
1986
ZWOLS
HISTORISCH
TIJDSCHRIFT
&i»&^$(£**nïy~^*&*>x
ZWOL6E HI&TODlcSCHE VEDENIGING
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
INHOUDSOPGAVE / NUMMER TWEE / JAARGANG DRIE / 1986
29 VAN DE REDACTIE
ARTIKELEN
30 De naamgeving aan het Dr. G. Horreüs de Haaspad
Mr G. Loopstra
34 Eindbestemming Zwolle. Het levensverhaal van de negentiende-
eeuwse onderwijzeres Alberdina Woldendorp
Mineke van Essen
VAN DE INSTELLINGEN
46 Tentoonstellingsagenda Provinciaal Overijssels Museum
52 Culturele Raad Overijssel: Basiscursus voor amateurhistorici
BOEKBESPREKINGEN
47 “Fragmenten” Besproken door R.G. Fuks-Mansfeld
50 “Handleiding voor de locale en regionale geschiedbeoefening”
Besproken door Jaap Hagedoorn
49 OPROEP
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift:
W.A. Huijsmans, P. Lindhcud, R.T. Oost (eindredacteur),
mevr. I. Wormgoor & mevr. A. van der Wurff.
Redactie Zwols Historisch Jaarboek:
J.F. Borst (eindredacteur) & P.J. Lettinga.
• Zwolse Historische Vereniging
Niets uit deze uitgave mag woeden verveelvoudigd en /
of openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopy.
microfilm of op welke wij^e ook, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de uitgever.
VAN DE REDACTIE
In deze aflevering van het Zwols Historisch Tijdschrift treft
U een tweetal artikelen aan. Beide schetsen de levensloop van
bekende Zwollenaren.
Het eerste is gewijd aan Dr. Horreüs de Haas, predikant van de
Nederlands Hervormde Gemeente te Zwolle van 1919 tot 1943 en
prominent lid van de S.D.A.P. Met dit artikel lopen we vooruit
cp de lezing van 27 mei, waarin aandacht besteed zal worden
aan deze bekende Zwollenaar.
In de onderwijzeres Alberdina Woldendorp ontmoeten we een
vrouw, die in een tijd-dat van emancipatie nog geen sprake was,
uitgroeide tot iemand die in de Zwolse geschiedenis zeker een
plaats verdient. Alle aanleiding daarvoor geeft het in dit
nummer opgenomen artikel over haar levensloop.
Eeen tweetal boekbesprekingen, berichten en een beschrijving
van het omslag van ons tijdschrift completeren dit nummer.
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift.
30
DE NAAMGEVING AAN HET DR. G. HORREUS DE HAASPAD
MR. G. LOOPSTRA
Op 24 oktober 1985 gebeurde datgene, wat wellicht veel eerder
had moeten gebeuren. De naam van een bijzonder stadgenoot werd
in de registers van de Zwolse straatnamen opgenomen.
De motivatie om naar ds. Horreüs de Haas een pad te noemen bestond
uit de vermelding dat hij van 1919 tot aan zijn dood in
1943 predikant der Nederlands Hervormde gemeente in Zwolle was
geweest. Echter hij zou zijn bekendheid ook ontlenen aan zijn
functioneren als prominent lid van de Sociaal Democratische
Arbeiderspartij (S.D.A.P.).
Zonder enige twijfel mag gesteld worden dat deze motivatie wat
magertjes is. Wanneer we namelijk de literatuur bekijken, dan
blijkt pas hoe moeilijk het is om de enorme verdiensten van Horreüs
de Haas op doeltreffende wijze samen te vatten. Wanneer wij,
als mensen van de jaren ’80 ons eens zouden verdiepen in de werken,
die hij in de jaren ’20 en ’30 geschreven heeft, dan kan er
slechts een beeld ontstaan van een zeer grote en respect afdwingende
persoonlijkheid. Zij die het genoegen hebben gehad om
hem persoonlijk te kennen of naar hem als dominee hebben kunnen
luisteren, zullen dit zeker beamen.
Gerard Horreüs de Haas werd in 1879 te Beneden-Knijpe (Frl.)
geboren. Zowel van vaders- als van moederszijde stamde hij af
van een oud Nederlands Hervormd predikantengeslacht. Hij studeerde
theologie in Groningen en was vervolgens predikant in
Bergum, Sneek en Zwolle. Het langst stond hij in Zwolle, waar
hij in 1943 vrij plotseling overleed.
Horreüs de Haas was een markant man en een bijzonder geliefd
dominee. Bijna altijd preekte hij voor een volle Grote Kerk.
Hij was een man met een uitzonderlijk groot gezag, wiens visie
op Christendom en geloven aansprak bij het kerkvolk. Hij was een
dominee die als uitgangspunt had, dat het in de godsdienst niet
in de eerste plaats gaat om het aanvaarden van het overgeleverde.
In zijn ogen bestond godsdienst voor een groot deel uit zelfstandig
zoeken, strijden en twijfelen. Deze opvatting drukte hij
eens als volgt uit: “In de 73 Psalm en in dat grote boek Job,
daar zijn zij aan het woord, stoute worstelaars met de godsdienstige
twijfel, mensen wier wereldervaring in strijd gekomen
is met het overgeleverde godsdienstige denken, en die nu te maken
hebben met deze vraag: wat moet ik loslaten, de nieuwe ervaring
of het oude geloof, of hoe vind ik de hogere eenheid,
die aan beiden recht laat wedervaren.” 1)
Dr. G. Horreüs de Haas 1879 – 1943.
Voor Horreüs de Haas is deze strijd tussen “daar staat geschreven”
en “ik zeg u”, tussen het overgeleverde godsdienstige
denken en de nieuwe ervaring, zo oud als de wereld en moet die
strijd steeds opnieuw gestreden worden. Zij is het teken van
onze hogere menselijkheid en door deze strijd kan de eeuwige
Waarheid voortgaan in de harten en de geest van de mensen.
Zijn zoeken en twijfel komt echter niet voort uit onzekerheid;
integendeel, het gaat uit van zijn innerlijke zekerheid: de zekerheid
dat het Heilige is. Een wezenlijk godsdienstig leven
betekent “dat wij trots zwakheid en begeerte, trots verblinding
en onzekerheid willen vasthouden aan dat heilige, zijn wegen
willen leren vinden, zijn wil volbrengen en het dienen en beminnen
als het hoogste goed.” 2) Deze visie verklaart volgens
32
mij veel over het leven en werk van Horreüs de Haas. Kon hij
immers niet met bezieling spreken en schrijven over zijn religieus,
socialistische opvattingen als de hogere eenheid die
recht deed aan zowel zijn ervaringen als aan het oude geloof. Hij
was ervan overtuigd, dat de verwezenlijking van de socialistische
idealen de maatschappij wat dichter zou brengen bij de waarheid
van Christus. Hij was er dan ook van overtuigd, dat godsdienst en
socialisme niet strijdig met elkaar waren – een opvatting waarmee
lang niet alle socialisten en godsdienstige mensen in die tijd
het eens waren. Daarbij was voor hem belangrijk dat een levende
religie ook een reformatorische en revolutionaire strekking had
en dat het socialisme niet vereenzelvigd werd met een materialistische
wereldbeschouwing die een religieuze denkwijze uitsloot.
Net zo min als hij alle godsdienstige overleveringen aanvaardde,
aanvaardde hij alle dogmatische socialistische overleveringen.
Zo wilde hij niet voor de keuze gesteld worden Marx
geheel te aanvaarden of hem geheel te verwerpen. Hij wilde daarentegen
die elementen uit de leer van Marx naar voren halen,
waar hij iets van kon leren. En zelfs de kritiek van Marx op de
kerk aanvaardde hij gedeeltelijk wanneer hij zegt: “Bedenkt u
intusschen even met mij, als Marx en de zijnen kwade woorden gesproken
hebben tegen godsdienst en kerk, dat deze het daar ook
vaak behoorlijk naar gemaakt hadden, in den tijd van Marx, vóór
zijn tijd, en na zijn tijd. Immers, godsdienst en kerk, in den
Katholieken en orthodox-Protestantschen zin, hebben helaas – ik
wilde dat het niet waar was, maar het is zoo – ir de wereld niet
altijd het werk van de rechtvaardigheid, van de waarheid en van
de liefde gediend.” 3)
Horreüs de Haas wilde, zich niet neerleggen bij de bestaande situatie
in de wereld, met al haar onrecht en geweld. Religieuze
socialisten waren daarom verplicht tot behandeling van de reële
problemen op sociaal-economisch en politiek gebied en dat in
zo nauw mogelijke samenwerking met de socialistische volksbeweging.
Op die manier zouden zij kunnen meewerken aan het realiseren
van een hogere maatschappijorde van arbeid en eerbied, van
gerechtigheid, waarheid en vrede. 4)
Dit socialisme vanuit zijn Christen-zijn, droeg Horreüs de Haas
niet alleen in Zwolle uit. Overal in den lande werd hij als
spreker gevraagd en ook werden veel van zijn bijdragen gepubliceerd.
Uit al die geschriften blijkt telkens weer zijn enorme
belezenheid. Onwillekeurig vraag je je dan af waar die man de
tijd vandaan gehaald heeft. Hij moet wel over een onuitputtelijke
werklust beschikt hebben. Ondanks zijn meer dan volle
dagindeling vond Horreüs de Haas ook nog tijd om zich te verdiepen
in de actuele politiek. Hij deed dat op een wijze, die
de grootst mogelijke bewondering verdient. Zijn analyses van
33
de wereldpolitiek na de eerste wereldoorlog zijn opmerkelijk
juist, zo kunnen wij 60 jaar later constateren. In de jaren
’30 waarschuwde hij voor Mussert en het Nationaal Socialisme.
Met “Der Mythus des XXen Jahrhunderts” van Alfred Rosenberg,
door Horreüs de Haas de cathechismus van het Nationaal-Socialisme
genoemd, veegde hij de vloer aan. 5) Het was ook Horreüs
die als een der eersten besefte wat er met de weggevoerde joden
gebeurde. Vanaf de kansel ageerde hij met grote moed tegen de
verschrikkingen van het nazisme. Het was echter allemaal vanzelfsprekend
vrjor hem; hij kwam immers altijd op voor de
zwakkeren.
Toen Horreüs de Haas plotseling overleed in 1943, betekende dat
een klap voor zijn gemeente, voor Zwolle, voor het op dat moment
ondergrondse socialisme en voor zeer velen in Nederland. Want
dat is iets wat ik gaarne zou willen benadrukken, hij was een
prominent Nederlander, die voor de vrijzinnig Hervormden èn voor
de S.D.A.P. zeer veel betekend heeft.
Ik denk dat de straatnamencommissie de suggestie van onder andere
de Partij van de Arbeid, op een goede manier vertaald heeft.
Zij heeft immers een pad, dat loopt van kerspel naar stad naar
Horreüs de Haas vernoemd. Doch niet alleen dat. Doorslaggevend
vind ik dat het Horreüs de Haaspad gelegen is bij een belangrijk
groengebied: het Engelse Werk en het Spoolderbos. Horreüs
was een groot natuurliefhebber en het College van Burgemeester
en Wethouders heeft gemeend in zijn stijl te moeten handelen
door milieu-voorlichting en -educatie van de afdeling Plantsoenen
een natuurpad te laten samenstellen: Het Horreüs ae Haas-natuurpad.
Ik hoop dat velen van het pad gebruik zullen maken en
dat zij op gezette tijden zullen beseffen naar welk groot man
het pad is vernoemd.
Dit artikel is geschreven op basis van een toespraak die ik
op 24 oktober 1985 heb gehouden ter gelegenheid van de naamgeving
van het Ds. G. Horreüs de Haaspad.
Noten.
1. G. Horreüs de Haas, “Oorlog en godsdienst” in: Het Nieuwe
Leven I (1915) nr. 2, 55.
2. Ibidem, 59.
3. Christendom en socialisme: verslag van een openbaar debat
tusschen Ds. G. Horreüs de Haas (S.D.A.P.) en Mr. T.J. Verschuur
(R.K.), gehouden op Maandag 8 Februari 1926, te Breda.
Uitgegeven door het gewest der S.D.A.P. in Noord Brabant,
1926, 4.
4. G. Horreüs de Haas, De inhoud van het religieus socialisme
(s.1. ) 1934, 12 en 15.
5. G. Horreüs de Haas, De Mythe van de XXe eeuw. Assen 1937.
34
EINDBESTEMMING ZWOLLE
Het levensverhaal van de negentiende-eeuwse onderwijzeres
Alberdina Woldendorp
MINEKE VAN ESSEN
INLEIDING
In mei 1817 werd te Zwolle het huwelijk voltrokken tussen de 27-
jarige Geert Spijkerman en de vijf jaar oudere Zwolse koekenbakkersdochter
Jannetje Cornelia van der Veen 1). Het was voor
Jannetje wat je noemt een goed huwelijk. Het jaar daarvoor was
haar man benoemd tot hoofdonderwijzer aan de Nutsschool, wat
hem niet alleen een salaris opleverde van f 700,— per jaar
(terwijl een gemiddeld arbeidersgezin van iets meer dan f 200,—
moest rondkomen), maar hem ook een zekere status verschafte: op
een Nutsschool werd niet de eerste de beste benoemd! 2)
Maar welvaart en aanzien zijn geen garantie voor geluk. Het huwelijk
bleef kinderloos en Geert Spijkerman ging meer en meer
op in zijn werk. Zijn belangstelling voor opvoeding en onderwijs
voerde hem regelmatig naar de stad Groningen, toen beschouwd
als het Mekka van onderwijsland. Daar leerde hij zijn
bekwame collega Roelf Gerrit Rijkens kennen en, via deze, diens
bij hem inwonende schoonzuster Alberdina Woldendorp. Met zijn
huwelijk ging het intussen bergafwaarts en Jannetje en hij besloten
om uit elkaar te gaan. De toen nog tolerante, uit de
Franse tijd stammende, huwelijkswetten maakten hen dat gemakkelijk.
In oktober 1831 scheidden zij “bij werderzijdsche toestemming”.
3) Een half jaar later verbrandde Alberdina Woldendorp
alle schepen in Groningen achter zich en vestigde zich te
Zwolle.
Kenners van de Zwolse onderwijsgeschiedenis zal de naam van Geert
Spijkerman ongetwijfeld bekend zijn voorgekomen. Hij was “Zwolle
’s beroemdste schoolmonarch” in de eerste helft van de negentiende
eeuw 4) en werd een gewaardeerd en invloedrijk lid van
het Nederlandsche Onderwijzers-Genootschap, de onderwijzersvakvereniging
uit die tijd. Diezelfde kenners zullen vermoedelijk
niet weten dat Spijkermans Groningse liefde, Alberdina Woldendorp,
eveneens haar sporen in het onderwijs heeft verdiend.
Over deze vrouw gaat dit verhaal.
35
PROVINCIE GRONINGEN. GEMEENTE GRONINGEN.
EXTRACT uit het Register <•'
i n het j««r irtn duizend Zt/Vi liwulcrd ~i:*• •" c 7 c • '
1/ ^
Handwerken . op rie •Snkool vtfrv deli
O N D E 11 W TJ Z E B
R. G. R IJ K E N S,
Mot cene Voorrede van den laatstgenoemde.
T e. anottitfoEN) a rj
J. O O M K E N S,
t 8 3 y.
Titelblad van het door Alberdina Woldendorp geschreven
boek (uitgave 1827, J. Oomkens Groningen).
40
TOELICHTING BIJ DE OMSLAG VAN HET ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De omslag is gemaakt naar een kopergravure (anoniem, 18e eeuw)
De prent geeft een beeld van Zwolle rond 1600 en wel vanuit he
bij panorama’s, dat de.tekenaar in zijn wens om zoveel mogelij
plaatst. Hoewel het .lijkt, dat men de stad van één punt ziet,
silhouet van de stad wordt daarbij vertekend.
1 Standaardmolen op het Maagdenbastion
2 Schepen op het Zwarte Water_
3 Rodetoren
4 Draketoren
5 Jan Daghtoren .
6 Kamperpoort (Binnen en Buitenpoort)’
7 Peperbus en Onze-Lieve-Vrouwekerk
8 Kruittoren
9 Torentje huis in de Nieuwstraat
10 Grote of St.Michaëlskerk
11 Gelderse Toren
12 Fraterhuiscomplex
41
WOLLA?
getiteld “Swoïla” (ware grootte 106 x 315 mm).
zuiden gezien. In het algemeen (net als op deze prent) geldt
van een stad te laten zien, zich van tijd tot tijd iets vers
dit in feite van verschillende plaatsen af gedaan. Het
13 Fraterhuiscomplex
14 Broerenkerk
15 een waltoren
16 Raadhuistoren en Latijnse School
17 Toren in de Praubstraat
18 H. Geestgasthuis in de Diezerstraat
19 Toren huis in de Bloemendalstraat
20 Bethlehemskerk
21 een waltoren
22 Sassenpoort
23 Dieserpoort Bron: GAZ, Zwolle.
42
duid als “naaivrouw” – door gebrek aan vooropleiding niet
wist hoe ze les moest geven. Als gevolg daarvan duurde het
lang voordat de meisjes de basisvaardigheden onder de knie hadden,
zaten ze soms uren niets te doen omdat de naaivrouw geen
tijd kon vinden om hen vooruit te helpen en werd de sfeer in de
klas gekenmerkt door ordeloosheid. Aandacht voor- het gedrag van
de meisjes, voor de opvoeding dus, kon de onderwijzeres, als
ze al zou weten hoe ze dat moest doen, helemaal niet opbrengen
10).
Alberdina Woldendorp pakte de zaak heel anders aan. In de eerste
plaats werd er op haar school systematisch les gegeven.
Zij verdeelde de klas in groepjes leerlingen van hetzelfde niveau,
bereidde de lessen goed voor, zorgde ervoor dat het
werk ordelijk werd uitgedeeld, opgehaald en opgeborgen en dat
de meisjes voortdurend aan het werk konden blijven. In zo’n
didactisch verantwoorde situatie konden de meisjes echt iets
leren. In de tweede plaats had Alberdina Woldendorp oog voor
de nadelige kanten van een handwerkschool voor de gezondheid
van de leerlingen. Door de hele dag over hun handwerk gebogen
te zitten liepen de meisjes namelijk het gevaar om krom of
scheef te groeien of om hun ogen te bederven. Op Alberdina’s
school hadden stoelen en banken daarom geen rugleuningen, zodat
de meisjes wel gedwongen waren om rechtop te zitten. Ook
liet zij de leerlingen afwisselend met de linker- en de
rechterkant naar het licht plaats nemen. Zo voorkwam ze dat
de meisjes voortdurend in dezelfde houding zaten en als gevolg
daarvan de kans liepen om scheef te groeien. Het. bederven van
de ogen probeerde zij te voorkomen door de meisjes niet te
lang achter elkaar met fijn priegelwerk bezig te laten zijn en
zulk werk ook niet te laten doen bij lamplicht. Om te zorgen
dat de meisjes tijdens de schooluren ook wat beweging kregen,
liet zij ze zo nu en dan naast de bank staan om te zingen 11).
Al deze in onze ogen weinig spectaculaire maatregelen waren
in Alberdina’s tijd nieuw en bijna revolutionair te noemen.
Het is dan ook geen wonder dat haar school al snel een gunstige
naam kreeg.
, Maar de belangrijkste reden waarom de Zwolse burgers hun dochters
zo graag op deze nieuwe handwerkschool plaatsten was niet
‘de kwaliteit van het onderwijs of de aandacht voor de gezondheid,
maar de pedagogische sfeer op de school. Alberdina stelde
namelijk niet het handwerkonderwijs als zodanig centraal,
maar dat wat z*ij zelf omschreef als de “zedelijke volmaking
der jeugdige meisjes” 12), de opvoeding in ruime zin dus. Er
werd aandacht besteed aan het gedrag van de leerlingen (zo was
het de meisjes verboden om te laat te komen en moesten zij bij
aankomst en vertrek keurig groeten), wekelijks hield zij met
43
de leerlingen een soort “klassegesprek” over een behartigenswaardig
onderwerp, tijdens het handwerken moesten de meisjes
om beurten voorlezen uit “nuttige” boeken en de godsdienstige
vorming werd niet uit het oog verloren. Alberdina’s school had
zo meer weg van een opvoedingsinstituut waar meisjes tot goede
aanstaande echtgenoten, moeders en huisvrouwen werden gevormd,
dan van een doorsnee-handwerkschool.
Het enige verschil met zo’n instituut was eigenlijk dat er
geen Frans werd onderwezen, een in die tijd voor ieder welopgevoed
meisje onmisbaar vak. Het ontbreken daarvan vormde voor de
meer welgestelde burgers van Zwolle de enige reden om hun
dochters niet bij Alberdina Woldendorp op school te doen, en
dat speet hun’eigenlijk zeer. Dus vroegen zij Alberdina of het
niet mogelijk was om op haar school ook Franse lessen te laten
verzorgen. Alberdina voelde daar wel voor, maar kon een dergelijke
uitbreiding van het vakkenpakket niet op eigen-.gezag invoeren;
daarvoor was toestemming nodig van het gemeentebestuur.
Dus richtte zij een verzoek met die strekking aa’n B&W van Zwolle
13). Hiermee deed Alberdina Woldendorp voor de derde keer
in haar leven iets uitzonderlijks. Het omvormen van een gewone
handwerkschóol tot een Franse meisjesschool – want daar kwam
het verzoek in feite op neer – was zeer ongebruikelijk.
Een ongelukkiger moment om zo’n verzoek in te dienen was
nauwelijks denkbaar. B&W van Zwolle hadden namelijk korte tijd
tevoren de euvele moed gehad om naast de enige openbare Franse
meisjesschool in de stad een nieuwe, particuliere school van
dezelfde soort toe te staan, en de directrice van de bestaande
school was daar zeer verbolgen over; zij beschouwde dat als
een ontoelaatbare concurrentie 14). Weliswaar week het gemeentebestuur
niet voor de door de directrice uitgeoefende druk
(zij had daar ook alle reden toe; de bestaande school wekte
veel ongenoegen onder de Zwolse burgerij 15) ), maar had bepaald
geen behoefte om door het verlenen van toestemming tot
de oprichting van een derde meisjesschool nog eens extra olie
op het vuur te gooien! B&W besloten daarom het verzoek voorlopig
in beraad te houden 16).
Alberdina zette dus vooralsnog haar school op dezelfde voet
voort. Een jaar later, in oktober 1834, traden Geert Spijkerman
en zij eindelijk in het huwelijk 17). Voor Alberdina betekende
dit echter niet dat zij haar werk opgaf; zij bleef, zoals
meer getrouwde onderwijzeressen in haar tijd, gewoon haar
school houden.
Zo lagen voor Alberdina Woldendorp, eens een gescheiden jonge
vrouw die om den brode wat handwerklessen moest geven, op vijfendertigjarige
leeftijd alle mogelijkheden open. Ze was nog
jong genoeg om moeder te worden, ze zou misschien over een paar
44
jaar aan het hoofd van een gerenommeerde meisjesschool kunnen
staan, ze kon zich ook verder theoretisch gaan bekwamen en
boeken gaan schrijven voor minder deskundige collega’s. Maar
Alberdina kreeg de kans niet meer om die mogelijkheden te verwerkelijken;
op 6 februari 1835 maakte Geert Spijkerman in de
Overijsselsche Courant haar overlijden bekend:
“Haar nuttig werkzaam leven eindigde kalm en zacht,
in den ouderdom van 35 jaren en 9 maanden, nadat
zij, inzonderheid de beide laatste maanden, zeer
veel, doch steeds onderworpen en geduldig, had geleden
aan eene verouderde ongesteldheid der maag.” 18)
SAMENVATTING
De in 1799 te Groningen geboren onderwijzeres Alberdina Woldendoro
kwam in 1832 naar Zwolle om daar haar beroep uit te oefenen
en om er te trouwen met de hoofdonderwijzer van de Nutsschool
Geert Spijkerman. Zij had op dat moment een scheiding achter de
rug, kon bogen op vijftien jaar ervaring in het meisjesonderwijs
en had een pedagogische handleiding voor onderwijzeressen op
haar naam staan. Haar onderwijscarrière werd door haar dood in
1835 voortijdig afgebroken. Zodoende heeft ze nooit de kans gekregen
haar stempel te drukken op het Zwolse – en wie weet ook
het Nederlandse – meisjesonderwijs. De aanzet daartoe was gezien
haar voorgeschiedenis en haar toekomstplannen duidelijk aanwezig.
Vrouwen kregen in de eerste helft van de negentiende eeuw maar
zelden de gelegenheid om uit te groeien tot het formaat van een
Alberdina Woldendorp. Als hun dat – vaak tegen de verdrukking
in – toch lukte, was dat een bewonderenswaardige prestatie. Om
die reden verdient Alberdina Woldendorp een plaats in de Zwolse
geschiedenis.
Noten.
1 Huwelijksakte 29-5-1817, Gemeentearchief Zwolle, Burgerlijke
stand.
2 W.A. Elberts, Historische wandelingen in en om Zwolle (1e
druk 1890; Zwolle 1973) 87-88.
3 Stukken echtscheiding Spijkèrman-Van der Veen 1830-1831,
Rijksarchief in Overijssel, Rechtbank van eersten aanleg,
79/1a.
4 Elberts, Historische wandelingen, 193.
5 Voor een kort overzicht van de vrouwengeschiedenis in Nederland
wordt verwezen naar Een tipje van de sluier. Vrouwengeschiedenis
in Nederland 1-3 (Amsterdam 1978, 1980, 1984).
Papenstraat anno 1986
Foto: J.P. de Koning. Collectie: Gem. Archiefdienst.
Op de foto staat de voorgevel afgebeeld van het pand thans
genummerd Papenstraat 10-14. Het rechter gedeelte (nr. 10)
is in 1830 voor 950 gis. aangekocht door het departement
Zwolle van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en
diende tot woning voor de hoofdonderwijzer Geert Spijkerman.
In dit perceel is zijn vrouw Alberdina Woldendorp in
1835 overleden. In het rechter gedeelte (nr. 12-14) is vanaf
1817 tot 1 augustus 1841 de Nutsschool gevestigd geweest.
Op die datum verhuisde de school naar de Bitterstraat
46
6 Mineke van Essen, Onderwijzeressen in niemandsland. Vrouwen
in opvoeding en onderwijs (Nijkerk 1985).
7 De annotatie voor dit onderdeel is te vinden in: Van Essen,
Onderwijzeressen in niemandsland, 10-14.
8 Alberdina Woldendorp, Praktische handleiding voor onderwijzeressen
der aanvangs- of kinderscholen en die der vrouwelijke
handwerken voor jeugdige meisjes (Groningen 1827) XV.
• 9 Voor deze bewering baseer ik me op een schriftelijke uitlating
van de Plaatselijke Schoolcommissie van Zwolle over
Alberdina Woldendorp: “(…)dat zij, voor zoo ver de
Schoolcommissie dit heeft kunnen nagaan, de in dat werkje
gegevene voorschriften met den besten uitslag op hare
school in practijk brengt (…)”; Plaatselijke Schoolcommissie
aan B&W van Zwolle 17-2-1833, Gemeentearchief Zwolle,
AAZ02/149.
10 Van Essen, Onderwijzeressen in niemandsland, 191-209.
11 Woldendorp, Praktische handleiding, 95-138.
12 Ibidem, 95.
13 Verzoekschrift van A. Woldendorp 20-12-1832, Gemeentearchief
Zwolle, AAZ02/148.
14 Notulen Plaatselijke Schoolcommissie 27-3, 6-6, 19-7, 3-10
1833, ibidem, CA 013.
15 “Het onderwijs in Overijssel tussen 1830 en 1850 volgens de
rapporten van de inspecteur Wijnbeek”, R. Reinsma ed., Verslagen
en mededelingen van de vereeniging tot beoefening van
Overijsselsch regt en geschiedenis 79 (1964) 83.
16 Notulen Plaatselijke Schoolcommissie 7-2-1833, Gemeentearchief
Zwolle, CA013
17 Huwelijksakte 6-10-1834, ibidem, Burgerlijke stand.
18 Overijsselsche Courant, 6 februari 1835.
AGENDA
TENTOONSTELLINGSAGENDA PROVINCIAAL OVERIJSSELS MUSEUM
18.04 – …08 ZWANEN IN DE STADSGRACHT
Drostenhuis (wisselkabinetten) (Melkmarkt)
09.08 – 18.08 KERMISTENTOONSTELLING
Gouden Kroon (Voorstraat)
07:09 – 07.12 VEESCHILDERSTUK
Gouden Kroon en Drostenhuis
Leden van de Zwolse Historische Vereniging hebben op vertoon
van hun ledenkaart gratis toegang tot het museum (geldt ook
voor huisleden).
47
BOEKBESPREKING
FRAGMENTEN. JOODS LEVEN IN ZWOLLE EN OMGEVING
Redactie J. van Gelderen
IJsselakademie Kampen, Kampen 1985.
111 pagina’s, prijs ƒ 14,40.
R.G. FUKS-MANSFELD
Fragmenten uit een voltooid verleden tijd zijn in deze bundel
samengevat. Weliswaar draagt de titel van het boek het woord
“leven”, maar zoals in vele studies, die zich bezighouden met
de geschiedenis van de joden in de Nederlandse provincies vóór
en tijdens de tweede wereldoorlog, gaat de beschrijving van het
joodse leven maar al te vaak over in registratie van de gang
naar vernietiging.
Het is niet anders in de opstellen, die de inhoud van dit boek
vormen. Of het gaat om voormalige synagoges, die liefderijk gerestaureerd,
nu alleen nog stenen getuigenissen zijn, of om de
geschiedenis van een familie of om het joodse onderwijs in Zwolle,
het eindpunt is de ondergang van het merendeel van de mensen,
die eens op hun eigen wijze mede het leven van woonplaatsen bepaald
hebben.
Er is de laatste jaren veel onderzoek gedaan naar de geschiedenis
van de joden in verschillende Overijsselse en Gelderse
plaatsen en ook deze bundel draagt weer enige bouwstenen aan
voor het nog te schrijven overzichtswerk.
De bundel valt in twee delen uiteen. De eerste vier bijdragen
zijn gewijd aan aspecten van de geschiedenis van de joden in
Zwolle, de enige in de bundel behandelde stad, die ook thans
nog een joodse gemeenschap herbergt. A.J. Mensema beschrijft
de bouwgeschiedenis van de synagoge in de Schoutenstraat, die
in 1899 werd ingewijd en thans in veranderde vorm weer ten
dienste staat aan de joodse gemeenschap in Zwolle. J. Hagedoorn
geeft een goed gedocumenteerde levensbeschrijving van Overijssels
laatste opperrabbijn S.J. Hirsch (1872 – 1941). Daarna
volgt een gedetailleerd genealogisch overzicht van de familie
Stibbe, samengesteld door P. Jonkers-Stroïnk en G. Sylvain Kahn.
Hierin zijn veel gegevens bijeengebracht over deze oude Overijssels-
joodse familie, waarvan zovele telgen hun einde in
Duitse vernietigingskampen vonden.
Het belangrijkste stuk van het eerste deel van de bundel is de
omvangrijke studie over het joodse onderwijs in Zwolle van 1941
48
tot 1943 door I. Vierstraete-Erdtsieck. Zij maakte een diepgaande
studie van de op bevel van de Duitse bezetters in het
leven geroepen joodse scholen in Zwolle. Omdat joodse kinderen
sinds 1941 niet meer samen met niet-joodse kinderen onderwijs
mochten genieten, moesten er voor de joodse kinderen van Zwolle
en omgeving een nieuwe lagere school, een ULO-school en een
Lyceum worden opgericht. De leerkrachten bestorden uit inmiddels
uit het Nederlandse onderwijs ontslagen joodse onderwijskrachten.
De schrijfster heeft niet alleen de gemeentelijke
archieven over het onderwerp geraadpleegd, zij geeft ook een
beschrijving van de ontwikkeling van het joodse onderwijs in
Nederland tussen 1850 en 1941. Maar het belangrijkste deel van
haar studie is gewijd aan de beschrijving van de docenten en
leerlingen. Zij heeft hiervoor nog in leven gebleven ex-docenten
en -leerlingen geïnterviewd, om de ambtelijke gegevens aan
te vullen. Ook het moeizame rechtsherstel van de onderwijskrachten,
die de oorlog overleefden, heeft zij in haar onderzoek
betrokken.
Aan het einde van de studie is een lijst opgenomen van de
kinderen en leerkrachten, die de Zwolse joodse scholen bevolkten.
Vooral van de kinderen is de meerderheid omgekomen,
achter de namen van hele klassen staat het onheilspellende
“overleden in Auschwitz of Sobibor”. Het onderzoek
naar het lot van deze mensen moet uiterst tijdrovend en moeizaam
geweest zijn. De studie van mevrouw Vierstraete weerspiegelt
niet alleen op kleine schaal de tragedie van het Nederlandse
jodendom in de tweede wereldoorlog, maar toont ook aan,
hoe plichtsgetrouw en zonder enige terughouding de plaatselijke
bestuurders alle bevelen van de Duitse bezetter inzake de. joodse
medeburgers hebben uitgevoerd. Geen aarzeling bij het doorvoeren
van de segregatie van joden en niet-joden, geen uitstel bij het
opgeven van het aantal joden in de gemeenten, geen uiting van
medelijden of solidariteit met de getekenden.
Dit probleem wordt ook op treffend eerlijke wijze aangestipt
door H. Smit, burgemeester van Zwartsluis, wiens rede bij de
onthulling van een plaquette ter nagedachtenis van de omgekomen
joden in zijn gemeente in de bundel is afgedrukt.
Het boek wordt besloten met twee korte overzichten over de geschiedenis
van de joden in Hattem en Dalfsen en een bibliografie
over de geschiedenis van de joden in het land van IJssel
en Vecht, samengesteld door J. van Gelderen.
Een beetje uit het historische kader valt de studie van J. Nijen
Twilhaar over Jiddische vormen in enkele Westoverijsselse dialecten,
waarin de Jiddische uitdrukkingen in het werk van de
joodse schrijver uit Kampen, Samuel Goudsmit (1884 – 1954) uitvoerig
worden geanalyseerd.
49
Uit de bibliografie aan het einde van de bundel blijkt, dat
reeds veel studies over de geschiedenis van de joden in de 0-
verijsselse gemeenten zijn verschenen. Daarbij zijn ook nog
nieuwe bronnen over het onderwerp voor nadere studie ontsloten.
In 1985 zijn de inventarissen van het archief van rabbijn Dr.
J. Frankel, de voorganger van Opperrabbijn Hirsch, en van het
archief van de joodse gemeente in Oldenzaal gereed gekomen.
Beide archieven bevinden zich in de Bibliotheca Rosenthaliana,
Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Misschien is de tijd
aangebroken, om alle krachten en fragmenten te bundelen en te
komen tot een omvattende geschiedenis van de joden in Overijssel,
als een waardig vervolg op het werk van Helena Poppers?
1).
Noot.
1. Helena Poppers, De Joden in Overijssel van hunne vestiging
tot 1814. (Nagelaten Dissertatie). Utrecht 1926.
OPROEP
Vanuit een instelling voor ontwikkelingsgestoorde kinderen te
Zeist zijn ons vragen gesteld over de schutspatroon van Zwolle,
St. Michaël. In die instelling viert men jaarlijks, op 29
september, het Michaëlsfeest. Graag zou men het een en ander
te weten willen komen over St. Michaël:
– zijn er – naast de legende van de draak in het Zwarte Water
– nog andere legenden met betrekking tot St. Michaël
bekend ?,
– waarom is St. Michaël schutspatroon van Zwolle?,
– waren er stadsfeesten ter ere van St. Michaël, bijvoorbeeld
op 29 september?,
– zoja, wanneer werden die gehouden en wat voor type feesten
waren het?
Willen leden die op één of meerdere vragen een antwoord weten
of over eventuele andere informatie beschikken, kontakt opnemen
met het secretariaatsadres Diezerplein 37 te Zwolle?
50
BOEKBESPREKING
HANDLEIDING VOOR DE LOCALE EN REGIONALE GESCHIEDBEOEFENING
IN OVERIJSSEL
G.G.J. RENSEN
Uitgave van het ‘Beraad van historische instellingen en organisaties
in Overijssel’, Zwolle 1985.
238 pagina’s. Prijs f 25,— (bij toezending f 30,—). Verkrijgbaar
bij onder andere het Rijksarchief in Overijssel
te Zwolle, de IJsselakademie te Kampen en het gemeente-archief
te Deventer.
JAAP HAGEDOORN
De historische en heemkundige verenigingen schieten de laatste
tijd als paddestoelen uit de grond. Als voorbeeld hiervan mag
gelden het aantal historische tijdschriften en reeksen dat momenteel
wordt uitgegeven. Dit zijn er totaal zo’n 50. Ongeveer
70% daarvan beleefde zijn eerste uitgave tussen 1975 en 1985
(p. 229-238). De belangstelling voor het verleden is dus groot
en groeiende. Om die behoefte aan historische informatie te bevredigen
is echter onderzoek nodig. En dit is vaak de grote
zorg van de verschillende redacties: er wordt te weinig relevant
en kwalitatief goed onderzoek gedaan. Al te vaak moeten de
redacties terugvallen op een klein groepje zeer actieve, schrijvende
verenigingsleden, die ook nog moeilijk tot schrijven zijn
over te halen. Een groei van de historische belangstelling
vraagt dus onder andere groei van historisch onderzoek, met name
op locaal en regionaal gebied en verricht door meer mensen.
Het in 1983 ingestelde “Beraad van historische instellingen en
organisaties in Overijssel” moet tot dezelfde conclusie zijn
gekomen. Daarom werden in het seizoen 1984-1985 voor het eerst
twee (in Twente en in West-Overijssel) cursussen voor locaalen
regionaal-historisch onderzoek in Overijssel georganiseerd.
Voor beide cursussen bestond al gauw een wachtlijst. Ook dit
jaar vinden de cursussen weer plaats. De bedoeling is de cursisten
de vaardigheden bij te brengen, die vereist zijn om
zelfstandig historisch onderzoek te doen en te verwerken tot
51
een historisch werkstuk. Op basis van het materiaal van de
eerste cursus schreef Gregor Rensen een Handleiding voor locale
en regionale geschiedbeoefening in Overijssel, die in de
toekomstige cursussen gebruikt zal worden, maar ook los verkrijgbaar
is.
Na een inleidend hoofdstuk over de vragen wat (locale en regionale)
geschiedenis en het nut ervan is, behandelt de schrijver
de verschillende stadia van een historisch onderzoek: van het
kiezen en afbakenen van een onderwerp, via literatuur- en archiefonderzoek
en het gebruik van overige bronnen en hulpwetenschappen,
tot het verslag doen in een historisch werkstuk.
Het is niet eenvoudig een Handleiding als deze te recenseren,
vooral waar het gaat om de gepresenteerde, vrij universele methode
van historisch onderzoek. Historische discussiepunten
ontbreken, behalve misschien in het eerdergenoemde eerste
hoofdstuk, zodat van interpretatieverschillen geen sprake kan
zijn. Daarom wil ik hier ingaan op de vormgeving van, of de
wijze waarop de methode aangereikt wordt en op het belang van
de Handleiding.
Rensens werk blinkt uit in duidelijkheid. Omstandig wordt uit
de doeken gedaan wat de ideale weg is om locale en regionale
geschiedenis te beoefenen. Het betoog is over het algemeen begrijpelijk
gesteld, maar het zijn vooral de vele en zeer toepasselijke,
vaak op Overijssel betrekking hebbende voorbeelden,
die de duidelijkheid van het werk bevorderen. Uit alles blijkt
dat de auteur zich gedegen heeft ingewerkt vóór hij zijn Handleiding
schreef; hij heeft daarbij ongetwijfeld de beschreven
methode gevolgd! Daarnaast wil ik nog de literatuurlijsten
noemen die elk hoofdstuk besluiten. Zij zijn zeer belangrijk
voor wie meer over het betreffende onderwerp wil weten.
Het belang van de Handleiding kan dus niet hoog genoeg geschat
worden. Zij werkt daarnaast ook nog drempelverlagend: de leek
ziet nu eindelijk eens dat al die onderzoekers die in archiefzalen
of studeerkamers aan het werk zijn, niets anders doen dan
het volgen van een aangeleerde, door ervaring gerijpte methode.
Een methode die aan te leren is.
Tenslotte is de Handleiding een dankbaar naslagwerk voor ongeoefende
en geoefende onderzoekers in Overijssel. Hoewel het
boekwerk aanvankelijk nogal kloek en uitgebreid lijkt, zal bij
nadere lezing blijken dat het een onmisbare overlevingsmethode
bevat om de eerste wankele schreden op het pad van de geschiedbeoefening
te zetten en het complete doe-het-zelf-pakket voor
52
de gevorderde liefhebber vormt. In sommige gevallen is het
zelfs wenselijk, dat opgeleide en min of meer geoefende historici
eens een blik werpen in de Handleiding.
U ziet het, ik ben enthousiast. Eindelijk een handleiding voor
de geschiedbeoefening in Overijssel, die het meer mensen mogelijk
maakt onderzoek te doen. Dit enthousiasme weerhoudt mij
dan ook om kritische opmerkingen te maken over enkele zeer,
zeer ondergeschikte zaken. Ik zou willen besluiten met de oproep
de Handleiding te kopen, te lezen en te gebruiken, zodat
in de toekomst wellicht ook Uw artikelen de pagina’s van ons
Tijdschrift of Jaarboek zullen vullen.
(N.B.: de eerste oplage van de Handleiding is inmiddels uitverkocht.
Een herdruk is in voorbereiding. Wij houden U op
de hoogte over het verschijnen ervan).
BERICHT VAN DE CULTURELE RAAD OVERIJSSEL
Basiscursus voor amateurhistorici
Het “Beraad van Historische Instellingen en Organisaties” heeft
besloten ten derde male de basiscursus voor amateurhistorici te
verzorgen. De cursus zal bestaan uit tien lessen van 2A uur elk,
die parallel aan elkaar gegeven zullen worden in Enschede en
Zwolle in de periode oktober 1986 – maart 1987. Tijdens de cui—
sus komen aan de orde:
– het opzetten van een historisch onderzoek (1 les),
– literatuur- en bibliotheekonderzoek (3 lessen),
– archiefonderzoek (4 lessen),
– onderzoek in een museum (1 les) en
– evaluatie en afsluiting (1 les).
Men kan zich opgeven bij de secretaris ad interim van het “Beraad”,
mevrouw I. Wormgoor, p/a Culturele Raad Overijssel,
Nieuwstraat 55 te Zwolle, telefoon 038 – 212863, bij wie men
ook voor nadere informatie terecht kan.
De deelnemerskosten zullen circa f 140,— per persoon bedragen.
Hierbij is de 250 pagina’s tellende “Handleiding voor de locale
en regionale geschiedbeoefening in Overijssel” inbegrepen.
(Zie voor bespreking van deze “Handleiding” elders in dit nummer)
.
BESTUUR:
voorzitter:
J. Hagedoorn
secretaris:
B.H. Edel
penningmeester:
H. Brassien
lid/eindredacteur Jaarboek
J7F. Borst
lid/eindredacteur Tijdschrift
R.T. Oost
SECRETARIAATSADRES:
Tyassenbelt 28,
Diezerplein 37,
Brederostraat 76,
Meenteweg 7,
Jellissenkamp 2,
Diezerplein 37 8021 CT
LEDENADMINISTRATIE:
Brederostraat 76 8023 AV
REDACTIE-ADRES ZWOLS HISTORISCH JAARBOEK:
Meenteweg 7 8041 AT
REDACTIE-ADRES ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT:
Jellissenkamp 2 8014 EW
GIROREKENING:
5570775 tnv Zwolse Historische Vereniging
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
Zwolle
type/layout: henk brassien/OLIVETTI-livius (90%)
druk: Adm.centrum “DE SASSGNPOORT” – Zwolle
omslag: “SWOLLA”, kopergravure, anoniem, 18e eeuw
Zwolle rond 1600 gezien vanuit het zuiden
(ware grootte: 196 x 315 mm).