845 werd Nederland geteisterd door een
ziekte onder de aardappelen, die tot misoogsten
en voedselgebrek leidde. Vooral voor de armen
leverde dit een gevaar voor de gezondheid op,
omdat zij afhankelijk waren van de bedorven
aardappelen.8 Toen dan ook in november van dat
jaar bij de ruiterstal van de heer Wijgmans aan de
tegenwoordige Thorbeckegracht bij de Diezerpoortenplas
een partij stinkende aardappelen
werd aangetroffen, trad de commissie direct op.9
De politie kwam er aan te pas om de voor menselijke
consumptie ongeschikte en goedkope aardappelen
te scheiden van de betere exemplaren. De
laatste mochten alleen als veevoer worden verkocht
en de verrotte exemplaren moesten van het
erf worden verwijderd.
Een net geslachte koe van slager Levy Salomon
Cohen uit de Diezerstraat leverde in dezelfde
maand problemen op.10 Mogelijk was het beest
besmet met longziekte. Hoewel de koe door een
veearts en twee keurmeesters was goedgekeurd,
vertrouwde het gemeentebestuur de zaak niet en
liet de commissie nog dezelfde dag het vlees keuren.
Het wantrouwen was onterecht, want het
vlees bleek goed te zijn.
Het keuren van het tijdens Sinterklaas gegeten
snoepgoed hield de commissieleden in 1851 heel
wat langer bezig. Het stadsbestuur was gealarmeerd
door een krantebericht uit Arnhem. Volgens
de courant zou het goud, dat gebruikt werd
om het St. Nicolaasgoed te versieren, voor het
grootste gedeelte uit koper bestaan en dus schadelijk
zijn voor de gezondheid van de consument.11
Na een gedegen scheikundig onderzoek kwam de
commissie in september 1853 tot dezelfde conclusie:
het bladgoud op het snoepgoed bestond bijna
geheel uit koper.12 Vooral het chromaatgeel dat
voor de kleur werd gebruikt was erg ongezond.
De commissie adviseerde het gemeentebestuur
de verkoop van St. Nicolaasgoed maar helemaal
te verbieden om het gebruik van schadelijke
verfstoffen te vermijden. Of de Zwolse kindertjes
in het vervolg met Sinterklaas niet meer mochten
snoepen, vermeldt de historie niet.
Het gebruik van koper in voedingsmiddelen
had in 1817 ook al schadelijke gevolgen gehad. Uit
Amsterdam werd gemeld dat het metaal aangetroffen
was in wijnazijn. Een inwoner van de stad
had na gebruik ervan hevige krampen in zijn buik
gekregen13 De gezondheidscommissie in Zwolle
drukte de plaatselijke azijnfabrieken op het hart
vooral voorzichtig te zijn met koperen voorwerpen.
Eigenlijk was de waarschuwing voornamelijk
bedoeld voor azijnfabriek De Ster van Heerkens
en Schaepman die in 1805 was opgericht.
Met nimmer aflatende ijver bemoeide de commissie
zich ook met kruiden en in het wild groeiende
heesters, die de gezondheid van de Zwollenaren
bedreigden. Zo wilde ze in 1853 een giftige
jeneverbes, de sabina juniperus, laten uitroeien.14
De bes groeide in het Engelse Werk en in de
standswandelingen bij de Diezerpoort. Vermoedelijk
was men bang dat deze giftige jeneverbesstruik
gebruikt zou worden als vruchtafdrijvend
middel. In grote hoeveelheid ingenomen kan het
dodelijk werken op nieren en hersenen.
Vier jaar later wees de commissie op de schadelijkheid
van moederkoren. Dit kwam als vervuiling
voor in granen. Het toezicht op de graanmarkt
moest dan ook verscherpt worden. Moederkoren
wordt als secabe cornutum in de verlosZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT
kunde gebruikt als bloedstelpend middel.15 Een
overdosering geeft echter vaatkrampen en kan
zelfs afsterving van lichaamsdelen veroorzaken.
De demping van de Aa’s
1849 w a s e e n rampjaar voor Zwolle, waarin onder
meer de cholera in alle hevigheid toesloeg.16 In
1832 was de stad ook al geteisterd door een cholera-
epidemie, die 45 slachtoffers eiste. Zeventien
jaar later waren er 562 lijders (op een bevolking
van 18.168 inwoners), waarvan 284 overleden.17
Op economisch gebied ging het slecht, waarbij
met name de armste bevolkingsgroep getroffen
werd. Vooral de na 1844 voorkomende aardappeloogsten
leidden tot veel gebrek. Het was dan ook
geen wonder dat juist de armen getroffen werden
door de epidemie.
In de voormalige infirmerie aan de Praubstraat
richtte men een cholera-hospitaal in. De
plaatselijke geneesheren namen met veel inzet de
verzorging op zich. Veel hielp het niet: van de 115
opgenomen personen overleden er 66. In 1854
vond het hospitaal onderdak in het stadstimmerhuis
aan de Friese Wal. Daar bestond de inventaris
onder andere uit: 30 strozakken, 12 slaapmutsen, 2
badkuipen, 2 stilletjes met potten en 1 bedpan, 4
kachels met toebehoren en 1 pond zeep van 20
cent.
Waar de cholera door ontstond of werd overgebracht,
wisten de heren doktoren in die tijd nog
niet. De cholera-bacterie, de vibrio comma, werd
pas later ontdekt. Men dacht dat schadelijke dampen
een belangrijke rol bij de overbrenging speelden.
Vaak werden dan ook teerbossen verbrand
om de lucht te zuiveren.
Wel zagen medici het belang in van een goede
hygiëne en een goede voeding om ziektes te voorkomen.
In mei 1850 adviseerde de commissie de
gemeenteraad, de politie en de armbesturen dan
ook om vooral in de zomer toe te zien op de zindelijkheid
van straten, goten, riolen en het interieur
van de kleine huisjes van de armen. De gezagsdragers
moesten de ‘mindere klasse’ zien te overtuigen
van de noodzakelijkheid van lichamelijke zindelijkheid,
‘zonder evenwel bij hen de vrees voor
aanstekelijke ziektes op te wekken’.
De meeste slachtoffers van de cholera vielen in
De cholera-epidemieën in de vorige eeuw hielden vooral huis in het gebied rond
de Kleine Aa. De cholerabacil tierde welig in het veelal stilstaande water. De
omstandigheden verslechterden nog wanneer het watertje overstroomde; en dat
gebeurde nogal eens. Deze foto van de onder water staande Waterstraat werd
omstreeks 1940 gemaakt.
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De cholera-epidemie
van 1886 was een van de
zwaarste in Zwolle. Een
van de mensen die zich
zeer had ingezet voor de
lijders was dr. S.P. Kros.
De gemeente was hem
zo dankbaar dat ze hem
een zilveren beker aanbood
die ze had laten
maken bij de firma Van
Kempen en Zoon in
Voorschoten. De Griekse
god van de geneeskunde
Asclepios, siert
het deksel. Op de beker
staat te lezen: ‘Erkenning
voor bewezen
diensten gedurende de
Cholera-epidemie in
1866’ (foto: Provinciaal
Overijssels Museum).
de buurt het Slurink in de binnenstad. Hierlangs
liep een smal, stinkend riviertje, de Kleine Aa. Het
stroomde vanuit de stadsgracht bij het Kerkbrugje
langs het Eiland, het Broerenkerkplein en de
Waterstraat en kwam tussen Rodetorenplein en
Buitenkant weer de stadsgracht in.18
De commissie was dit ook opgevallen en weet
het verschijnsel aan de Kleine Aa, ‘wier verpestende
luchtsoorten, welke zich uit dezelve (vooral des
zomers bij een aanhoudende hitte en een lage
waterstand) ontwikkelen, niet anders dan een
uiterst nadelige invloed op de gezondheid aan de
in deszelfs omtrek wonende bevolking moet uitoefenen’.
19 Door de lage waterstand in de stadsgrachten
konden de riolen, die allemaal loosden
op de Aa, hun afval niet kwijt. In mei 1850 wezen
de geneeskundigen van de commissie de gemeenteraad
erop, dat het geen zin had de Kleine Aa in
de zomermaanden te laten uitbaggeren, maar dat
het grachtje geheel moest worden gedempt en vervangen
door een riool. B&W lieten direct weten
dat ze deze suggestie ter harte namen en de straten
in het buurtje zo schoon mogelijk zouden houden.
Het dempen van de Aa vond men echter nog
te ingrijpend.
Het duurde vijfjaar voordat er schot in de zaak
kwam. Ondertussen was in oktober 1854 in Blokzijl,
Vollenhove en Zwartsluis opnieuw cholera
uitgebroken en vielen ook in Zwolle zes slachtoffers.
20 Het jaar erop was in Zwolle weer sprake
van een zware epidemie. Eenderde van de choleragevallen
deed zich voor in de omgeving van de
Kleine Aa. Er waren in totaal 116 zieken, waarvan
61 overleden. De commissie deed alles om de Kleine
Aa gedempt te krijgen.
Waarom talmde Zwolle zo lang? Had de stad
geen geld? Waarschijnlijk vond het stadsbestuur
dat de kosten niet opwogen tegen het te verwachten
resultaat. Hoe krenterig de raad in het algemeen
was wanneer het de gezondheidszorg betrof,
werd duidelijk toen in 1855 de beheerder van het
cholerahospitaal aan de Friese Wal, de chirurgijn
J. Metelerkamp, uit eigen zak de betaling van het
personeel moest voorschieten. Ook moest hij een
nadelig saldo van ƒ 51,60 aanvullen.21
Maar nu was eindelijk dan de kogel door de
kerk. Eind 1855 stelde de raad op de begroting voor
het volgende jaar geld beschikbaar voor het dempen
van de Kleine Aa.22 De Commissie van
Geneeskundig Onderzoek en Toevoorzigt reageerde
juichend. ‘Alzoo is eene belangrijke schrede
gedaan tot bevordering van het wezenlijk welzijn
van Zwolle’s inwoners’, schreef ze aan de net
opgerichte Afdeling van de Koninklijke Nederlandsche
Maatschappij tot Bevordering der
Geneeskunst.23 Toch zou het nog drie jaar duren
voordat de gemeente aan dat karwei begon. Tijdens
warme zomers stonk de Kleine Aa nog even
erg als altijd.
Intussen was men in 1857 wel begonnen met de
demping van de Grote Aa en de aanleg van een
gemetseld riool ter vervanging. De Grote Aa kwam
de stad binnen ongeveer op de plek waar nu het
verzetsmonument in het Ter Pelkwijkpark staat,
liep naar het Gasthuisplein en langs de noordzijde
van de Oude Vismarkt, waar het aan de huizen
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
grensde, ging ondergronds over de Grote Markt,
liep midden over de Melkmarkt en mondde op het
Rodetorenplein weer in de stadsgracht uit. Natuurlijk
werd het gebruikt als open riool, maar ook
werd er in platte schuiten turf aangevoerd voor de
aanwonenden. Het eerste stuk dat werd gedempt
lag tussen de Blauwhandse brug, ongeveer aan de
oostkant van het Gasthuisplein en de Gasthuisbrug
die de Wolverstraat verbond met de Gasthuissteeg.
Het duurde tot 1861 voordat de gemeentewerkers
tot aan het Rodetorenplein gevorderd waren. In
1859 werd de Kleine Aa gedempt en voor die ‘sloot’
had men maar een jaar nodig. Op de gemeentebegroting
stond voor demping een bedrag van
ƒ 45.000,-. Voor het dempen van de beide Aa’s
moest in totaal ƒ 62.000,- geleend worden.24
Of de vervanging van de Aa’s door een riool
nieuwe cholera-gevallen heeft voorkomen, is niet
helemaal zeker. Vaak doen epidemieën zich voor
in golven en komt de genezing op natuurlijke wijze
tot stand. In 1866 brak in Zwolle een van de
zwaarste cholera-epidemieè’n van de eeuw uit,
waarbij 204 doden vielen. Of er in de buurt van de
gedempte Aa geen slachtoffers waren, is onbekend.
Maar in ieder geval was het leefklimaat van
de omwonenden sterk verbeterd. Ze waren eindelijk
verlost van de smerige stank tijdens warme
zomerdagen. Alhoewel … Op 25 februari 1864
kreeg de commissie een brief van de stadsarchitect,
waarin hij klaagde over de stank die door de
nieuw aangelegde riolen zou worden verspreid.25
Industrie en milieu
De medische commissie werd pas in de laatste vijf-
Gerritjan Krol kreeg in
1856, na advies van de
commissie, toestemmingvan
de gemeente
om aan de Holterbroekerdijk
een fabriek ‘voor
beenzwart en chemicaliën’op
te richten. In
1914 liet deze fabriek
trots een aantal foto’s
afdrukken in het boekje
‘Zwolle industriestad’.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
tien jaar van haar bestaan geconfronteerd met
gezondheid bedreigende zaken ten gevolge van de
industrialisatie. Het waren toen vooral de ‘kwalijke
dampen’ en de verontreiniging van het water,
die de aandacht vroegen. In de eerste helft van de
negentiende eeuw was er nauwelijks sprake van
industriële ontwikkeling in Zwolle. Daardoor ontstond
er ook geen verontreiniging van water en
lucht. Toen de industrialisatie na 1850 ook in
Zwolle op gang kwam, kreeg de commissie voor
het eerst te maken met de verontreiniging van de
leefomgeving.
In 1851 kaartte het college van B&W de watervervuiling
aan, echter om te betogen dat er van
gevaar voor de volksgezondheid geen sprake was.
Sinds jaar en dag was het verboden dat de ververijen
hun spullen spoelden in de stadsgracht aan
steigers waar ook drinkwater werd geschept.26
B&W vroegen zich af of deze voorzichtigheid niet
al te overdreven was. Er waren immers nooit
klachten binnengekomen. Vuil en mest kwamen
toch ook via de riolen en secreten in de grachten
terecht? En de gemeente wilde vooral ‘de nijverheid
niet nodeloos belemmeren’. De commissie
hielp het bestuur vlot uit de droom. Door het
spoelen werden allerhande zware vergiften, zoals
kopergroen en argurum, met het water vermengd.
Het moest toch wel duidelijk zijn dat zulk water
sterk verontreinigd was en niet als drinkwater
gebruikt kon worden. De commissie stelde voor
slechts bepaalde steigers aan de stadsgracht aan te
wijzen voor het spoelen van geverfde goederen.
Het jaar erop was het gemeentebestuur toch
voorzichtiger. Fabrikant H. Baarslag was van plan
een oliekokerij en lakstokerij op te richten op een
stuk land bij de brug aan de Deventerstraatweg.
Een aantal inwoners van het prille Assendorp,
onder wie J.W. Maarssen, tekende protest aan. Ze
hadden geen zin ’tussen twee zodanige fabrieken’
in te wonen. Het gemeentebestuur vroeg nu de
commissie te onderzoeken of een dergelijke onderneming
schadelijk voor de gezondheid zou
zijn. De commissie kon het eens zijn met de indieners
van het bezwaarschrift. De ontledingsprodukten
van olie ontwikkelden door bijvoeging van
verschillende loodoxyden een zeer onaangename
lucht, die voor ‘borstorganen’ hinderlijk was.27
In 1852 mocht de commissie eveneens advies
geven over de vraag of E. en M.A. Jacobs een bergblauwfabriek
mochten stichten.28 Volgens haar
konden ze hun gang gaan: er was geen brandgevaar,
er kwamen geen nadelige dampen vrij en
bovendien was er geen risico dat regenwater vuil
werd. Het laatste was beweerd in advertenties
tegen de oprichting van de fabriek.
Voor J.A. Godschalk waren de leden van de
commissie strenger. Sinds 1852 had hij een beenderkokerij
in zijn pakhuis aan de Friese Wal. Twee
jaar later vond de commissie toch dat zo’n fabriek
binnen de stadsgracht niet hoorde.29 De reden was
waarschijnlijk water- en luchtverontreiniging in
de binnenstad. Op een halfuur afstand van de stad
was zo’n fabriek wel toegestaan. B&W namen in
ieder geval het advies ter harte. Twee dagen later
trokken ze de vergunning van Godschalk in.
In het voorjaar van 1856 wilde de firma Kroll
en Co. ‘eener fabriek van beenzwart en chemicaliën’
oprichten aan de Holtenbroekerdijk30 De
commissie boog zich over het vestigingsverzoek
en trad hierover ook in overleg met de rijksveearts.
De vraag was om wat voor soort chemicaliën
het ging en welke bijprodukten er vrijkwamen. De
uitwatering van de fabriek op de stilstaande sloten
van de polder van Holtenbroek zou gevaarlijk
kunnen zijn voor mens en dier. De commissie
beval de gemeente daarom aan slechts uitwatering
‘in het stroomende Zwarte Water’ toe te staan.
Verder bestond geen bezwaar tegen de oprichting
van de fabriek, omdat er geen sprake was van
schadelijk afval. De door Gerrit Jan Kroll opgerichte
fabriek produceerde beenzwart voor het
ontkleuren van suikersappen bij de raffinage van
suiker. In de volksmond werd het bedrijf de ‘bottenfabriek’
genoemd. Ze bestaat nog steeds.
Ook coulant was de commissie in het geval van
dr. S.J. van Roijen. Hij wilde een fabriek van Berlijnsch
blauw en sol ammoniae stichten.31 Bij de
bereiding van de preparaten kwamen voor de
gezondheid gevaarlijke stoffen vrij. De commissie
vond dat deze dienden ’ter verkrijging van het
fabrikaat, zodat het in het belang van den fabrikant
zelven is, daarmee hoogst omzichtig en alles
ter nutte aan te wenden’. Van Roijen kon zijn gang
gaan. Er kwamen echter allerlei bezwaarschriften
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
binnen en ook het gemeentebestuur was niet zo’n
voorstander van de fabriek. Uiteindelijk kwam de
onderneming er niet. De gemeenteraad gaf geen
toestemming voor vestiging, omdat de produktie
teveel stankoverlast zou geven. Schone lucht was
voor haar dus belangrijker dan economisch gewin!
Voor zover na te gaan is dit een van de weinige
keren dat de raad het advies van de medische
commissie niet heeft opgevolgd.
Epiloog
Had het nut om de commissie in te schakelen?
Was de gezondheid in Zwolle echt bedreigd?
Gaven de commissieleden verstandige adviezen?
En werden die door het gemeentebestuur opgevolgd?
Aan de hand van 22 onderzochte adviezen
tussen 1805 en 1865 kunnen bij deze vragen enige
opmerkingen worden geplaatst. In bijna tweederde
van de gevallen bleek dat men terecht bang was
geweest voor nadelige gevolgen voor de volksgezondheid.
Conclusie: het inschakelen van de commissie
was juist en bewees haar nut! Minstens
zeven keer werd het advies van de commissie door
de raad opgevolgd; in veertien gevallen is dat
onbekend. Slechts eenmaal legde de raad een
(positief) advies naast zich neer en mocht een
industrie niet opgestart worden.
De commissie werkte tot volle tevredenheid
van de gemeenteraad. In 1856 stelde het ministerie
van Binnenlandse Zaken voor een tweede gezondheidscommissie
op te richten.32 Een raadscommissie
vond dat niet nodig: de plaatselijke Commissie
van Geneeskundig Onderzoek en Toevoorzigt
functioneerde prima en en had ’te allen tijde
getoond [… ] hare roeping te begrijpen’.
Op 1 november 1865 trad een nieuwe wet in
werking: ‘Staatstoezicht op de Volksgezondheid’.
Deze is heden nog van kracht. De plaatselijke
Commissie van Geneeskundig Onderzoek en
Toevoorzigt had geen bestaansrecht meer. Ze had
gedurende zestig jaar de vinger aan de pols van het
stadsbestuur gehouden. Nadien zou dat gebeuren
door andere instellingen.
Met veel dank aan de medewerkers van het gemeentearchief,
de heren Admiraal, Huijsmans en
Knoester.
Noten
1. Gemeente-archief Zwolle (GAZ), CA004, 1805-1865
(4 delen).
2. GAZ, AAZ01-06027,1804.
3. Staatsblad nr. 16,12 maart 1818, art. i, pag. 2.
4. GAZ, CA004, pakket 1, nr. 1 en 2.
5. Ibidem, 1805-1820, pakket 13, nr. 3.
6. Ibidem, 1821-1832, pakket 22, nr. 5.
7. Ibidem, 1832, pakket 25, nrs. 3 en 5.
8. Ibidem, 1843-1854, pakket 38, nr. 7.
9. Ibidem, 1845, pakket 38, nrs. 11,12 en 14.
10. Ibidem, pakket 38, nr. 18.
11. Ibidem, 1851, pakket 44, nr. 20.
12. Ibidem, 1852, pakket 45, nr. 27.
13. Ibidem, 1805-1820,1817, pakket 10, nr. 2.
14. Ibidem, 1843-1854,1852, pakket 45, nr. 31.
15. Ibidem, register 1857, nrs. 98-102.
16. P.J. Lettinga, ‘Cholera in Zwolle in de 19e eeuw’, in:
Zwols Historisch Jaarboek 1984,42-69.
17. GAZ, CA004,1843-1854,1850, pakket 43, nr. 4.
18. Ibidem, 1851, pakket 44, nr. 5.
19. Ibidem, 1850, pakket 43, nr. 11.
20. Ibidem, 1855-1859,1855, pakket 48, nr. 41.
21. Ibidem, nr. 59.
22. Ibidem, nr. 64.
23. Ibidem, nr. 66.
24. GAZ, AAZ02-02290, begroting 1859; AAZ02-00995a,
raadsvergadering 8 februari 1859. In één van de volgende
nummers van het Zwols Historisch Tijdschrift
zal ik nader ingaan op het dempen van de
Aa’s.
25. GAZ, CA004, register 1864, nr. 13.
26. Ibidem, 1843-1854,1851, pakket 44, nrs. 15 en 16.
27. Ibidem, 1852, pakket 45, nrs. 12 en 13.
28. Ibidem, nr. 14.
29. Ibidem, pakket 47, nrs. 3 en 5.
30. Ibidem, 1855-1859,1856, pakket 49, nrs. 82, 87 en 88.
31. Ibidem, nrs. nr90,91,9iAen9iB.
32. GAZ, AAZ02-01051, bijlagen notulen raad, nr. 375.
92 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
cDe Atlas’ omstreeks 1894: danshuis of
socialistenhol?
Frits David Zeiler
Aankondiging van de
opening van het ‘lokaal
Atlas’ in de Zwolsche
Courant van 31 december
1883.
D eze zomer is het honderd jaar geleden, dat
in gebouw De Atlas, Ossenmarkt 9 te
Zwolle, de Sociaal Demokratische Arbeiderspartij
in Nederland (SDAP) werd opgericht.
Geschiedschrijvers van de sociaaldemocratie in
Nederland geven het historische gebouw zeer uiteenlopende
kwalificaties mee. W.H. Vliegen, een
der zogenoemde Twaalf Apostelen van 1894,
noemt het in zijn overzicht van de eerste tien jaren
der partij een ‘hyperproletarisch lokaal’. J. Perry,
co-auteur van het meest recente gedenkboek,
spreekt van een ‘danshuis met niet zo’n beste
reputatie’.1 Wie heeft er gelijk?
De herkomst van Perry’s kwalificatie is snel
gevonden. Ze is, al dan niet indirect, ontleend aan
het tweede deel van Thom. de Vries’ Geschiedenis
van Zwolle.2 De stadshistoricus lijkt haar bijna terloops
te geven, wanneer hij het (ook in de negentiende
eeuw al heersende) zalentekort onder de
loep neemt. Het is evenwel een zeer persoonlijke
noot. In een andere passage ontpopt De Vries zich
namelijk als een regelrechte socialistenvreter, die
ieder lokaal waar Troelstra ooit een voet heeft
gezet, tot verdoemde plaats bestempelt.3 Bovendien
goochelt hij behoorlijk met de chronologie:
niet alleen waar het de stichting van de verschillende
zalen betreft, maar ook waar het gaat om
alles wat zich voor 1894 in de socialistische beweging
heeft afgespeeld. Al met al moet de historische
betrouwbaarheid van zijn werk op dit punt
dus gering worden geacht. Natuurlijk, De Atlas
was (zoals De Vries schrijft) ‘een soort danshuis’,
maar dat waren alle zalen. Dansen was een geliefd
tijdverdrijf voor jong en oud van alle gezindten,
net als kermis, variété en later film. Pas het
‘beschavingsoffensief der rechtzinnigen zette de
danslustigen letterlijk in het verdomhoekje.
Omstreeks 1890 brak die nieuwe fatsoensnorm in
veel provinciesteden door. In Zwolle bijvoorbeeld,
kan men het in 1889 gedane verzoek tot
afschaffing van de zomerkermis, afkomstig van de
Christelijke Jongelingsvereeniging De Heer is
onze Banier, als een teken des tijds beschouwen –
ook al werd dat (nog) niet gehonoreerd.4
Geen slechte reputatie dus, maar wat dan wel?
Ook Vliegens karakteristiek klinkt wel erg eenzijdig.
We zullen proberen na te gaan welke rol De
Atlas in de Zwolse samenleving speelde, voordat
het gebouw zich door die simpele gebeurtenis in
1894 landelijke bekendheid zou verwerven.
‘Eene groote verbetering’ aan de Ossenmarkt
Anders dan De Vries suggereert, stamt het huidige
gebouw De Atlas pas uit 1883. Zowel de aanvraag
als de vergunning en de bouwtekening zijn
bewaard gebleven.5 Het ontwerp, een dubbel pand
in eclectische stijl, was van de Zwolse timmermanaannemer
T. Disselhof, die ook als aanvrager optrad.
Zijn opdrachtgever was procureur M.
Oppenheimer, aan wie Disselhof het perceel kort
tevoren had verkocht. Het vormde nu weer één
eigendom met het pand Voorstraat 17, zoals ook
tussen 1853 en 1861 het geval was geweest.6 Het
plan voorzag in het afbreken van een drietal
bestaande percelen aan de Ossenmarkt, waarvan
het meest westelijke blijkens de kadastrale kaart
een soort achter- of koetshuis van het pand in de
Voorstraat moet zijn geweest. Gemeente-architect
J.L. van Essen achtte Disselhof s ontwerp ‘eene
groote verbetering’ van de situatie ter plekke en
adviseerde B&W derhalve positief. De sloop moet
Opening Atlas.
Het nieuwe lokaal aan de Ossenmarkt wordt
voor hét publiek geopend Zondag 30 December.
Het lokaal wordt afgestaan voor partyen en
bijeenkomsten.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 93
Ontwerptekening voor
nieuwbouw op de
Ossenmarkt door
T. Disselhof, 1883
(Gemeentearchief
Zwolle).
spoedig daarna ter hand zijn genomen en ook de
bouw is vlot geschied. Op zondag 30 december
1883 kon het nieuwe lokaal in gebruik worden
genomen en vanaf dat moment zou het zich een
plaats verwerven naast De Harmonie, Van Hille
(op de Beestenmarkt), lokaal Aa-plein, De Zangschool
(op het Eiland) en andere.7
Waaraan de nieuwe zaal zijn naam ontleende,
is niet duidelijk. Misschien stond er ergens in of
op het pand een beeld van Atlas. Dit zou dan vergelijkbaar
zijn met het beeld van Mercurius, dat
zijn naam verleent aan het pand de De Mercuur
op de hoek van de Luttekestraat en de Korte Luttekestraat.
8 In geen geval was de naam op de gevel
aangebracht; de bekende foto, die dit suggereert, is
met pen bijgewerkt. Overigens is de bewering, dat
het etablissement pas na de fameuze bijeenkomst
van 26 augustus 1894 zijn vaste benaming zou hebben
gekregen, al evenmin juist. De gangbare aanduiding
was vanaf het eerste begin ‘lokaal Atlas’,
94 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Aankondiging van een
optreden van F. Domela
Nieuwenhuis in De
Atlas in de Zwolsche
Courant van 20 november
1884.
hoewel het ook als koffiehuis, logement en hotel
werd gepresenteerd.9
Uiterlijk komt het gebouw op de zojuist
genoemde foto vrijwel exact overeen met de ontwerptekening
van Disselhof; alleen de sierbogen
boven de ramen en vooral boven de beide ingangen
zijn wat ronder uitgevallen dan voorzien.
Deze ingangspartijen dienden volgens de bouwvergunning
binnen de rooilijn te worden uitgevoerd.
Ook de stoepen, die nodig waren vanwege
de enigszins verhoogde ligging van de benedenverdieping,
waren dus inpandig gehouden. De
aldus ontstane bei-etage werd vrijwel geheel in
beslag genomen door de zaal, waarin zich een
toneel bevond. Een latere (ver)bouwtekening
toont een toegangsdeur aan de rechterzijde.10 Het
feit dat de twee SDAP-ers van het eerste uur, Van
der Vegt en Os, zich op meergenoemde foto bij de
linkeringang (nu 9b) hebben geposteerd, doet
evenwel vermoeden dat de officiële ingang tot het
lokaal zich oorspronkelijk aan die zijde bevond.
Volgens de advertenties uit januari 1884 was het
overigens ook via de Voorstraat te bereiken. Achter
beide portalen lag de opgang naar de eerste
verdieping, waar de kamers van het logement
waren gesitueerd, en naar de zolder. De twee (of
drie?) personen die op de foto rechtsboven uit het
raam hangen om te zien waarvoor de fotograaf in
actie is gekomen, horen wellicht tot de kostgangers
uit die jaren. Vaste bewoners waren in de
jaren-1890 onder meer de handelsagent M. Hartog
op 9a en de weduwe Daams-de Rooy op 9b.n
Neringdoenden en heilsoldaten
Wie maakten er zoal gebruik van het nieuwe
lokaal? Het was volgens de eerste advertenties
geschikt voor ‘partijen en bijeenkomsten’ en werd
‘voor bijzondere gelegenheden … vrij afgestaan’.
Dat laatste betekende waarschijnlijk, dat de
exploitant van de consumpties hoopte rond te
komen en geen zaalhuur in rekening bracht. Dat
was natuurlijk anders, wanneer er voorstellingen
te zien waren, waarvoor entree moest worden
betaald. Deze lagen, net als die in andere kleine
zalen, vooral in de sfeer van het variété en het
volkse amusement. Als eerste vonden we op 23
januari 1884 ‘de wereldberoemde ZOELOES’ vermeld,
die later dat jaar onder meer gevolgd zouden
worden door ‘de man zonder armen’ en de
jongleurs van het Grand Matinee Gezelschap
Henry Roos. Dit Amsterdamse gezelschap had
blijkbaar zo’n succes, dat het verscheidene jaren
achtereen is teruggekomen.12 De eerste politieke
bijeenkomst was het optreden van niemand min-
Openbare voordracht
VAN
F. DOMELA NIEUWENHUIS,
uit ’s Oravenhage,
op Zaterdag 22 November, des avonds om 8 uur,
in het lokaal Atlas aan de Ossenmarkt.
Onderwerp: Werkeloosheid en •welvaart.
Vrije discussie.
Toegang 5 cent, tot dekking der kosten.
der dan de socialistische voorman F. Domela
Nieuwenhuis op 22 november 1884. Dat lijkt de
kwalificatie die Vliegen later aan het lokaal zou
meegeven al direct te rechtvaardigen. Dat wordt
nog versterkt door het feit dat behalve Domela
ook geestverwanten als J.A. Fortuyn, A.H. Gerhard
en W.P.G. Helsdingen een of meer keren in
De Atlas hebben gesproken.13 Toch was het lokaal
aan de Ossenmarkt geen stamkroeg van de socialisten;
enerzijds traden bijvoorbeeld P.J. Troelstra
en de voorvechtster voor vrouwenrechten W.
Drucker op in de Buitensocieteit, anderzijds was
de progressieve liberaal B.H. Heldt enkele malen
te gast aan de Ossenmarkt. Behoudender liberalen
en partijgangers van Christelijken huize, zoals L.
Schaepman, zochten bij voorkeur Schouwburg
Odeon op.14 Op 30 juli 1892 werd door de Sociaal
Democratische Bond trouwens een eigen gebouw
in gebruik genomen, De Dageraad aan de Molenweg.
Weer was Domela van de partij, vergezeld
door J.A. Fortuyn en L.M. Hermans. Als er een
lokaal ‘hyperproletarisch’ was in Zwolle, dan moet
het dat wel zijn geweest.15
Al betrekkelijk snel na de opening, werd De
Atlas de vaste vergaderplaats voor een aantal
Zwolse verenigingen. Daaronder waren de Coöperatieve
Zwolsche Winkelvereeniging, de VereeZWOLS
HISTORISCH TIJDSCHRIFT 95
niging tot Bevordering der belangen van de Handel
en Neringdoenden Stand in Zwolle (opgericht
begin 1883), het Algemeen Zwolsch Werkliedenverbond
en de Werkliedenvereeniging Werkmans-
Eer. Het AZWV gold als de Zwolse afdeling
van het Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond,
een in 1871 gesticht vakverbond van liberale
snit. Het stamde zelf uit 1874 en telde op zijn hoogtepunt
zo’n vierhonderd leden, ongeveer 12,5%
van het landelijke ledental. Eveneens van 1874 was
Werkmans-Eer, dat blijkens de aankondigingen
van toneelavonden vooral het karakter had van
een gezelligheidsvereniging; het had zich afzonderlijk
bij het ANWV aangesloten.16 Bij deze politiek
gematigde clubs voegden zich al spoedig twee
stromingen van een meer uitgesproken karakter,
namelijk de drankbestrijding en de beweging voor
algemeen kiesrecht. De Nederlandse Bond voor
Algemeen Kies- en Stemrecht, afdeling Zwolle,
kwam op 25 februari 1885 voor het eerst in De Atlas
bijeen, waarbij ds. D. Pekelharing het woord voerde.
Het was niet de eerste kiesrechtmanifestatie en
het zou ook lang niet de laatste zijn.17 De Volksbond
tegen Drankmisbruik kreeg in het vroege
voorjaar van 1889 een Zwolse afdeling, terwijl op
hetzelfde moment pogingen werden gedaan de
Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van
Sterken Drank ter plaatse te reactiveren. De Volksbond
had als brede beweging het meeste succes en
wist binnen enkele jaren een volksleeszaal annex
koffiehuis te realiseren, gevestigd in De Atlas.18
Omstreeks 1890 ontstonden ook de Zwolse
afdeling van het Leger des Heils, een Comité voor
de Middernachtzending (een beweging die ageerde
tegen de prostitutie) en een radicale Arbeidersbond;
zij kozen alle het lokaal aan de Ossenmarkt
voor hun bijeenkomsten.19 Er bleef dus een breed
spectrum aan maatschappelijke groeperingen van
De Atlas gebruik maken, en het enige wat men kan
zeggen is, dat zij wel een zekere sociale inslag
gemeen hadden. De reden om juist hier in 1894 de
oprichtingsvergadering van een nieuwe sociaaldemocratische
partij te houden, lag echter, zoals
nu wel duidelijk is, niet in het door Vliegen veronderstelde
hyperproletarische karakter. Misschien
speelde wel de omstandigheid, dat zeker vijf van
de twaalf mannen van het eerste uur het gebouw
van binnen kenden, een zekere rol.20 Veel belangrijker
echter zal de symboliek geweest zijn van
deze plaats, waar in het afgelopen decennium in
een – zwaar bevochten – vrijheid en openheid
zoveel ideeën over een betere toekomst waren uitgewisseld.
De Dageraad daarentegen, kon uitsluitend
worden vereenzelvigd met de Sociaal-Demo-
Hotel „ATLAS.”
GROOTE ZAAL VOOR PARTIJEN
MET TOONEEL.
H. J. Levie, Voorstaat, Zwolle.
cratische Bond. Hoewel de meeste SDAp’ers van
het eerste uur als ‘Bonders’ waren begonnen, leidde
de principieel anti-parlementaire houding,
waartoe Domela en de zijnen in 1893 hadden
besloten, tot een scheiding der geesten. De initiatiefnemers
voor de ‘nieuwe bond’ wensten zich
juist nadrukkelijk te distantiëren van afglijden
naar het pure anarchisme. De ironie der geschiedenis
wil, dat nog geen drie maanden na de
oprichting van de SDAP het lokaal aan de Molenweg
door de Christelijken werd overgenomen.21
De klop op de Zwolsche deur
Zo troffen dus op zondagochtend 26 augustus
1894 de ‘Twaalf apostelen’ elkaar aan de Ossenmarkt.
Voor de loop van de gebeurtenissen volgen
we hier de beschrijving door een van hen, de
Zwolse onderwijzer H.J. van der Vegt.22
‘Voor deze bijeenkomst kon men toegang krijgen
door het teekenen van de volgende verklaring:
‘Vergadering tot regeling der organisatie van alle
democratische socialisten, d.w.z. van diegenen,
die zoowel op politiek als op economisch gebied
het gemeenschappelijk bezit der productiemiddelen
nastreven en die dus ook het kiesrecht willen
veroveren en gebruiken als wapen in den klassenstrijd.’
Deze formule werd door 54 personen, uit
Advertentie in het
Adresboek voor Zwolle
van 1891.
96 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Ontwerptekening voor
de verbouw tot garage
doorH. deNie, 1920.
(Gemeentearchief
Zwolle).
alle deelen van ons land afkomstig, geteekend en
met dit groepje personen zag de SDAP het licht.
Op deze vergadering presideerde Vliegen.
Twaalf jaren had hij in de oude SDB meegestreden:
‘Dan kost het moeite u los te scheuren. Maar nu
dat eenmaal is gebeurd, dienen de handen aan het
werk geslagen, om ons te redden uit het moeras
van begripsverwarring en onzekerheid, waarin we
zijn verzeild geraakt.’ Een bestuur werd gekozen
en een programcommissie benoemd. Toen Vliegen
de vergadering sloot gingen de aanwezige
mannen overeind en hieven het oude vrijheidslied
aan. Met nieuwe moed bezield verlieten de aanwezigen
lokaal Atlas.
De reacties op de geboorte van de nieuwe partij
waren zeer divers. De oude strijdmakkers van
de SDB spraken er smalend over – van hen is de
spotnaam ‘De Twaalf Apostelen’ afkomstig, die al
spoedig een geuzennaam werd -. Zij verspreidden
naderhand het gerucht dat een deel van de kersverse
SDAp’ers zich na afloop van de constituante
in hotel De Zon op de Grote Markt aan drank te
buiten was gegaan. En dat in kringen waarin de
onthouding een der meest heilige principes was en
waar men overigens – zoals Van der Vegt schrijft –
zich op bijeenkomsten slechts de goedkoopste
drank kon permitteren: melk. Voor een stuiver
het glas. Opmerkelijk veel aandacht besteedde de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 97
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant
aan de zaak. Dat gold zowel de oprichting als de
daaropvolgende manifestatie voor afschaffing van
het privé-bezit, waarmee de Twaalf hun initiatief
hadden weten de combineren. Ook de plaatselijke
afdeling, die nog dezelfde dag tot stand kwam en
zijn eerste openbare vergadering op 3 september
d.a.v. hield, kon rekenen op een zekere welwillende
aandacht.23 Daarmee was men er uiteraard nog
lang niet. De Zwolse SDAp’ers van het eerste uur –
onder wie behalve Van der Vegt ook medeoprichter
Levie Cohen en de ‘dertiende apostel’
Izaak Os – zouden tot na de eeuwwisseling kampen
met organisatorische, financiële en politieke
problemen. Onder de laatste was zeker het lange
uitblijven van de kiesrechthervorming. Pas in 1903
werd de eerste SDAp’er in de gemeenteraad gekozen,
de spoorman Klaas Admiraal, die na de
rampzalig verlopen Spoorwegstaking zijn baan en
zijn zetel kwijtraakte. In 1907 kwam Henk Sneevliet
in de raad. Later zou deze als communist en
verzetsstrijder internationale bekendheid verwerven.
24
Hoe het De Atlas verder verging
Tijdens de staking van 1903 moet De Atlas als een
soort permanent vergadercentrum hebben gefungeerd.
25 Weinigen binnen de socialistische beweging
hadden toen kunnen bevroeden, wat voor
bestemming het twintig jaar later zou krijgen.26
Nadat het door de eerste eigenaar, M. Oppenheimer,
van de hand was gedaan, werd het verbouwd
tot garage. Daarbij werd de houten vloer weggebroken
en het niveau met een meter verlaagd, terwijl
de gietijzeren kolommen waarop de verdieping
rustte werden vervangen door stalen
dragers.27 De bovenwoningen werden gehandhaafd;
zij werden toen al geruime tijd bewoond
door de handelsbediende G. Meijer en de kunstschilder
J.W. Meijer.28 In 1934 vinden we het complex
in handen van de Onze-Lieve-Vrouweparochie,
die het als verenigingsgebouw in gebruik
heeft genomen. Het is de hoogtij van de verzuiling;
de dan veertigjarige SDAP-afdeling beschikt
eveneens over een eigen gebouw, Palvu, op de
Eekwal. Aan deze naam is geen hang naar de klassieke
oudheid of poëtische toekomstverwachting
meer af te lezen – ze is eenvoudig een afkorting
van de leuze ‘Proletariërs aller landen, verenigt u!’
Weer een halve eeuw later zijn de meeste zuilen
omgevallen of afgebrokkeld en heeft ook het
aloude lokaal op de Ossenmarkt een nieuwe,
bedrijfsmatige bestemming gekregen. De huidige
eigenaar, de markiezenfabrikant Runhaar, verleende
in 1984 echter gaarne zijn medewerking tot
plaatsing van een gedenksteen. Hopelijk brengt
deze de voorbijganger tot het besef, dat Zwolle
niet alleen de stad is van de patriotten en de liberalen,
maar ook van die andere belangrijke politieke
stroming in de geschiedenis van onze democratie.
De op 25 augustus 1984
geplaatste gedenksteen,
ontworpen door
de Zwolse beeldhouwer
Walraed Cremers (foto:
F.D. Zeiler).
98 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Noten
1. 1894-1904, Gedenkboek bij het tien-jarig bestaan der
SDAP (Amsterdam 1904) 71.
Jos Perry, ‘De jaren 1894-1919’ in: M. Brinkman e.a.
(red.)> Honderd jaar sociaal-democratie in Nederland
1894-1994 (Amsterdam 1994) 10.
2. Thom. J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle 77 (Zwolle
1961) 265. Vgl. P. Sprenger, De SDAP in Zwolle, 1894-
1914; een onderzoek naar het socialisme in ‘de provincie
(Scriptie UvA, Amsterdam 1979) 4 en noot 17.
3. De Vries, 261-262.
4. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 18
juni 1889. Als voorbeeld van een recente studie over
deze omslag van liberaal naar verzuild-confessioneel
noemen we: DJ. Wolffram, Bezwaarden en verlichten.
Verzuiling in een Gelderse provinciestad.
Harderwijk 1850-1925 (Amsterdam 1993).
5. GAZ AAZ02-01555, Ingekomen stukken B&W, nos.
1788 en 1821,1 en 8 sept. 1883.
6. Een en ander blijkt uit de kadastrale gegevens, in
afschrift aanwezig op het Gemeentearchief Zwolle;
[sectie F no. 1513] was in 1832 eigendom van J.M. van
Rhijn, griffier der Staten, op wiens naam vanaf 1854
ook Ossenmarkt 9 [sectie F no. 1514] stond. Marcus
Oppenheimer, die elders in de Voorstraat op no. 35
woonde, verwierf no. 17 in 1878 van de weduwe van
Van Rhijn, E. Nilant. De transactie tussen Disselhof
en Oppenheimer, die in 1883 moet hebben plaatsgevonden,
is voorzover we konden nagaan niet notarieel
vastgelegd (althans niet in Zwolle). Zoals
gebruikelijk vermelden de kadastrale leggers de sloping
pas in 1884 en de opbouw in 1885, d.w.z. naar
de (officiële) toestand van het voorafgaande jaar.
7. POZC, 31 dec. 1883; ibid. 5, 7-12 en 14 jan. 1884, alle
advertenties onder de kop ‘Opening Atlas’.
8. Het ook voor die tijd opmerkelijke pand wordt
genoemd in de Geïllustreerde Gids voor Zwolle en
omstreken (Zwolle 1895) 35.
9. Het met de pen bijwerken is vastgesteld door N.
Holzscherer aan de hand van het origineel van de
foto (IISG, Arch. Schaper 2). Uit de POZC (noot 7)
blijkt duidelijk, dat de naam van den beginne af is
gebezigd. Vanaf 15 jan. 1884 wordt het etablissement
in advertenties echter tevens aangeprezen als
‘Hotel-Café Atlas.’ Ook een advertentie in het
Adresboek Zwolle van 1891 (adv.pag. I) spreekt van
‘Hotel Atlas.’
10. GAZ, Bouwtekeningen uit het archief van Bouw- en
Woningtoezicht, Ossenmarkt 9, augustus 1920.
11. Adresboek 1891, Wijk A nos. 122 en 122a; Adresboek
1896, Wijk A 122a (hierin m.b.t. A 122 mogelijk een
verwisseling met een ander etablissement). In 1896
wordt het pand Voorstraat 17 geëxploiteerd door
A.M. Goene onder de naam ‘Hotel Café Centraal’
(adv. t.o. pag. 149).
12. POZC 23 jan., 20 mrt. en 4 aug. 1884; 15, 22 en 23 sep.
1886; 30 juli 1887.
13. We vonden de volgende vermeldingen in de index
op de POZC [BC = Buitensocieteit; DA = De Atlas;
DD = De Dageraad; NW = Nieuwe Werk; Od =
Odeon; po = plaats onbekend]:
Vitus Bruinsma: 7 mei 1889 [DA]; 20 mrt. 1893
[DD].
F. Domela Nieuwenhuis: 20/25 nov. 1884 [DA];
29/30 juni 1885 (‘Recht op arbeid of niet’) [DA]; 30
juli/2 aug. 1892 [DD].
W. Drucker: 3/6 oct. 1891 [BS].
J.A. Fortuyn: 20/26 aug. 1885 [DA]; 30 juli/2 aug.
1892 [DD].
J.A. Geel: 8 sept. 1892 (‘over zijn gevangenschap en
over socialisme’) [DD].
A.H. Gerhard: 8 jan. 1891 [DA]; 23 apr./2 juni 1891
[BS].
W.P.G. Helsdingen: 14 nov. 1891 [DA]; 13/16 feb.
1892 (‘over Christendom en Socialisme’) [DA]; 25
apr.i893[NW].
L.M. Hermans: 30 juli en 2 aug. 1892 [DD].
H.H. van Kol: 14 juni en 21/25 juli ^93 [DD].
P.J. Troelstra: 5 sept. 1891 [BS]; 25 apr. 1893 [NW].
S. van Veen, Christen-socialist: 16 jan. 1892 [DA].
14. Als noot 13:
F. van Gheel Gildemeester: 7 feb. 1890 (‘Het streven
der socialisten’) [Od].
H. Goeman Borgesius: 16 jan. 1888 (‘over socialisme’)
[Nut]; 16 feb. 1889 [Od].
B.H. Heldt: 11/19 nov. 1889 [DA]; 28 nov. 1892 [DA].
H. Schaepman: 12/16/17 jan. 1885 [Od]; 13 jan. 1886
(‘over Socialisme’) [po].
15. POZC 30 juli/2 aug. 1892. De Vries (als noot 2), 261-
262 geeft er echter een wel heel weinig vleiende
beschrijving van. Vgl. Sprenger par. 2 noot 10, waarin
hij suggereert, dat zaalhouders Domela na 1884
niet meer wilden toelaten. Deze bewering is vermoedelijk
ontleend aan de memoires van H.J. van
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 99
der Vegt, De Klop op de Zwolsche deur, afl. 2 (zie verder
noot 22). Deze boycot zal – gezien de leemte in
de in noot 13 weergegeven sprekerslijst – vooral in
de jaren 1886 tot en met 1888 hebben gespeeld.
16. Sprenger par. 2 geeft een helder overzicht van de
voorlopers van de moderne vakbeweging en hun
Zwolse afdelingen.
Coöperatieve: POZC 19 apr. 1886 (eerst vermelde vergadering
in De Atlas.
Ver. tot Bevordering: POZC 6 jan. 1883 (oprichting),
10 mei 1886 (eerste vergadering in De Atlas).
AZWV vergadert aanvankelijk bij Van Hille (POZC 11
nov. 1886), besluit in 1887 voortaan in De Atlas bijeen
te komen (POZC 12 sept. 1887).
De eerste vermelding van een toneelavond onder
auspiciën van de AZWB vonden we in de POZC van
18 mrt. 1890, de eerste aankondiging van Werkmans-
Eer (met bal na!) op 29 jan. 1891. Over het 20-
jarig bestaan: POZC 27 aug. 1894. Ook de toneelvereniging
Onderling Genoegen had overigens zijn uitvoeringen
in De Atlas (bv. POZC 4 nov. 1890).
17. POZC 25 feb. 1885; vgl. ibid. 8 sept. 1884, verslag van
een ‘volksvergadering voor algemeen stemrecht’, de
dag daarvoor gehouden in de zomertent van café
Van Hille aan de Beestenmarkt. Voor deze vereniging
sprak W.P.G. Helsdingen op 13 februari 1892
(zie noot 13). De oprichtingsdatum stemt niet overeen
met de door Van der Vegt, ‘De klop…’ afl. 2
vermelde feiten (zomer 1889).
18. POZC 3 mei 1886; ibid. 16/18/22 feb., 9 mrt., 8 juni en
4 sept. 1889. De eerste vermelding van een bijeenkomst
in De Atlas is van 14 feb. 1890. De Vereniging
tot Afschaffing bleef overigens bestaan (POZC 22
aug. 1891), terwijl zich als derde drankbestrijder de
Nationale Christelijke Geheelonthoudersvereeniging
aandiende (POZC 6 nov. 1891). De vestiging van
de leeszaal en het bier- en koffiehuis (bier werd niet
als sterke drank beschouwd) wordt vermeld in de
POZC van 29 mrt. en 11 apr. 1892; vgl. 17 oct. 1892. Uit
een bericht van 9 jan. 1893 blijkt, dat men hier ook
‘volksvoordrachten’ hield.
19. Oprichting Leger des Heils: POZC 8 mrt. 1890; zondagavond-
bijeenkomsten in De Atlas: ibid. 19 apr.
1890.
Oprichting Middernachtzending: pozc 5 sept. 1891;
bijeenkomst in De Atlas: ibid. 23 juli 1892.
Oprichting Zwolsche Arbeidersbond: POZC 8 jan.
1891; voor deze bond sprak later dat jaar Wilhelmina
Drucker (zie noot 13).
20. Fortuyn, Gerhard en Helsdingen hadden er gesproken
(zie noot 13); Troelstra en Van Kol waren elders
in Zwolle opgetreden.
De Zwollenaren Cohen en Van der Vegt kenden het
lokaal uiteraard vanouds. De overige vijf oprichters
waren F. van der Goes, H. Polak, J.H. Schaper, H.
Spiekman en W.H. Vliegen.
21. POZC 13 oct. 1894.
22. H.J. van der Vegt, ‘De Klop op de Zwolsche Deur.
De Zwolsche arbeidersbeweging in het laatst der
19de en het begin der 20ste eeuw’, Zwolsch Nieuwsen
Advertentieblad 10 oct. 1931 – na 8 sept. 1932, 25
afl. Aanwezig op het IISG te Amsterdam, Kleine
Persoonlijke Archieven z.nr. Met dank aan B. Hijma
voor het terugvinden van dit voor Zwolle zeer
interessante ego-document.
23. POZC, 28 aug. en 6 sep. 1894.
24. Van de meeste pioniers in SDB en SDAP zijn levensbeschrijvingen
opgenomen in het Biografisch woordenboek
van het socialisme en de arbeidersbeweging
in Nederlandl-V (Amsterdam 1986-1992). Wij noemen:
Levie Cohen (1864-1933), I 28-30 [B. Reinalda];
Helmig Jan van der Vegt (1864-1944), II161-163
[C. van Dijk]; Hendricus Josephus Franciscus
Marie Sneevliet (1883-1942), I 111-119 [F. Tichelman].
Over Klaas Admiraal: Sprenger, 11-15. Over
Izak Os: W. Cornelissen, Izak Os (1870-1943). Zwols
Historisch Tijdschrift^ (1992) 47-50.
25. Van der Vegt, De Klop… afl. 15 [=16].
26. Kadastrale gegevens, als noot 6.
27. Als noot 10. Eigenaar was toen H.A.H. Derksen, die
het tesamen met de panden Voorstraat 13-15 had
verworven. In 1934 vinden we echter weer de combinatie
met Voorstraat 17.
28. Adresboek 1903 en 1919.
100 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een gewone jongen in Zwolle
Willem Boxma
Willem Boxma als back
(links van de keeper) in het
PEC-junioren elftal, dat in
1936 in een onderlinge
competitie kampioen werd
(foto: Willem Boxma).
Als ik na aankomst op station Zwolle via de
Groeneweg de Verenigingstraat ben ingewandeld,
schijnt mij niets veranderd sinds
de dag in 1928 toen ik als kleine jongen inwoner
van de stad werd. Het verrast me de straat geplaveid
te zien met hetzelfde onberispelijke mozaïek
van grijsblauwe waaltjes van toen; alleen was het
trottoir ook met die klinkertjes belegd. Staande
voor de woning met het rijtjesnummer 33 probeer
ik heimelijk een blik naar binnen te werpen. Aanbellen
durf ik niet. Moet ik tegen de bewoner zeggen:
‘Vijfenzestig jaar geleden heb ik hier gewoond,
mag ik nog eens binnen komen kijken?’.
Hij zal me zien aankomen! Ik neem daarom maar
aan, dat de alkoof tussen voor- en achterkamer,
die tegelijk diende als slaapkamer voor een logé
die komen mocht en als bergkamer voor alles-ennog-
wat, wel bij de aanliggende kamers getrokken
zal zijn. En de keuken heeft natuurlijk ook een
heel ander aanzien dan destijds. Toen we er kwamen
wonen deugde het granito aanrechtblad niet.
Vader vroeg een granietwerker om raad. Die verscheen
en bleek een Italiaan te zijn met een imposant
stuk gereedschap onder de arm. Met de
moker gaf hij een zodanig fikse dreun op het aanrecht,
dat er een boeiend lijnenspel aan scheuren
te bewonderen viel. ‘Elemale nikse waard’, was
zijn conclusie, ‘moete nuwe gemaak wor’. Een
oplossing die zelfs voor mij voor de hand lag.
Voor hij aan het karwei begon, bond hij bij wijze
van schort een cementzak om zijn middel en zijn
vriendelijke zuidelijke oogjes in mijn richting
wendend, zei hij: ‘Ikke net diensmeissie’.
Het primitieve ‘huuske’, zoals wij het bleven
noemen, is nu ongetwijfeld omgebouwd tot een
keurig betegelde ruimte waarin de bank met het
gatdeksel en het eronder geschoven tonnetje door
een modern watercloset zijn vervangen. Dat volle
tonnetje werd op gezette tijden door personeel
van de gemeentereiniging gehaald en tegen een
lege omgewisseld. De tonnetjesmannen kwamen
daartoe met paard en wagen voorrijden. Op een
van hun schouders rustte een leren zadel, dat met
een riem over borst en rug op z’n plaats werd
gehouden. Ze slingerden de ton met inhoud op
dat zadel, droegen die met één arm rechtop houdend,
via keuken, kamer, gang en voordeur
behoedzaam naar de wagen om vervolgens, met
eenzelfde manoeuvre een leeg exemplaar terug te
plaatsen. Een keer heb ik het mis zien gaan. Bij de
buren nog wel. De stakker – mijn god, je zult maar
gebukt onder tonnen met stront je schrale dagelijkse
boterham moeten verdienen! – de stakker
dus gleed uit over een gangmatje en de toninhoud
spatte uiteen op de vloer en tegen de wanden. Het
zou je maar gebeuren! Of je bewoner was of tonnetjesman,
’t was voor beiden even erg. Wie de
troep heeft opgeruimd, weet ik niet. ’t Lijkt me een
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT l ö l
taak voor diezelfde gemeentereinigingsdienst te
zijn geweest.
Vader was bij de spoorwegen en – zoals bij dat
bedrijf niet ongebruikelijk – overgeplaatst van ons
vertrouwde Heerenveen naar Zwolle. Wij, en
vooral mijn moeder en ik, voelden ons vreemdelingen
toen we onze intrek namen in het rijtjespand
nummer 33 in de Verenigingstraat. Mijn
ouders hadden het huis gehuurd, nadat een
opdringerige ‘makelaar’ hen half Zwolle had
rondgeleid met als doel bezichtiging van woningen
met een aan de deurpost getimmerd bordje ’te
koop ofte huur’. Er moet weinig keus in de kleine
provinciestad zijn geweest en het moest natuurlijk
ook van een vast spoorsalaris betaalbaar zijn. En
zo was uiteindelijk genoegen genomen met Verenigingstraat
33.
Al op de dag van aankomst – de inboedel
kwam met een spoorwagon na – realiseerden we
ons dat wij ons als Friese plattelanders aan het
Zwolse stadsleven zouden moeten gewennen.
Vader sprak redelijk Hollands – ‘Hooghaarlemmerdijks’
werd in Friesland spottend gezegd –
moeder sprak gemengd, ofwel veel Fries en weinig
Hollands en ik had nooit anders dan Fries gesproken.
Tijdens het gedoe van het verhuizen vonden
we gelukkig aanspraak bij het gezin van een collega
van vader die verderop in de straat woonde.
Ook Friezen. Volgens moeder moet ik daar al zeer
vroegtijdig het verlangen naar het vertrouwde
Heerenveen terug te keren kenbaar hebben gemaakt.
Verscholen onder de eettafel zou ik hartstochtelijk
mijn en moeders wens hebben uitgesproken:
“k Wol wer nei myn ald hüs werom’.
Waarop zij mij troostte met het advies ‘myn
duumke’ maar in de mond te steken.
Later bleek er nog een baken in de Verenigingstraat
te bestaan. Op de hoek met de Groeneweg
dreef Brandsma een kruidenierswinkeltje. Brandsma,
de naam zegt het al, was ook een Friese immigrant,
nota bene afkomstig van Heerenveen. Of het
zo zijn moest! Brandsma’s winkel was voor ons wat
nu de winkel van een Turk voor Turkse landgenoten
betekent, ’t Was niet alleen voor boodschappen
dat moeder bij Brandsma binnenging.
Aan initiatieven om iets te
verdienen was in de crisisjaren
geen gebrek. Hier
heeft een fotograaf die met
een paardje rondtrok, een
foto gemaakt in de Papaverstraat,
op de hoek met
de Goudsbloemstraat
(foto: Willem Boxma).
102 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Vader meende dat wij ons aan de gewijzigde
onmstandigheden moesten aanpassen. Hij vond
dat zulks gemakkelijker zou verlopen, als wij ons
best zouden doen ons, in elk geval buiten de deur,
zoveel mogelijk in het Hollands uit te drukken.
Integreren dus! Hij vond het, geloof ik, een beetje
gênant als wij hem op straat in ons ‘boerentaaltje’
aanspraken. Dat advies gold vanzelfsprekend niet
bij ontmoetingen met eigen landslui. In dat geval
kon hij geen Hollands woord over de lippen krijgen.
Toch moesten mijn broer en ik voortaan
‘vader’ tegen hem zeggen in plaats van het ingeroeste
‘heit’. Hij kreeg maar voor de helft zijn zin:
hij kon de aanspreektitel ‘Va’ krijgen en verder
gingen we niet. En wat onze moeder betreft, het
ons nietszeggende ‘moeder’ kregen we helemaal
niet door onze kelen. We weigerden ook concessies
tot aan de helft te doen. Dus ook geen ‘moe’.
Ze bleef voor ons haar leven lang ‘Mem’, jawel met
een hoofdletter.
Mem heeft zich in Zwolle nooit thuis gevoeld. De
Zwolse sfeer bleef haar vreemd en dat niet alleen
vanwege het dialect, dat toen nog algemeen in de
stad en daaromheen werd gehoord. We waren
gewend geweest, dat familie, buren, kennissen en
leveranciers en ander goed volk vrijelijk door de
achterdeur binnenkwam. Hier was het anders.
Hier was achterom gaan niet mogelijk. Moest je
bij iemand zijn, dan hoorde je aan de voordeurbel
te trekken of op een knopje te drukken en te wachten
tot er iemand in de deuropening verscheen.
Mem vond het echt erg, als op het bellen of schellen
niet eens de deur geopend werd en zij via een
piepklein luikje dat ook nog eens beveiligd was
met kruiselings traliewerk, waarachter het gelaat
van de bewoner of bewoonster ternauwernood
zichtbaar was, te woord werd gestaan. Ze voelde
zich dan zo ongeveer als een non die haar bezoek
niet verder mocht toelaten dan tot de kloosterpoort.
In zo’n situatie – zij soms bij regen en kou
op de stoep, vóór het luikje, en de ander beschut
achter het traliewerkje – kon de conversatie soms
lange tijd in beslag nemen.
Het lieve mens heeft naar ‘Fryske groun’
terugverlangd zolang ze in de hoofdstad van Overijssel
heeft gewoond, voortdurend levend in de
hoop dat ze eens naar het Heitelan kon terugkeren.
Het is er nooit van gekomen. In 1956 werd ze
zwaar ziek overgebracht naar een specialistisch
ziekenhuis in Amsterdam. Ze stierfin die veel grotere
stad. Een stad waarin ze tijdens haar leven
nooit een stap heeft gezet.
Wij kinderen, waren soepel genoeg om ons bij het
Zwolse leven en het daarbijbehorende ’taoltien’ en
bij de kinderen in de straat en op school aan te
passen. We speelden voetbal op straat. Ja, wat
speelden we op straat niet? We hoepelden, we hinkelden,
we tolden, we reden auto met het onderstel
van een afgedankte kinderwagen.
Voetballen op straat deden we als er geen ’tute’
in zicht was, want ’t was verboden. Je moest dus
wel op je qui-vive zijn. De bal was self-made, een
prop van samengeperste kranten, bijeengehouden
door een strakgespannen touwtje of rekbare ringetjes
geknipt uit een afgedane binnenband van
een fiets. Het nadeel was dat de nepbal niet stuiten
kon, niet weerbestendig was en maar een beperkte
gebruiksduur had. Waarom geen echte bal? Die
waren toen misschien nog niet te koop en als dat
wel het geval was, waren ze hoogstwaarschijnlijk
te duur voor ons gewone jongens.
Voetballen met een ‘echte’ bal, dat wil zeggen
een die van leer was, kon je alleen doen door je bij
een voetbalclub aan te sluiten. Je kon kiezen tussen
PEC, ZAC en Zwolsche Boys, tussen welke aanhangers
een danige rivaliteit heerste. Mijn broer
en ik waren voor PEC, dat in de eerste klasse van de
competitie speelde. Was het lot een seizoen lang
PEC onwelgevallig geweest en was de club veroordeeld
tot degradatie naar de tweede klas, dan kon
je er op rekenen dat de jeugdige fans van ZAC en
Zwolse Boys je de dag na de rampzalige zondag,
niet zonder leedvermaak, nazongen:
P.E.C., daar ga je
Naar de tweede klas,
Omdat er in de e-e-e-r-s-t-e
Geen plaats meer voor je was!
Voetballen was niet onze enige favoriete sport. Zo
nu en dan gingen we naar de wielerbaan achter
café-uitspanning Urbana aan de Almelose straatweg.
Ik heb er het succesvolle koppel Pijnenburg-
Wals, winnaars van de Zesdaagse, nog rondjes
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 103
zien trappen. De exploitatie kon waarschijnlijk op
den duur niet uit. Na een niet al te lang bestaan
werd de kostbare velodroom dan ook afgebroken.
Met het begin van de jaren dertig was de alom
gevreesde crisis doorgebroken en menigeen ging
de gevolgen aan den lijve ondervinden. Het aantal
stempelaars groeide. Veel werklozen probeerden
een centje extra te verdienen. Dat diende met
voorzichtigheid te gebeuren, want het moest
natuurlijk meestal buiten ‘de steun’ en de werkverschaffing
om. De controle op het onwettig bijverdienen
was streng en onberekenbaar. Velen
werden gedwongen tot arbeid waarvoor ze helemaal
de opleiding niet hadden of waarvoor ze
altijd de neus hadden opgehaald.
En wie bijvoorbeeld muziek in het openbaar
ten gehore wilde brengen, had daarvoor bovendien
een gemeentevergunning nodig. Nog zie ik
die stumperd van de Assendorperstraat de Verenigingstraat
binnenkomen. Hij was als keurig burgerman
gekleed en moet, neem ik nu aan, kantoorbediende
zijn geweest. Maar hij kan even goed
een werkloos musicus geweest zijn. Dat was zelfs
waarschijnlijker, ook al bespeelde hij een simpele
blikken fluit en beperkte hij zich tot de populaire
melodietjes van die dagen. Onrustig hield hij,
onderwijl schelle tonen uit zijn inst