
2/ 6 1
1989
ZWOLcS
HI&TOQISCH
TIJD6CHDIFT
ZWOlét HlóTODISCBt VEDtNIGING
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
INHOUDSOPGAVE / NUMMER EEN / JAARGANG ZES / 1989
1 VAN DE REDACTIE
ARTIKELEN
2 Simson en Delila,
niet van Gesina ter Boren Lydie van Dijk
6 Het leven in de dertiger jaren binnen de muren van
een herenhuis gelegen aan de stadsgracht van Zwolle
Wiet Kühne-van Diggelen
•Q Windesheim en de nood der archeologie
R.Th.M. van Dijk
26 VERSCHENEN BOEKEN EN ARTIKELEN
VAN DE INSTELLINGEN
30 Mededeling van het gemeente-archief Zwolle: Over de
IJssel Distributie Vereniging (1916-1920)
J.J. Seekles
31 Mededeling van het rijksarchief in Overijssel:
Repertoria op de registers van de particuliere leenkamers
in Overijssel 1400-1809
3 2 Tentoonstellingsagenda POM
.. PERSONALIA
IWOLêE lilêTODIêCMt VIDENICINC
VAN DE REDACTIE
Het eerste lustrumjaar van de Zwolse Historische Vereniging
is alweer achter de rug en met dit tijdschriftnummer
gaat de vereniging vol goede moed op weg naar 1993.
De prijsvraag die vorig jaar ter gelegenheid van het
lustrum is uitgeschreven onder middelbare scholieren
heeft een dubbele prijswinnaar opgeleverd: Thomas Casparie
en John Sanders schreven samen een werkstuk over de
werkloosheid in Zwolle gedurende de jaren ’30. De eerste
prijs was onder andere publicatie van de scriptie in dit
tijdschrift. U kunt dat in het volgende nummer verwachten.
Deze keer is het tijdschrift gevuld met drie artikelen,
een lijst met verschenen publicaties over Zwolle, archiefmededelingen,
een boekbespreking en de tentoonstellingsagenda
van het POM. Het artikel van Lydie van Dijk
gaat in op een schilderij waarop Simson en Delila zijn
afgebeeld. Wiet Kühne-Van Diggelen schetst de sfeer in
het huis aan de stadsgracht waar haar grootouders woonden
en R. Th. M. van Dijk geeft nogmaals zijn visie op
de ligging van het klooster te Windesheim. Hiermee zijn
de twee verschillende opvattingen over deze vraag ook in
dit tijdschrift gepubliceerd en zal de discussie – althans
voor de redactie – gesloten zijn totdat er echt
nieuwe ontwikkelingen zijn mee te delen.
SIMSON EN DELILA, niet van Gesina ter Boren
LYDIE VAN DIJK
In het POM bevindt zich een schilderij, gemerkt en gedateerd
“Gesina ter Borch. fe: Ao 1665”. Het betreffende
schilderij, waarop Simson en Delila zijn afgebeeld, is
154 x 152 cm. groot en is in 1887 aangekocht.
Onlangs is door mevrouw Christina J.A. Wansink, medewerkster
van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie
in Den Haag, naar mijn mening duidelijk bewezen
dat dit schilderij niet door Gesina ter Borch geschilderd
kan zijn. 1)
Andere schilderijen die met zekerheid aan Gesina toe te
schrijven zijn, zijn niet bekend. Zij heeft veel tekeningen
en aquarellen gemaakt, waarvan het merendeel zich
in het Rijksprentenkabinet in Amsterdam bevindt. In het
POM zijn twee aquarellen van herbergtaferelen, gedateerd
1686 en 1687, van haar hand aanwezig.
Gesina ter Borch was de dochter van Gerard ter Borch de
Oude en Wiesken Matthijs. Zij werd op 15 november 1631
in Deventer geboren. Zij heeft les gehad van haar vader
en haar halfbroer Gerard, die 14 jaar ouder was.
Ik twijfelde reeds lang aan het feit dat Gesina ter
Borch het schilderij Simson en Delila geschilderd zou
hebben, omdat het stilistisch totaal anders is dan haar
tekeningen. De waterverftekeningen van Gesina zijn zeer
levendig van stijl. Mevrouw Wansink heeft verwantschap
ontdekt met het werk van de Utrechtse schilder Hendrik
Bloemaert (1601-1672). Deze verwantschap is vooral opvallend
bij een vergelijking met een in 1986 bij Christie’s
in Londen geveild schilderij van een musicerend
paar. Dit schilderij is gesigneerd door Hendrik Bloemaert
en gedateerd 1660. Niet alleen de houding van het
paar, een zittende vrouw die zich over haar schouder
naar de toeschouwer wendt, en een staande voorovergebogen
man, komt overeen met Delila en haar helper, maar
ook de kleding en de gezichtstypen vertonen een opvallende
gelijkenis.
Hoe kon nu een schilderij, dat stilistisch zo weinig overeenkomsten
vertoont met tekeningen van Gesina ter
Borch, voor een werk van haar hand gehouden worden?
Vooral natuurlijk omdat het doek voluit gesigneerd en
gedateerd is. In het verslag van de vergadering van de
Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en
Geschiedenis van 10 november 1937 staat vermeld: “Het
doek … verkeerde tot nu toe in een extra droeve staat,
hier en daar scheuren, hier en daar gaten, hier en daar
het oude linnen in hopeloozen staat van vergaan. Volgens
de overlevering zou het geschilderd zijn door Geziena
ter Borch …; maar geen signatuur, geen onderteekening
was ooit bij menschenheugnis op ‘ t half vergane doek
ontdekt.”
Hendrik Bloemaert, Simson en Delila (foto: POM)
Geüina ter Borch, zelfportret, Rijksmuseum, Amsterdam
(foto: POM)
Het schilderij werd voor 1937, toen het gerestaureerd
is, beschouwd als een werk van Gesina ter Borch. Bij deze
restauratie kwam ook de signatuur en de datering aan
het licht, zodat de overlevering bevestigd werd. Nauwkeurige
beschouwing van de signatuur roept echter twijfels
op over de authenticiteit ervan. Waar de naam “Gesina
ter Borch” staat, is duidelijk iets weggepoetst.
Er zijn sporen te zien van een andere, jammer genoeg
niet leesbare signatuur. Bij de datering “fe: Ao 1665″
zijn deze verschijnselen afwezig. Deze lijkt wel oorspronkelijk
te zijn. Volgens mevrouw Wansink correspondeert
dit met de wijze waarop Hendrik Bloemaert signeerde.
Bij vergelijking tussen de twee onderdelen van de
signatuur zijn duidelijke verschillen te zien: de datering
is met een andere kwast geschilderd dan de signatuur,
hetgeen bijvoorbeeld bij de e in Gesina en in fe:
blijkt. Zou de restaurateur in 1937 de overlevering een
handje geholpen hebben door een moeilijk leesbare signatuur
te ‘herschrijven’?
Het POM is nu het enig bekend schilderij van Gesina ter
Borch kwijt, maar een uitstekend werk van de Utrechtse
schilder Hendrik Bloemaert rijker.
Noot:
1) Christina J.A. Wansink, ‘Simson en Delila; niet Gesina
ter Borch, maar Hendrik Bloemaert1, in: Oud Holland,
1988 no. 3, pag. 236-241.
J
5’ ” • – – • > * ‘
Signatuur op het schilderij, “Simson en Delila” (foto:
POM)
HET LEVEN IN DE DERTIGER JAREN BINNEN DE MUREN VAN EEN
HERENHUIS GELEGEN AAN DE STADSGRACHT VAN ZWOLLE
WIET KÜHNE-VAN DIGGELEN
Zwolle heeft haar oude herenhuizen weer lief. Niet dat
die liefde ooit helemaal was verdwenen, maar zij was wel
lichtelijk bekoeld. Het lijkt wel of er in zo’n situatie
iets moet gebeuren om bij de bevolking het besef terug
te brengen dat haar monumenten onmisbaar zijn. Zij vertellen
immers de geschiedenis van de stad.
De gebeurtenis die Zwolle weer extra heeft wakker geschud
is de afbraak van het Gouverneurshuis. Het stond
in het Ter Pelkwijkpark en had aan de goede luisteraar
vele interessante verhalen kunnen vertellen. Nu is er
geen deur, geen plafond, geen kast en geen enkel donker
hoekje van dat bewuste huis meer dat de herinnering van
vroegere bewoners kan terugbrengen of de fantasie kan
inspireren van een geduldige navorser.
O, als de herenhuizen die al meer dan honderd jaar in
Zwolle staan hun herinneringen eens zouden prijsgeven,
hoeveel meer zouden wij dan weten over het dagelijks leven
in vroeger tijden, over de gewoonten en vooral de
gedachten van de mensen, die tientallen jaren geleden
geleefd hebben.
Een van die huizen is mij dierbaar als geen ander. Daar
woonden sinds 1892 mijn grootouders van Diggelen en in
de dertiger jaren mocht ik daar lange zomervakanties logeren.
Toen konden “de muren nog spreken”, omdat de bewoners
al heel lang in hetzelfde huis vertoefden en
daarbij de tijd namen om de oude verhalen levend te houden.
Werd er veel gepraat? Jazeker! Door de familie tijdens
de koffie of de thee in de salon, tijdens de maaltijden
in de eetkamer en gedurende de lange avonden in het boudoir
of de herenkamer. Er werd gepraat door de heren op
hun sociëteit, door de dames op hun jours en door de
echtparen tesamen tijdens de zondagmiddagvisites. Die
duurden wel niet zo lang want er moest een groot aantal
worden afgewerkt op de zondag, maar zij waren wel zo
frequent dat men ruimschoots op de hoogte bleef van het
laatste nieuws. De familie praatte op een zomerdag in de
theekoepel in de tuin, tijdens een autorit (zelfs op hoge
toon en in onenigheid als zich technische mankementen
• . * »*»*••. “*. A»’. * • < " * ' ? '
Het pand Van Royensingel 18, waarop het verhaal van W.
Kühne betrekking heeft (foto in bezit van de auteur).
voordeden, welke door de chauffeur moesten worden verholpen,
die was erop gekleed!), met de kinderen bij al
het mooie oude speelgoed in de kinderkamer en, maar dat
was meer mannenwerk, bij het kiezen van de wijn in de
wijnkelder in het souterrain.
Ook door het personeel werd gepraat, natuurlijk, in hun
grote keukens of bij hun werk in huis (als Mevrouw het
maar niet hoorde!). In de mangelkamer op dinsdag, de hele
dag mangelen, strijken en vouwen na al het werk in de
waskeuken op maandag. Ook daar werd gepraat, al moest
dat dan wel harder boven het geluid van de pruttelende
wasketels, het neerkletsende wasgoed en de dansende
wringer uit. En niet te vergeten in de meidenkamer, daar
was het prettig praten, onder elkaar 's avonds voor het
slapen gaan konden de meisjes alles kwijt wat ze de hele
dag hadden moeten opzouten.
Tijdens de boodschappen bij de winkeliers was er ook
vaak tijd genoeg om te praten. De bestelde boodschappen
werden opgehaald; betalen hoefde niet, alles ging op de
Het pand Van Royensingel 18, gezien vanaf de achterzij
de (foto in bezit van de auteur).
rekening, die eenmaal per jaar werd betaald. Op 2 januari
ging de knecht de rekening voor de familie halen en
betalen. En bij al deze bezoeken kreeg men het laatste
nieuws uit de stad gratis bijgeleverd.
Werd er teveel gepraat? Ja en nee. Teveel over orde en
netheid, over wat men wel en niet kon doen en vooral over
alles wat men moest doen om aan sociale leven deel
te hebben. Teveel over de strakke dagindeling: alles
ging op de klok en o wee, als iets of iemand te laat
was.
Teveel zo dat derden het niet mochten horen. (Kwam er
iemand onverwacht binnen dan zei Opa snel tegen Oma:
"Don't speak about it!" Dan rapporteerden de kinderen
elkaar later: "Het was weer spiekerbout!")
En ach, zoveel over 'hoe hoort het' en de schande over
degenen die daartegen zondigden.
Teveel over wat verkeerd was gegaan of gedaan en hoe onoverkomelijk
erg dat was. Een gebroken bordje was een
kleine ramp! Een vermeende beledeging ging pas na lange,
lange tijd in het vergeetboek.
Misschien werd er teveel gepraat over het hoe en te weinig
over het waarom van de dingen. Te weinig over innerlijke
roerselen, over menselijke gevoelens. Dat dééd je
niet, stel je voor! Er werd geconverseerd. Conversatie
was tot een soort kunst verheven, die men leren moest:
het tot op de bodem uitdiepen van een onderwerp gedurende
lange tijd en liefst een onderwerp, dat geen van de
aanwezigen werkelijk persoonlijk aanging. Dreigde de
conversatie een dieper menselijk probleem te raken dan
was het de kunst onmiddellijk van onderwerp te veranderen.
Mijn grootmoeder was daar een meester in.
Er kon echter naar mijn smaak nooit teveel worden gepraat
over vroeger, over alles wat zich in en om het
grote huis had afgespeeld. Over de kwajongensstreken
van mijn vader en zijn broers. Over de 'practical jokes'
van mijn grootvader, over zijn avonturen met zijn auto,
die begin 1900 het rijtuig verving en over de trouwe
koetsier, later chauffeur Jan, voor wie wij kinderen
groot ontzag hadden. Die verhalen hebben zoveel indruk
op mij gemaakt, dat ik ze verzameld heb in het boek Het
deurtje van Zwolle.1)
In 1941 zijn de vertrouwde stemmen in het huis verstomd.
De Duitsers hadden in 1940 het pand gerequireerd. Mijn
grootvader kreeg enkele kamers toegewezen om in te blijven
wonen en probeerde aldus zijn bezit te bewaken in de
hoop, dat de bezetting van korte duur zou zijn. Vreemde
stemmen, bevelen en geluiden vulden de kamers, de hal,
het trappenhuis, het sousterrain. Op den duur bleek dit
10
een ondragelijke toestand en moest de familie het huis
verlaten. Zo kwam er een droevig einde aan een periode
van meer dan vijftig jaren, waarin het pand de warmte en
levendigheid van een echt familiehuis uitstraalde.
Noot: -W. Kühne-van Diggelen, Het deurtje van Zwolle. Herinne- ringen aan een honderdjarig herenhuis, Hoogeveen 1988.
11
WINDESHEIM EN DE NOOD DER ARCHEOLOGIE
DR. R.TH.M. VAN DIJK
Na de plechtige aanbieding van de herdenkingsbundel Windesheim.
Studies over een Sallands dorp bij de IJssel
(Kampen, 1987) op 2 oktober 1987 is het ongeveer een
jaar rustig geweest in de discussie over de oorspronkelijke
ligging van het geheel verdwenen klooster te Windesheim.
In de vorige aflevering van dit tijdschrift
heeft R. van Beek de pen weer ter hand genomen (1). Op
enkele details na is deze bijdrage inhoudelijk gezien
slechts een herhaling van hetgeen reeds in de bundel
Windesheim is gepubliceerd. Van Beek geeft er zelfs
geen blijk van de bedenkingen van F. Koorn tegen zijn
historische en archeologische conlusies te hebben gelezen
(2) .
Uitgangspunt voor verdere discussie blijft uiteraard de
lijnrecht tegenover elkaar staande bijdragen over de locatie
van het klooster (3). Verder zijn nog enkele andere
artikelen in genoemde bundel voor de discussie van
belang (4).
Over de principiële vraagstelling - waar lag de kloosterkerk
met het 'claustrum'? - is iedereen het eens.
Alleen zat het getij niet mee: archeologen zijn nu eenmaal
afhankelijk van wat de bodem prijsgeeft en van het
eigenlijke klooster werd tijdens opgravingen geen spoor
gevonden. Hierdoor trad gebrek aan voldoende historische
kennis omtrent de locatie des te opvallender aan het
licht. In deze bijdrage wil ik aantonen:
1. dat het historisch vooronderzoek van Van Beek onvoldoende
is en hem slechts in staat stelt tot een globaal
en statisch-historisch beeld zonder diachronische dimensies,
2. dat gebrek aan kennis en begrip van bepaalde onmisbare
Latijnse bronnen het archeologisch onderzoek nadelig
heeft beïnvloed,
3. dat het de archeologen aan inzicht in het bouwplan
van klooster-complex te Windesheim heeft ontbroken.
1. Een statisch-historisch beeld
Een van de meest voorkomende fouten in de drie bijdragen
van Van Beek is het gebrek aan logica. Hij conludeert
voortdurend te veel uit te weinig premissen - een berucht
verschijnsel in de logica. Daartoe poneert hij onbewezen
beweringen als stellingen en daagt zijn opponent
uit tot het bewijzen van het tegendeel.
Verwijzend naar zijn artikel over de oudste geschiedenis
12
van Windesheim, stelt Van Beek dat hij heeft "aangetoond
dat in de middeleeuwen vijf hoeven (d.w.z. zeggen boerderijen
met hun landerijen, enz.) in Windesheim bestaan
hebben" (5). Hierbij heeft hij "getracht de ligging van
de oorspronkelijke boerderijen op de twee rivierduinen
in Windesheim zo goed mogelijk aan te geven" (6). Uit
eerder door Van Beek verricht historisch onderzoek
blijkt dat de hoeve van Bertold ten Have te Windesheim
ten zuiden begrensd was door de hoeve Oding en ten noorden
door de hoeve van Wolbertus (7) . Op grond hiervan
concludeert Van Beek dat hiermee "de onderlinge ligging
van deze drie hoeven op het rivierduin was vastgesteld
..." (8).
De vraag blijft waar de boerderijen en de erfscheidingen
precies lagen. Om deze vraag te beantwoorden veronderstelt
Van Beek een strakke agrarische structuur die aan
de vorming van de buurschap Windesheim ten grondslag zou
hebben gelegen, in de Karolingische tijd door het sterk
centrale gezag zou zijn opgelegd en zou hebben geresulteerd
in vijf hoeven van elk 40 ha. Uit dit oogpunt
blijkt er voor de hoeve van Lubertus van Windesheim op
het langgerekt rivierduin geen plaats te zijn geweest,
zodat deze "volgens de gegevens van anderen" - Van Beek
vermeldt niet wie - "in de buurt van het hoefijzervormige
rivierduin (moet) hebben gelegen" (9). Van Beek
houdt, mede "op grond van gegevens uit andere buurschappen"
- hij vermeldt niet welke -, zonder meer vast aan
de veronderstelde strakke agrarische structuur van de
buurschap en besluit: "Op basis van deze gegevens heb ik
de grens tussen de hoeve Odink en de hof van Windesheim
op het rivierduin tussen de huidige boerderijen van Van
den Oort en Wytenhorst gelegd" (10).
Dit alles is niet meer dan een reeks veronderstellingen,
die op zich juist kunnen zijn, maar niet bewezen worden.
Het enige echte bewijsstuk waaraan Van Beek refereert is
de acte van 23 november 1386, waarbij de Utrechtse bisschop
Florens van Wevelinckhoven verklaart dat hij enkele
met name genoemde en aan de broeders van Deventer geschonken
goederen, waaronder de "hof toe Windessem, die
van Bertoldus ten Haeve was ..." bij het klooster te
Windesheim geïncorporeerd en tot geestelijk goed gemaakt
heeft (11). Van Beek komt niet verder dan een globale
hoevenverdeling in de veertiende eeuw. Daarbij plaatst
hij alle hem bekende gegevens in één statisch-synchronisch
perspectief. Hij verschaft onvoldoende dynamischdiachronisch
inzicht in de topografische verschuivingen
die door verkoop en verpachting, vererving en schenking
voor, in en na de veertiende eeuw op het rivierduin van
Windesheim hebben plaats gevonden (12). F.Koorn betreurt
13
het dan ook dat Van Beek "al in 1400 weer ophoudt" en
vraagt zich af "of zijn reconstructieschets wel klopt"
i (13). In mijn bijdrage heb ik in dit verband gewezen op
|het belang van nader onderzoek in de rentmeestersarchie-
| ven van het rentambt 'Klooster te Windesheim' voor de
ilocatie van het klooster (14). Om dezelfde reden heeft
,F. Koorh ervoor gepleit "ook de Sallandse schattingsregisters
uit het eind van de veertiende eeuw, de vijftiende
eeuw en begin zestiende eeuw eens aan een nauwjkeurig
onderzoek te onderwerpen" (15).
Totdat dergelijk diachronisch-historisch onderzoek zijn
'•vruchten zal hebben afgeworpen, ben ik bereid, op een
^suggestie van Van Beek, de veronderstelde zuidelijke
lerfscheiding van de hof van Windesheim discutabel te la-
|ten (16). Wel blijf ik wijzen op het mogelijk belang dat
uit geografisch of waterhuishoudkundig oogpunt gehecht
izou kunnen worden aan de haakse ligging van de zijwegen
iaan de Veldweg en de Hollewandsweg, en wel in verband
met de oorspronkelijke erfscheidingen (17). Het is im-
'mers nog niet bewezen dat de zuidelijke arfscheiding van
jde hof van Windesheim een stuk noordelijker heeft gelegen,
zoals Van Beek veronderstelt.
;2. De 'zuidzijde' in het Latijn
i
iVanuit zijn visie opteert Van Beek natuurlijk voor een
izo noordelijk mogelijk gelegen zuidgrens van het erfgoed
^an Bertold ten Have. Want toen de archeologische opgravingen
op de noordelijke helft van Windesheim ter hand
werden genomen, was men onbekend met het Chronicon Windeshemense
van de Windesheimse kloosterchronist Joannes
Busch (18). Weliswaar gaf men voor, deze onmisbare Lajtijnse
bron te kennen (19). Maar elders valt te lezen
dat men pas eind juni - bedoeld is in 1987 - "een copie
van een gedeelte van het Chronicon Windeshemense..."
ontving (20). Hieruit blijkt dat men zich voor het localiseren
van het klooster ten tijde van de opgravingen
(oktober 1986 en februari 1987) heeft beholpen met de
samenvatting van J.G.R. Acquoy, die onvermeld laat wat
in zijn bron wel staat: dat het eigenlijke klooster
(kerk met 'claustrum') is gebouwd op de zuidzijde van de
hoogte te Windesheim (21).
Nu het archeologisch onderzoek op de noordelijke helft
fan Windesheim geen sporen van het eigenlijke klooster
aan het licht heeft gebracht, zou het Van Beek goed uitkomen
wanneer de 'zuidzijde' van Joannes Busch op de
noordelijke helft van Windesheim gelocaliseerd zou kunhen
worden! Om die reden wil hij ook de noordgrens van
het erfgoed van Bertold ten Have zo noordelijk mogelijk
localiseren. Daartoe ontkent hij eerst - zonder enig be14
wijs te leveren en in strijd met bewijzen voor het tegendeel
- dat de Dorpsstraat vroeger rechtdoor heeft gelopen
(22). Vervolgens wijst hij op een 'tegenspraak1 in
mijn betoog die er eenvoudig niet is, omdat ik voor de
localisering van het eigenlijke klooster in het zuiden
en de samenhang hiervan met andere meer noordelijk gelegen
gebouwen binnen het totale kloostercomplex de veronderstelde
noordgrens uiteraard niet belangrijk acht(23).
Tenslotte gaat Van Beek, ondanks gebrek aan diachronisch-
historisch feitenmateriaal, "er van uit ... dat de
noordgrens van de hof van Bertold ten Have zich iets ten
noorden van het huidige kerkhof heeft bevonden" (24).
In zijn ijver om het eigenlijke klooster vooral niet op
het erf van Van der Oort ten zuiden van de Dorpsstraat
te moeten zoeken gaat Van Beek zo ver, dat hij bodemvondsten
in de paar sleuven die op genoemd erf getrokken
zijn aanvoert als bewijs van zijn gelijk: bodemvondsten
wijzen op bewoning, de plek waar het klooster gebouwd
werd was volgens de bronnen onbewoond, dus kan het
klooster nooit op het terrein van Van den Oort hebben
gestaan (25). Alsof de broeders die de bouwplek voor hun
klooster in hun ogen als 'onbewoond' aantroffen eerst
archeologisch onderzoek hadden moeten doen naar sporen
van vroegere bewoning alvorens de term 'onbewoond' te
mogen gebruiken! (26) Dit is een van de meest treffende
voorbeelden van de logica waarvan Van Beek zich bedient.
Zijn argument is trouwens in strijd met de opvattingen
die hij zelf elders over de vroegere bewoning van Windesheim
heeft neergelegd (27).
Er zijn verschillende manieren waarop Latijnse teksten
vertaald kunnen worden. Ook Van Beek heeft dat gemerkt
(28). Terecht stelt hij, dat voor een juiste vertaling
deskundigheid vereist is. Hij waagt zich dan ook niet
aan een uitspraak over de juiste vertaling van de passage
over de zuidzijde van de hoogte te Windesheim.
De tekst die in het geding is luidt, zoals hij door Van
Beek elders meer volledig en correct is weergegeven, als
volgt:
"Quibus solempniter actis et instrumentatis communni omnium
decreto conclusum est et firmatum, guod in villa
Windesem parrochie Swollensis dyocesis Traiectensis in
allodio et bonis Bertoldi ten Have monasterium primum
ordinis canonicorum regularium in hiis partibus iam inchoandum
et in debita observancia instituendum et reformandum
iuxta extremam magistri Gerardi voluntatem in refugium
et solacium omnium huius provincie devotorum fundare
vellent et edificare pro eo, guod situs loei istius
omnino bonus et satis aptus videbatur fundusgue montis
15
in Windesero in australi eius plaqa cum plurimis agris et
pratis fructiferis per liberam possesorum suorura resignacionem
monasterio iam esset appropriaus"(29).
Van deze zin hebben R. van Beek en H. Clevis in hun eerdere
bijdrage een volledige vertaling opgenomen (30).
Deze laat, globaal genomen, grammaticaal en syntactisch
niets te wensen over; er is een vertaler aan het werk
geweest die Latijn kent (31). Maar het klassiek Latijn
dat deze vertaler waarschijnlijk voor ogen staat is iets
anders dan het Neolatijn van de noordelijke Nederlanden
in de late middeleeuwen. Met andere woorden: men moet de
historische context van een Latijnse tekst kennen om deze
niet alleen grammaticaal en syntactisch, maar ook
contextueel goed te kunnen vertalen. Juist op het vlak
van de contextualiteit laat de vertaling van Van Beek
wèl te wensen over, zoals ik zal aantonen.
Allereerst is actis et instrumentatis niet helemaal correct
vertaald: "Nadat deze dingen plechtig in een akte
waren vastgelegd ..." (32). Instrumentum publicum is een
rechtsterm die in de veertiende tot zestiende eeuw gebruikt
wordt voor een notariële oorkonde betreffende overdracht
van goederen, rechten en dergelijke. Instrumentare
is het opstellen en uitreiken van afschriften
aan de hand van een minuut in het protocol. Daaraan
vooraf gaat het afleggen van de mondelinge verklaringen
en het uitwisselen van de symbolische handelingen (33).
Een betere vertaling - één dus die rekening houdt met de
context van de notariële rechtspleging in de late middeleeuwen
- luidt: Nadat dit (= mondelinge verklaringen
en symbolische handelingen) plechtig was afgehandeld
(actis) en in een acte was vastgelegd (instrumentatis)
Vervolgens is parrochie Swollensis vertaald als 'kerspel
Zwolle' (34). Wellicht heeft de term kerspel in de acte
van 23 november 1386 een rol gespeeld (35). Ook zou bij
de vertaling gedacht kunnen zijn aan de oude naam van de
voormalige gemeente Zwollerkerspel (1802-1967) (36). In
de veertiende eeuw behoorde Windesheim kerkrechtelijk
echter tot de parochie van Zwolle (37). De juiste vertaling
- die rekening houdt met de context van het canoniek
recht - luidt daarom: van de parochie Zwolle.
Het ging in Windesheim om een klooster in debita observancia
instituendum et reformandum. Deze zinsnede is in
de bijdrage van Van Beek en Clevis als volgt vertaald:
"en volgens behoorlijke observantie geïnstitueerd en gereformeerd"
(38). Om juist te kunnen vertalen, moet men
weten dat de stichting van het klooster te Windesheim
plaats vond tegen de achtergrond van de Europese religieuze
observantiebewegingen die in de late middeleeuwen
16
het vervallen kloosterleven zochten te herstellen (39).
Ook de Moderne Devotie vormde een geestelijk klimaat
waarin met vrucht gewerkt kon worden aan de oorspronkelijke,
althans strengere regeltucht (observancia) van de
betrokken orde, in dit geval die der reguliere kanuniken
van Sint Augustinus. Voor het oprichten (instituere) van
een nieuw klooster streefden de moderne devoten, evenals
de observanten in andere kloosterorden, ernaar dat dit
van meet af hervormd (reformare) - dat is van deze vereiste
(debita) observantie - zou zijn. De betere vertaling
- die rekening houdt met de historische context van
de observantiebewegingen - luidt daarom: en volgens de
vereiste observantie opgericht en hervormd.
Tenslotte komen wij aan het uitgebreide zinsdeel dat in
de geciteerde tekst van Joannes Busch het meest relevant
voor de locatie van het klooster is: quod situs . . . appropriatus.
De kritische lezer, die de vertaling al betrapt
heeft op defecten van notarieel-rechtelijke, canonieke
en kerkhistorische aard, mag zich voldoende gewaarschuwd
weten. Van Beek hecht aan de volgende vertaling:
"omdat de ligging van die plaats in alle opzichten
goed en voldoende geschikt leek en er reeds een boerderij
(dat wil zeggen land met alle daarop geplaatste
bouwwerken) aan de zuidzijde van een/de berg in Windesem
met zeer veel vruchtbare akkers en weiden, vrijwillig
afgestaan door de bezitters ervan, eigendom van het
klooster was geworden" (40). Het is opvallend dat hier
"(dat wil zeggen land met daarop alle geplaatste bouwwerken)"
zonder verdere verantwoording aan de oorspronkelijke,
eerder meegedeelde vertaling is toegevoegd(41).
Het gaat namelijk om de vertaling van fundusque montis
in Windesem in australi eius plaga. In het laatmiddeleeuws
Latijn van de noordelijke Nederlanden betekent
fundus in de eerste plaats 'bodem' (solum, pars ima),
vervolgens 'grond' (terra) of 'stuk grond (bij een hoeve
behorend)' (agres, area, praedium), maar nooit alleen
'boerderij' (= boerenwoonhuis, domus agriculturae, praedium
rusticum) (42).
De discussie over de vertaling van fundus . .. plaga is
niet zonder relevantie. Heel het betoog van Van Beek is
er immers op gericht de aanwezigheid van een boerderij
op de zuidzijde van het land van Bertold ten Have te bewijzen.
Want daar kon het klooster niet gebouwd worden!
Daarom verwerpt hij mijn vertaling ("grond van de hoogte
te Windesheim op de zuidzijde daarvan met zijn talrijke
vruchtbare akkers en weiden") als "niet in overeenstemming
met de situatie op het rivierduin" en handhaaft hij
de zijne ("een boerderij aan de zuidzijde van een/de
berg in Windesheim met zeer veel vruchtbare akkers en
17
weilanden") (43). Voor de kloosterbouw zou men "de hoogte
(de berg) ten noorden van de Dorpsstraat (waar het
klooster zou worden gesticht)" gekozen hebben "en werd
alleen het deel ten zuiden van de Dorpsstraat in beslag
genomen door de boerderij en eventuele andere bouwwerken,
het zognaamde agrarische gedeelte". Deze "zal'
men aanvankelijk in takt hebben gelaten", omdat "ten
noorden van de Dorpsstraat een onbebouwde hoogte lag die
volgens de broeders uitnemend geschikt was voor de bouw
van het klooster" (44). Dit alles vormt opnieuw niet
meer dan een reeks onbewezen beweringen.
Hoe was de situatie op het rivierduin? Van Beek heeft
daarover een uitgesproken mening: "Hierbij gaat het
mijns inziens natuurlijk om de zuidzijde van de hoogte
van Windesheim voor zover die op de hof van Bertold ten
Have betrekking had; niet om de zuidzijde van het langgerekte
rivierduin" (45). De Latijnse tekst verplicht
evenwel tot een andere vertaling. In de visie van Van
Beek had er moeten staan in australi sua plaga (op zijn
zuidzijde, dat is de zuidzijde van de hof van Bertold
ten Have). Er staat echter in australi eius plaga (op de
zuidzijde daarvan, dat is de zuidzijde van de hoogte te
Windesheim). Van Beek's vertaler heeft het zeer relevante
niet-reflexief pronomen possessivum eius helaas
over het hoofd gezien! Het gaat in het Chronicon Windeshemense
wel degelijk om de zuidzijde van het langgerekte
rivierduin, waar volgens het getuigenis van Joannes
Busch het klooster is gebouwd.
3. De twee-kernentheorie
Er is nog een tweede dwingende reden om het eigenlijke
klooster niet op de noordzijde van het rivierduin van
Windesheim te zoeken. De resterende kloostergebouwen in
dat areaal - de brouwerij (thans kerk) en het lekenziekenhuis
(thans pastorie) - kunnen door de aard van hun
functie niet tot het eigenlijke klooster - kerk met
'claustrum' - behoord hebben. Het Westeuropees kloosterplan
van de oude orden, zoals die der benedictijnen,
cisterciënzers en reguliere kanunniken, vertoont steeds
een duidelijk onderscheid tussen het eigenlijke klooster
(wooncomplex) en de meer of minder verspreid staande
dienstgebouwen ('industriële' complex) (46). Het staat
vast dat de Windesheimers hun klooster hebben gebouwd
volgens de criteria die in hun orde, die der reguliere
kanunniken van Sint-Augustinus, golden (47). Nadat het
archeologisch onderzoek in oktober 1986 niets had opgeleverd,
heb ik op verzoek van de overkoepelende Stichting
Windesheim 600 nader bronnen- en literatuuronder18
zoek verricht, dat met medewerking van enkele andere betrokken
personen geresulteerd heeft in het voor intern
gebruik bedoelde rapport 'Het klooster te Windesheim gelocaliseerd'
(48). Hierin wordt aangetoond dat ook het
totale kloostercomplex te Windesheim heeft bestaan uit
twee kernen:
1. het eigenlijke klooster (kerk met 'claustrum') en
2. de dienstgebouwen.
Tevens wordt aannemelijk gemaakt dat voor de localisering
van de eerste kern (kerk met 'claustrum1) de boerderij
met omliggend land van E. van den Oort het meest
in aanmerking komt (49).
Toch hebben de betrokken archeologen met de aangedragen
inzichten niets gedaan, ook niet nadat in weerwil van
adviezen - die door de Stichting Windesheim 600 met klem
waren overgenomen - de archeologische opgravingen op de
noordelijke locatie waren hervat. Natuurlijk werd er opnieuw
niets gevonden en men herhaalde ten overvloede dat
het klooster geheel verdwenen moest zijn (50). Het was
immers al lang duidelijk dat er hooguit uitbraaksleuven
in de bodem verwacht konden worden (51). Maar daarmee
was de vraag niet beantwoord waar het eigenlijke klooster
precies gelegen had. In hun bijdrage aan de bundel
Windesheim zeggen Van Beek en Clevis, zonder enig argument
aan te voeren, "dat tegen een twee-kernentheorie
het nodige valt in te brengen" (52). Zij stellen simpelweg
vast: "Lezing van de kroniek van Busch geeft naar
ons idee geen aanleiding om uit te gaan van twee kernen",
waarmee zij het gedocumenteerde bewijsmateriaal
geheel negeren (53). Hun bezwaren tegen de locatie Van
den Oort baseren zij in feite niet op ' lezing van de
kroniek van Busch', maar uitsluitend op het bouwkundig
onderzoek van D.J. de Vries en G. Berends. Dit onderzoek
laat echter een aantal vragen open die tot nu toe niet
beantwoord zijn (54).
Uit ontevredenheid over de negatieve resultaten van het
archeologisch onderzoek en over de kennelijke tegenzin
van de archeologen tegen het aanvaarden van gedocumenteerde
adviezen van vooral historische aard heeft zich
de Historische werkgroep Klooster Windesheim gevormd
(55). Voortgezet bronnen- en literatuuronderzoek heeft
de deugdelijkheid van de 'twee-kernentheorie' alleen
maar bevestigd, juist ten aanzien van het kloostercomplex
te Windesheim (56). Nauwgezette analyse van de
eerste redactie van het Chronicon Windeshemense van
Joannes Busch heeft geleid tot een betrouwbare reconstructie
van de verschillende bouwfasen waarin aan het
eigenlijke klooster gebouwd en verbouwd is (57). Uit
19
deze belangrijke bron, die in zijn eerste redactie uitvoeriger
over Windesheim zelf is dan de meer bekende
tweede redactie, blijkt dat wij in Windesheim te maken
hebben met een georiënteerde kloosterkerk, aan de zuidzijde
waarvan twee naast elkaar gelegen guadraten ieder
een pandhof omsloten en waar aan de zuidzijde van het
oostelijk pand het keukenkwartier in de vorm van een
klein guadraat op aansloot (58). Hiermee staat de constructie
van de eerste kern, het eigenlijke klooster
(kerk met 'claustrum'), thans volledig vast.
Het Chronicon Windeshemense bevat in zijn beide redacties
verder tal van aanwijzingen voor de dienstgebouwen
die samen met de tweede kern, het 'industriële' complex,
vormen. Ook gebouwen als een brouwerij en een lekenziekenhuis,
die te Windesheim zonder discussie geïdentificeerd
zijn, behoren uit de aard van hun functie tot deze
tweede kern. De Vries en Berends concluderen dat de nog
bestaande en door hen beschreven 'bouwkundige restanten
van het klooster te Windesheim1 "alle na het afsluiten
van de kroniek tot stand gekomen zijn" en zij besluiten:
"Men zal derhalve vergeefs zoeken naar een relatie tussen
deze schriftelijke bron en de gereleveerde bouwkundige
restanten (59). Hiermee ontkennen zij iedere historische
continuïteit tussen de door Joannes Busch voor
1464 voltooide gedetailleerde beschrijving van het
kloostercomplex en alle daarna verrichte bouwactiviteiten
op dit terrein. Wetenschappelijk gezien een absurd
standpunt! Het lijkt mij een 'contradictio in terminis'
om dan nog, zoals De Vries en Berends doen, te blijven
spreken van 'de bouwkundige restanten van het klooster
te Windesheim'. Zeker ten aanzien van de boerderij van
Van den Oort geven zij zelf impliciet toe dat het oudste
gedeelte er stond, toen ook het klooster zelf er nog
was! (60) Wat lag er meer voor de hand dan de relatie
tussen kloosterreconstructie en deze boerderij met omgeving
aan een serieus disciplinair onderzoek te onderwerpen,
zoals ik bij herhaling heb bepleit? Naast de boven
aangehaalde bronnen wijzen ook de overige historische
indicaties immers alle in de richting van juist deze
boerderij (61). Terwijl, zeker na de mislukking van de
opgravingen in oktober 1986 en februari 1987, de locatie
Van den Oort voor nader archeologisch onderzoek in aanmerking
kwam, creëren Van Beek en Clevis juist daar een
zwart gat. Alsof de sporen van het verdwenen klooster
niet meer gevonden zouden mogen worden!
4. De nood der archeologie
Het heeft de archeologen dus niet alleen aan voldoende
20
historisch vooronderzoek en aan kennis van de Latijnse
bronnen ontbroken, maar ook hadden zij geen idee van het
kloosterplan van Windesheim en van de feitelijke constructie
van kerk en 'claustrum'.
In 1933 klaagde W. de Vreese "over den grooten Nood der
Nederlandsche Philologie" (62). Hij trok daarmee ten
strijde tegen de filologen die met oude teksten omgaan
zonder de handschriften waarin deze zijn overgeleverd te
kunnen lezen. In de laatste halve eeuw hebben de codicologie
en de filologie elkaar gevonden, tot welzijn van
de tekstedities, die immers de vrucht zijn van gemeenschappelijke
codicologische en filologische inspanning.
Het zou te ver voeren om, met een knipoog naar De Vreese,
van 'de nood der archeologie' in het algemeen te
spreken. Er zijn immers te veel uitstekende voorbeelden
van interdisciplinaire samenwerking tussen historici en
archeologen (63). Dat een wederzijds verstaan echter
niet zo voor de hand ligt, wijt H.L. Janssen aan het
feit, "dat in West-Europa archeologen noch historici gewend
zijn archeologische gegevens als historische feiten
te interpreteren, zodat de archeologische bronnen niet
voldoende in het totale historische beeld worden geïntegreerd"
(64). In Windesheim is het omgekeerde gebeurd:
men heeft de gegevens en aanwijzingen uit de historische
bronnen niet in het archeologisch onderzoek kunnen integreren.
Het zou goed zijn als in Windesheim, waar de relaties
zozeer verstoord zijn geraakt, de archeologie en de geschied-
en andere wetenschappen elkaar in een nieuwe,
meer heilzame relatie konden vinden. Daarbij zouden de
volgende conclusies als uitgangspunten kunnen gelden:
1. de diachronisch-historische en archeologische onderzoekingen
dienen in interdisciplinair verband te worden
voortgezet, opdat een zo compleet mogelijk historisch
beeld van de situatie in Windesheim voor 1387 (bouw van
het klooster), tussen 1387 en 1594 (verblijf van de communiteit
in het klooster) en na 1596-1598 (afbraak van
het klooster) verkregen wordt;
2. het Chronicon Windeshemense wijst ondubbelzinnig de
zuidzijde van het rivierduin te Windesheim aan als de
plek waar het eigenlijke klooster gebouwd is;
3. het Chronicon Windeshemense toont ontwijfelbaar de
aanwezigheid aan van twee kernen die samen het totale
kloostercomplex van Windesheim uitmaakten: het wooncomplex
(kerk met 'claustrum') en het 'industriële' complex
(de dienstgebouwen);
4. de eerste redactie van het Chronicon Windeshemense
beschrijft zo nauwkeurig de verschillende bouwfasen van
het klooster te Windesheim, dat de samenhang van kerk en
'claustrum' tot in onderdelen nauwkeurig zijn;
21
A. Rademaker, De overblijfselen van één der oude
kloosters te Windesheim (foto: POM)
22
5. op grond van de aard van het totale kloostercomplex
komt de directe omgeving van de bestaande restanten ten
noorden van de Dorpsstraat (kerk, voorheen brouwerij;
pastorie, voorheen lekenziekenhuis) juist niet in aanmerking
voor nader archeologisch onderzoek naar de eventuele
sporen van het verdwenen wooncomplex (kerk met
'claustrum');
6. de historische indicaties voor de ligging van het
verdwenen klooster wijzen de locatie Van den Oort (boerderij
en omgeving) aan als meest aannemelijke bouwplaats
van het klooster (kerk met 'claustrum');
7. in het licht van de historische gegevens en indicaties
moet de bouwkundige samenhang van de boerderij van
Van den Oort met het klooster aan een nieuw kritisch onderzoek
onderworpen worden.
Noten:
1. R. van Beek, 'Windesheim, klooster in discussie',
Zwols Historisch Tijdschrift, V (1988) 76-83. Verder
geciteerd als Van Beek.
2. F. Koorn, 'Boekbespreking. Windesheim. Studies over
een Sallands dorp bij de IJssel', Zwols Historisch
Tijdschrift, V (1988) 23-27.
3. R. van Beek en H. Clevis, 'Een klooster gezocht. Een
archeologisch onderzoek naar restanten van het moederklooster
van de Moderne Devotie te Windesheim',
Windesheim, 77-91. Verder geciteerd als Van Beek-
Clevis; R.Th.M. van Dijk, 'De ligging van het klooster
te Windesheim', Windesheim, 93-128. Verder geciteerd
als Van Dijk.
4. R. van Beek, 'Tussen keizer en klooster. Een stukje
oudste geschiedenis van Windesheim', Windesheim, 17-
24. Verder geciteerd als Van Beek, 'Tussen keizer en
klooster; D.J. de Vries en G. Berends, 'De bouwkundige
restanten van het klooster te Windesheim', windesheim,
129-149; M. van der Leeuw, 'Windesheim -
welstand en grondbezit', Windesheim, 251-264; j. p.
van den Berg en D.M. van der Schrier, 'Het water in
het historische landschap van Windesheim, Windesheim,
265-305; H. van Dijk, 'De ruimtelijke ontwikkeling
van Windesheim', Windesheim, 323-337; W.A.
Huijsmans, 'Veldnamen van Windesheim', Windesheim
393-413.
5. Van Beek, 76. Zie ook Van der Leeuw, a.a., 251-252.
6. T.a.p. 7. Van Beek, 'Tussen keizer en klooster', 17-
8. Van Beek, 78.
9. T.a.p.
23
10. Van Beek, 78-79. De onderstreping is van mij. Ook
Van Beek, 'Tussen keizer en klooster', 20, gaat niet
nader in op het ontstaan van de buurschappen in de
Karolingische tijd; hij refereert uitsluitend aan
eigen werk.
11. F.C. Berkenvelder, Zwolse regesten, I, 1350-1399
(Zwolle, 1980) 192-193 (nr. 265). Vgl. Van Beek, 76
en 83, noot 3.
12. Vgl. Van der Leeuw, a.a., 252 vlg.
13. Koorn, 'Boekbespreking', 25.
14. Van Dijk, 120,,^.,_.,J:.i;=:^.. _
15. Koorn, 'Boekbespreking', 26.
16. Vgl. Van Beek, 79 en Van Dijk, 98.
17. Van Beek, 77, figuur 1. Vgl. Van den Berg - Van der
Schrier, a.a., 266-290.
18. Des Augustinerpropstes Iohannes Busch Chronicon Windeshemense
und Liber de reförmati'one- monasteriorum,
K. Grube, ed. Geschichtsguellen der Provinz Sachsen
und angrenzender Gebiete XIX (Halle,1886). Verder
geciteerd als Chron. Wind. Vgl. Van Dijk, 96-98.
19. Zwolse Courant, 15 oktober 1986 en 4 maart 1987.
20. Van Beek - Clevis, 80.
21. J.G.R. Acquoy, Het klooster te Windesheim en zijn
invloed (3 dln; Utrecht. 1875-1880) I, 66; Van Beek
- Clevis, 79, citeert Acguoy, t.a.p. Vgl. Chron.
Wind., 268.
22. Van Beek, 79. Er zijn echter cartografische bewijzen
dat de noordelijke ombuiging wel degelijk een
latere correctie op een oorspronkelijke situatie is.
Ik acht deze wijziging van belang voor de localisatie
van het eigenlijke klooster. Vgl. Van Dijk, 98.
Ook Van den Berg - Van der Schrier, a.a., Windesheim,
266, wijzen op een oorspronkelijk andere situatie:
"De Dorpsstraat vormt de verbinding met de
landerijen op De Esch. Eertijds lag er wat zuidelijker
een tweede weg in die richting".
23. Van Beek, 79. Vgl. Van Dijk, 98 en 117.
24. Van Beek, 79, De onderstreping is van mij.
25. Vgl. Van Beek, 80.
26. Chron. Wind., 275, meldt dat de broeders de plek
waar het klooster gebouwd zou worden, aantroffen
"sine hominum habitaculis", zonder mensenwoningen.
27. Van Beek, 'Tussen keizer en klooster', 20 vlg.
28. Van Beek, 80.
29. Chron. Wind., 268. Vgl. Van Beek - Clevis, 80. De
door mij onderstreepte woorden en zinsdelen worden
nader besproken. Van Beek, 80, citeert slechts het
laatste gedeelte van deze zin, aansluitend bij mijn
vertaling, Van Dijk, 96.
30. Van Beek - Clevis, 81. Het is overigens merkwaardig
dat Van Beek over deze eerdere bijdrage in zijn
24
jongste artikel in de eerste persoon spreekt en aan
het bestaan van de medeauteur, H. Clevis, voorbij
schijnt te gaan. Vgl. Van Beek, 80.
31. Drs. H.J. Bruins te Vlaardingen. Vgl. Van Beek -
Clevis, 91, noot 13; Van Beek, 83, noot 10.
32. Van Beek - Clevis, 81.
33. Vg. J.F. Niermeyer, Mediae Latinitatis Lexicon minus
(Leiden, 1976) 547: "protocolariser, consigner
dans un instrument de tabellionat". Met dank aan
H. van Bavel O.Praem., archivaris van de Abdij van
Berne te Heeswijk-Dinther.
34. Van Beek - Clevis, 81.
35. Berkenvelder, Zwolse Regesten, I, 192.
36. Vgl. F.C. Berkenvelder e.a., 'Windesheimer wetenswaardigheden
uit de kerspeler periode 1802-1967',
Windesheim, 436.
37. Vgl. bijvoorbeeld Berkenvelder, Zwolse Regesten, I,
203 (nr. 283): bisschoppelijke bevestiging van de
stichting van het klooster te Windesheim in de parochie
van Zwolle.
38. T.a.p.
39. Zie hierover o.a. H. Grundmann, Religiöse Bewegungen
im Mittelalter. Untersuchunqen über die geschichtlichen
Zusammenhange zwischen der Ketzerei, den Bettelorden
und den religiösen Frauenbewegungen im 12.
und 13. Jahrhundert und über die qeschichtlichen
Grundlagen der deutschen Mystik. Anhang: Neue Beitrage
zur Geschichte der religiösen Bewegungen im
Mittelalter (Darmstadt, 1970); R.Th.M. van Dijk,
Zur historischen und geistlichen Bedeutung 'Devotio
Moderna' für Nordwesteuropa im ausgehenden Mittelalter:
Die Reformarbeit des Windesheimers Johannes
Busch. Vortrag anlasslich der Kamper Tagung am 21.
November 1982 in Kamp. Schriftenreihe der Vereini
gung Europaische Begegnungsstatte am Kloster Kamp
(Kamp, z.j.); K. Elm, 'Die Bruederschaft vom gemeinsamen
Leben. Eine geistliche Lebensform zwischen
Kloster und Welt, Mittelalter und Neuzeit', in:
Geert Grote & Moderne Devotie. Voordrachten gehouden
tijdens het Geert Grote Congres, Nijmegen 27-29
september 1984, onder redactie van J. Andriessen, P.
Bange en A.G. Weiier. Middeleeuwse Studies I. Publicatie
van het Centrum voor Middeleeuwse Studies Katholieke
Universiteit Nijmegen (Nijmegen, 1985) 358-
384.
.40. Van Beek, 80.
41. Vgl. Van Beek - Clevis, 81. Mijn bezwaren tegen de
eerste vertaling (fundus=boerderij) zijn via het informele
circuit blijkbaar tot Van Beek doorgedrongen.
25
42. J.W. Fuchs, Lexicon Latinitatis Nederlandicae Medii
Aevi. Woordenboek van het middeleeuws Latijn van de
Noordelijke Nederlanden, O. Weijers en M. Gumbert-
Hepp, ed. (Leiden, 1977- ), fase. 28(1987) 438-
439 (pp. 2177-2178). Vgl. a.w., III (1986) D 705 (p.
1587).
43. Van Beek, 80.
44. Vgl. Van Beek, 82. De onderstreping is van mij.
45. Van Beek, 82.
46. Vgl. E. Persoons, 'De verspreiding van de Moderne
Devotie', in: C.C. de Bruin; E. Persoons en A.G.
Weiier, Geert Grote en de Moderne Devotie (Zutphen,
1984) 92.
47. Chron. Wind., 275.
48. Gedateerd 26 januari 1987. Zie Van Dijk, 95-96.
49. Verder uitgewerkt bij Van Dijk, 99-101.
50. Zwolse Courant, 28 februari 1987.
51. Van Dijk, 113. Vgl. van Beek, 82.
52. Van Beek - Clevis, 80.
53. T.a.p.
54. Van Dijk, 116.
55. Van Dijk, 121, noot 1.
56. Van Dijk, 101-110.
57. Van Dijk, 103-107 (afb. 2-5) en 128 (afb. 8). Voor
de eerste redactie van het Chronicon Windeshemense
zie V. Becker, 'Eene onbekende kronijk van het
klooster te Windesheim', Bijdragen en Mededeelinqen
van het Historisch Genootschap, X (1887) 376-445.
58. Van Dijk, 105.
59. De Vries - Berends, a.a., 148.
60. De Vries - Berends, a.a., 140-148.
61. Van Dijk, 110-117.
62. W. de Vreese, Paradox over den grooten Nood der Nederlandsche
Philologie', Handelingen van de Maatschappij
der Nederlandsche Letterkunde te Leiden,
1932-1933, 30-61, in: id. , Over handschriften en
handschriftenkunde. Tien codicoloqische studiën.
Bijeengebracht, ingeleid en toegelicht door P.J.H.
Vermeeren. Zwolse Reeks van taal- en letterkundige
studies, XI. (Zwolle, 1962) 142-178.
63. Men zie bijvoorbeeld Numaga, XXXV (1988), afl. 2
met uitstekende historisch-archeologische bijdragen
van J.E. Bogaers, J.K. Haalebos e.a., 'Opgravingen
op het terrein van het voormalige Canisiuscollege,
1987' (25-41) en van J. Raeven, 'Het voormalige fort
Sterreschans te Nijmegen' (42-72).
64. H.L.Janssen, 'De materiële cultuur van de middeleeuwse
stedelijke kloosters in Nederland als probleem
van de historische interpretatie van archeologische
gegevens', in: Geert Grote & Moderne Devotie
(vgl. noot 41), 201-231, citaat p. 202.
26
VERSCHENEN BOEKEN EN ARTIKELEN
A.J. Borgman, Zwolse riemelerieje. Zwolle, uitgave in
eigen beheer 1988. 12 p. ƒ3,—.
R.J. Brinkman, Nieuwstraat 35: resultaten van een bouwsporenonderzoek
in het pand Nieuwstraat 35 te Zwolle.
Zwolle 1986. 47 p.
Jan Dhont, Gedichten. Zwolle, Waanders 1988. 52 p.
ISBN 90-6630-138-4 (gebonden)
Dichtbundel met werken van wijlen de heer J. Dhont,
internist, oud-medisch directeur van het ziekenhuis De
Weezenlanden; uitgegeven t.g.v. de officiële opening van
bouwfase IV van het ziekenhuis op 27 mei 1988.
Egbert Dikken, Herman Kamphuis en Gert Oostingh, Van
boerderij tot artsenij. Zwolle, Waanders 1988. Serie Ach
Lieve Tijd. 32 p. Niet in de handel. Deze uitgave is
aangeboden door het bouwteam bij de officiële opening
van bouwfase IV van ziekenhuis De Weezenlanden te Zwolle
op 27 mei 1988.
J.Donath, J. Hessels en T. Spoelstra, De Swiersens Armenhuizen
(1750-1950). Zwolle 1988. 46 p.
De doorwerking van de Moderne Devotie. Windesheim 1387-
1987. Hilversum, Verloren 1988.
ISBN 9065503188. 320 p. ƒ45,--.
Voordrachten gehouden tijdens het Windesheim Symposium
Zwolle/Windesheim, 15-17 oktober 1987.
Jacob Doyer, Geleqenheidsgedichten.
Kopieën van de gelegenheidsdichter Jacob Doyer (1748-
1805), trijpfabrikant te Zwolle. Gedichten die op Zwolle
betrekking hebben.
-Jan Drost, Hein Oordijk en Frans Paalman (foto's). Oud
nieuws. Zwolle '88. Eén jaar Zwolse persfotografie.
Uitgave Graphic Art Service 1988. 40 p. ƒ9,90.
J. Erdtsieck, Kleine luiden worden groot. Een schets van
het ontstaan en de ontwikkeling van de Gereformeerde
'Kerk van Zwolle, deel II: de jaren 1900-1990. Zwolle,
uitgave in eigen beheer 1988.
Niek van Es en Gilbert de Jong, 'Het Engelse Werk in
Zwolle' in: Groen (1988) 4, p. 31-36.
27
W. Fritschy, en L. Douw (red.), Oost-Nederland in de
negentiende eeuw. Het moderniseringsproces in Drenthe,
Overijssel en Gelderland in de negentiende en vroeg
twintigste eeuw. Amsterdam, VU Uitgeverij 1988.
Regionale geschiedenis van Nederland; afl. 3.
Jaap Hagedoorn, Met het oog op gisteren: 25 jaar monumentenzorg
in Zwolle. Zwolle Waanders, 1988. 80 p. ISBN
90-6630-145-7.
G.T. Hartong, 'Wolterus ter Burgh, schoolmeister en koster
te Zwolle' in: Nadere Reformatie 1984 (8) nr. 4, p.
125-136. Rotterdam: Stichting Studie der Nadere Reformatie,
1984. 11 p.
G.T. Hartong, 'Overzicht van Overijsselse gelegenheidspreken
en -leerreden tot 1900' in: Oost oogst 1985 (5)
nr. 4. Borne: Provinciale Bibliotheekcentrale Overijssel-
Oost, 1985. p. 2-11.
S. Hietbrink, E.M. van der Gulik en C. van der Vegt,
Cultuur als economische infrastructuur. Uitstralingseffecten
van investeringen in cultureel onroerend goed in
Zwolle. Amsterdam, Stichting voor Economisch Onderzoek
der Universiteit van Amsterdam 1988.
Onderzoek in opdracht van het Ministerie van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur.
Willem Jan op 't Hof, Engelse Piëtistische geschriften
in het Nederlands, 1598-1662. Rotterdam, Lindenberg
1987.
Hoofdstuk 10 gaat over Everhardus Schuttenius, Zwols
predikant.
Verschenen als proefschrift voor de Rijksuniversiteit te
Utrecht.
Jubileumboekje 1976-1987: 11 jaar; CV. de Gleuvenskoevers.
Zwolle 1987. 23 p.
Jubileumkrant 50 jaar drogisterij-parfumerie Westenberg.
Zwolle ( z.j.). 8 p.
Wiet Kühne-van Diggelen, Het deurtje van Zwolle. Herinneringen
aan een honderd jarig herenhuis. Hoogeveen,
Slingenberg 1988. 125 p. ƒ15,95.
F. van Rijendam-van Barneveld en M.P. Pul, Van bogen tot
rechte hoeken: kroniek van het ziekenhuis de Wëezenlanden.
Zwolle, Stichting R.K. Ziekenverpleging De Weezenlanden
1988. 96 p. ISBN 90-6630-136-8.
Uitgave bij gelegenheid van de opening van bouwfase IV.
28
G.P.M. Schunselaar, 'Zwolle en haar ijkmeesters. maten
en gewichten voor 1820, dl. 1' in: Meten en wegen (16)
1988 nr. 61, p. 1423-1427. Amsterdam, Gewichten en maten
verzamelaars vereniging, 1988. 4 p. ISSN 0920-2420.
H.G. Schuurman, Wegen naar de stad. Georganiseerd evangelisatiewerk
van hervormden en gereformeerden te Zwolle
1877-1940. Zwolle 1988.
Doctoraalscriptie Missiologie Faculteit der Godgeleerdheid
Rijksuniversiteit Utrecht. 171 p. ƒ12,50.
Verkrijgbaar bij de auteur, Spaarne 17 te Zwolle.
Dirk Westerhof, De naam Westerhof. Oorsprong, betekenis
en verspreiding. Zes eeuwen geschiedenis. Bergen op
Zoom, Dirk Westerhof 1988. 208 p. ƒ77,50. Verkrijgbaar
bij boekhandel Westerhof, Zwolle.
H.C.J. Wullink, 'Een nieuwe organist voor de Hervormde
Kerk te Wijhe anno 1907' in Historische Vereniging Wijhe
(september 1988) 21, p. 12-17.
In dit artikel staat onder meer informatie over Zwolse
organisten, in het bijzonder betreffende Jacobus Burbach.
29
BOEKBESPREKING
MET HET OOG OP GISTEREN. 25 JAAR MONUMENTENZORG IN
ZWOLLE.
Uitgeverij Waanders, Zwolle 1988.
N. ROOVERS
Met het oog op gisteren is een verhaal over 25 jaar monumentenzorg
in Zwolle. Over 80 pagina's geeft Jaap Hagedoorn
op een allerplezierigste manier een overzicht
van deze zorg; van de Monumentenwet in 1961 tot de Monumentenverordening
Zwolle in 1985.
De schrijver voert je snel door de geschiedenis van de
monumentenzorg in Nederland om daarna ruim aandacht te
geven aan het ontstaan, de ontwikkeling en de werkzaamheden
van het bureau monumentenzorg.
Restauraties van het bureau en opvattingen met kritische
aantekeningen bij de niet van echt te onderscheiden
(nep-)monumenten worden in woord en beeld getekend.
Tenslotte komen de trieste sloop van het gouverneurshuis
en de ontwikkelingen rond de jonge bouwkunst ter sprake.
Een nieuw beleid 'om het karakter van de stad' besluit
het boekje.
Een klein boekje voor een klein publiek. Alleen de ingewijden
zullen zich de namen van zorgers herinneren, alleen
zij die lang in het circuit meedraaien hebben de
vreugde der herkenning van de beschreven ontwikkelingen.
Daarom is deze wandeling door de tijd, verluchtigd met
veel schitterende foto's, meer tot een wandeling door
een monumentale stad geworden. Daartoe daagt dit aantrekkelijk
vormgegeven boekje uit: om te kijken naar en
te houden van de prachtige stad Zwolle.
30
MEDEDELING VAN HET GEMEENTE-ARCHIEF ZWOLLE:
OVER DE IJSSEL DISTRIBUTIE VERENIGING (1916-1920)
J.J. SEEKLES
Op 2 oktober 1916 hield de burgemeester van Zwolle, Mr.
I.A. van Roijen, met vertegenwoordigers van verscheidene
gemeentebesturen een bespreking over mogelijke vormen
van samenwerking bij de uitvoering van de Distributiewet
1916.
Deze bespreking leidde tot de instelling van een commissie,
die belast werd met een onderzoek naar mogelijke
samenwerkingsvormen. Tevens werd besloten om aan de commissie
het voorlopige bestuur van de vereniging op te
dragen en op 20 oktober daaraan voorafgaand een oprichtingsvergadering
te houden.
Na afloop van deze constituerende vergadering bleek, dat
17 gemeenten zich bij de IJssel Distributie Vereniging
hadden aangesloten.
In de op 8 december 1916 vastgestelde statuten werd de
doelstelling als volgt verwoord: "... te bevorderen, dat
van de levensmiddelen, brandstoffen en huishoudelijke
artikelen, door de Minister van Landbouw, Nijverheid en
Handel aan te wijzen, steeds voldoende hoeveelheden in
de aangelsloten gemeenten aanwezig en verkrijgbaar
zijn." Dit doel moest worden bereikt door bovenbedoelde
goederen in te slaan van het Rijk of te kopen van particulieren.
Het hoofdkantoor en -magazijn stond in Zwolle; daarvoor
had men Huize Eekhout betrokken. In elk der aangesloten
gemeenten konden bijkantoren of hulpmagazijnen worden
ingericht.
De Algemene Ledenvergadering van 30 augustus 1918 kende
slechts één agendapunt: bespreking van de wenselijkheid
de Vereniging te ontbinden. Van verscheidene gemeentebesturen
waren berichten van uittreding ontvangen en ook
de Zwolse Levensmiddelencommissie had bezwaren tegen
een voortbestaan van de Vereniging geuit.
Na uitvoerige discussies werd besloten de Vereniging
vooralsnog niet op te heffen. Ook tijdens de bestuursvergadering
van 19 juni 1919 kwam de liquidatie aan de
orde. Geconcludeerd werd, dat zolang Duitsland de vredesvoorwaarden
nog niet had ondertekend, het voorbarig
zou zijn een goed draaiend bedrijf op te heffen. Nadere
gegevens over de opheffing ontbreken in het archief.
31
Het archief van de IJssel Distributie Vereniging bevindt
zich onder nr. VA020 in het depot van het Zwolse Gemeente-
archief. Het omvat slechts één archiefdoos en loopt
over de jaren 1916-1920. De openbaarheid is niet beperkt
.
MEDEDELING VAN HET RIJKSARCHIEF IN OVERIJSSEL
Onlangs verschenen bij het Rijksarchief in Overijssel:
A. J. Mensema, Repertoria op de registers van de particuliere
leenkamers in Overijssel 1400 - 1809. Zwolle
1988. Uitgaven van het Rijksarchief in Overijssel nrs.
15, 16 en 17, totaal 867 blz. ISBN 90-71238-18-0. Prijs
per deel ƒ24,50.
Particuliere leenkamers waren instellingen, die administreerden
welke onroerende goederen in leen waren uitgegeven
en aan wie. Deze leenkamers zijn een overblijfsel
van het middeleeuwse leenstelsel, waarin een persoonlijke
rechtsverhouding bestond tussen een leenheer (een
bisschop, graaf enz.) en diens leenmannen. In ruil voor
het leen - de opbrengst uit een stuk onroerend goed of
de uitoefening van bepaalde rechten - diende de leenman
bepaalde taken, bijv. militaire dienst, voor de leenheer
uit te voeren. Na de middeleeuwen vervallen deze verplichtingen
en krijgt de leenverhouding steeds meer het
karakter van een financiële heffing. De leenman moet aan
de leenheer bij belening een som gelds betalen. De zeggenschap
van de leenheer over zijn in leen gegeven onroerende
goederen of rechten wordt steeds geringer. De
leenman is de feitelijke bezitter.
Thans zijn de leenkamerarchieven vooral van belang omdat
ze de onderzoeker een gedetailleerd beeld geven van het
eigendom van bepaalde goederen en rechten. Daarnaast
zijn deze archieven van groot belang voor het boerderijonderzoek,
het veldnamenonderzoek en voor genealogisch
geïnteresseerden. Via de uitvoerige index op de repertoria
komt men vele Zwollenaren c.q. Zwolse instellingen
op het spoor die in het voormalige Schoutambt Zwolle of
elders in de provincie goederen in leen hadden. Omgekeerd
kan men van een aantal boerderijen en landerijen
in het Zwolse de eigendomsverhoudingen achterhalen.
De Repertoria zijn verkrijgbaar bij het Rijksarchief,
Eikenstraat 20, Zwolle, tel. 038 - 540722.
32
TENTOONSTELLINGSAGENDA VAN HET PROVINCIAAL OVERIJSSELS
MUSEUM
Gouden Kroon, Voorstraat
tot en met 5 februari: Wintervermaak.
omstreeks 20 februari tot en met 3 april: Vleermuizen.
begin april tot en met 4 juni: Grasdorp, een Zwolse
schildersfamilie.
Drostenhuis, Melkmarkt
21 januari tot en met 2 april: Oma's naaidoos; textiel
en naaionderwijs.
14 april tot eind mei: Oude Oranje-curiosa.
PERSONALIA
N. Roovers is medewerker van de Monumentencommissie van
het Oversticht te Zwolle.
L. van Dijk is als kunsthistorica werkzaam bij het Provinciaal
Overijssels Museum.
R.Th.M. van Dijk is verbonden aan de 'Stichting Titus
Brandsma Instituut' te Nijmegen. Hij is gespecialiseerd
in de geschiedenis van de Nederlandse spiritualiteit en
de Moderne Devotie.
W. Kühne-van Diggelen is woonachtig te St.Oedenrode.
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift & Jaarboek:
E. den Daas, J.H. Drentje, W.A. Huijsmans, N. Lettinck
I. Wormgoor, H.C.J. Wullink, A. van der Wurff.
BESTUUR:
voorzitter:
J. Hagedoorn Tyassenbelt 28, 8014 NW Zwolle
secretaris:
R. Stel Boddemate 43, 8014 JK Zwolle
penningmeester:
H. Brassien Brederostraat 76, 8023 AV Zwolle
leden:
P.J. Berends, R.T. Oost, R. Salet, I. Wormgoor
SECRETARIAAT/LEDENADMINISTRATIE:
telefoon: 038 - 539 625 Postbus 1448, 8001 BK Zwolle
REDACTIE-ADRES: Westerstraat 17, 8011 CD Zwolle
FINANCIEN:
Girorekening Postbank: 5570775,
t.n.v. Zwolse Historische Vereniging, Zwolle
TARIEVEN LIDMAATSCHAP:
jeugdleden, studenten, 65+ ƒ25,— per jaar
leden tussen 21 en 65 jaar ƒ35,-- per jaar
huisleden ƒ 7,50 per jaar
typewerk: Marinus Prins
lay-out: Henk Brassien
druk: Koninklijke Tijl N.V. Zwolle
omslag: "Swolla", kopergravure, anoniem, 18e eeuw,
(Zwolle rond 1600, gezien vanuit het Zuiden)