
L J>
Zwols;;
Historisch
^Tijdschrift
7e jaargang
1990, nr. 3
ƒ9,50
uitgave van de Zwolse Historische Vereniging
fcS*~-
, , V k-
Tö
-NONfo.’
Het Zwols Celehuisje,c^-
de bewoners en hun afval
1550-1650… ••Si.
Colofon Redactioneel
Het Zwols Historisch Tijdschrift is een
uitgave van de Zwolse Historische Vereniging
en verschijnt vier maal per jaar.
Leden van de vereniging krijgen het tijdschrift
gratis toegezonden.
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift:
Redactie-leden: J.H. Drentje, J. Gelderman,
H. Halbertsma, J. ten Hove, W.A.
Huijsmans, I. Wormgoor, A. van der
Wurff.
Adviseurs: N. Lettinck, H.CJ. Wullink.
Redactie-adres:
Westerstraat 17, 8011 CD Zwolle.
Typewerk en vormgeving:
Marinus Prins (bNO).
druk: drukkerij Werktuig.
Bestuur Zwolse Historische Vereniging:
voorzitter:
J. Hagedoorn,
Tyassenbelt 28, 8014 NW Zwolle.
secretaris:
E. Tijssen,
Tichelmeesterlaan 37, 8014 LA Zwolle.
penningmeester:
Henk Brassien,
Brederostraat 76, 8023 AV Zwolle.
leden:
P.J. Berends, I. Wormgoor, R. Salet,
R.T. Oost.
Secretariaat/ledenadministratie:
Postbus 1448, 8001 BK Zwolle,
(telefoon: 038 – 539 625)
Financiën:
girorekening Postbank: 5570775,
t.n.v. Zwolse Historische Vereniging.
Tarieven lidmaatschap:
jeugdleden, studenten, 65+ •• ƒ 25,00/jaar
leden tussen 21 en 65 jaar…. ƒ 35,00/jaar
huisleden ƒ 7,50/jaar
Afval is in onze tijd een vaak giftig probleem.
Gelukkig is afval uit het verleden
soms bewaard gebleven, zodat de bestudering
ervan onze kennis van het dagelijks leven
kan verrijken. Dit blijkt uit het artikel
van H. Clevis en P. Kleij over het afval dat
in 1973 in de kelder van het Zwolse Celehuisje
gevonden is. Het aardewerk dat in
de kelder van het Celehuisje werd aangetroffen,
is gebruikt door de arme alleenstaande
vrouwen die daar tussen 1550 en
1Ö50 gewoond hebben. Hun grapen, steelkommen,
kannen, vetvangers, bakpannen
en pispotten zijn in dit artikel nauwkeurig
beschreven, waardoor het in de toekomst
mogelijk is nieuwe vondsten met de Zwolse
gegevens te vergelijken. Zo wordt althans
in de archeologie het vergruisde geschiedbeeld
voorzichtig weer gelijmd.
In het tweede artikel geeft Peter van ’t Riet
een heldere uiteenzetting van historische
en bouwkundige aspecten van de Zwolse
synagoge, waarvan de restauratie in september
1989 voltooid is. Hierdoor kon gelukkig
iets van het in Zwolle vrijwel verdwenen
joodse leven voor iedere Zwollenaar
zichtbaar blijven. In de kleine synagoge
kunnen nog diensten worden gehouden.
De grote synagoge wordt voor culturele
en educatieve doeleinden gebruikt. De
inwoners van Zwolle kunnen niet alleen
met het gebouw kennis maken, maar ook
daadwerkelijk met de joodse godsdienst,
taal en cultuur in aanraking komen door
middel van de cursussen die de stichting
Judaïca in de synagoge organiseert.
1990 74
Inhoudsopgave
76 Het Zwols Celehuisje,
de bewoners en hun afval,
1550-1650
H. Clevis en P. Kleij
94 De synagoge van Zwolle,
een historisch monument met een
aangepast gebruik
Peter van ’t Riet
74 Colofon
74 Redaktioneel
75 Inhoudsopgave
103 Literatuur
105 Mededelingen
106 Agenda
106 Personalia
1990 75
Het Zwols Celehuisje,
de bewoners en hun afval,
1550-1650
H. Clevis
P. Kleij
Het materiaal uit de In 1973 leeggehaalde
afvalkelder in het zogenaamde
Celehulsje, is in 1989 onderzocht en
beschreven. Het bleek grotendeels te
bestaan uit aardewerk dat was weggegooid
door arme vrouwen in de periode
1550-1650. Het meeste aardewerk
was van een soort dat we “roodbakkend”
noemen; dit is een goedkoop en
locaal of regionaal vervaardigd product
Met de vondst uit deze kelder is
één van de ‘armste’ vondstcomplexen
van Nederland beschreven.
Op donderdag 18 januari 1973 werd tijdens
restauratiewerkzaamheden in het pand
Papenstraat 3 te Zwolle – beter bekend als
‘het Celehuisje’ (1) – een afgesloten kelder
ontdekt. Na opening bleek dat deze kelder
gevuld was met vele honderden scherven,
wat muntjes, spelden, vingerhoeden en allerlei
andere kleine voorwerpen uit de periode
1550-1650. Door tussenkomst van
een werkgroep van de Vereniging Vrienden
van de Stadskern kon alles op zaterdag
20 januari worden opgegraven. Dit gebeurde
door enige leden van de werkgroep;
een stadsarcheoloog had Zwolle in die dagen
nog niet. In de daarop volgende maanden
werd uit de schervenberg een groot
aantal complete of bijna complete voorwerpen
gereconstrueerd. De mooiste voorwerpen
kwamen in een vitrine bij de
trouwzaal van het stadhuis te staan; de rest
1990 76
werd opgeslagen in het bodemdepot van
het Provinciaal Overijssels Museum aan de
Melkmarkt. Dit bleef zo tot in 1989, toen de
inmiddels aangestelde stadsarcheoloog opdracht
gaf tot het uitwerken, tekenen, inventariseren
en publiceren van dit aardewerkcomplex.
(2)
De bewoners van het Celehuisje
In 1416 werd het Celehuisje gekocht door
de Lieve Vrouwenbroederschap. Zij gebruikten
het als huisvesting voor hun priester
Hendrick ter Lynde. Het was in 1518
nog steeds in handen van de Vrouwenbroederschap
en werd bewoond door ene
Nicolaes van Geve, misschien ook een
priester. Na deze datum veranderde de bestemming
en ging het huisje dienen als
huisvesting voor arme alleenstaande vrouwen.
Wanneer het Celehuisje precies deze
functie kreeg is niet bekend, in ieder geval
werd het voor het eerst in 1568 als zodanig
vermeld. Een jaar later, in 1569, werd zelfs
het precieze aantal arme vrouwen genoemd,
namelijk vijf. Tegen het einde van
de zestiende eeuw nam de Gereformeerde
Kerk het huisje over. De bestemming bleef
hetzelfde: in 1600 woonden er nog steeds
vijf arme vrouwen. 6) Tot in onze eeuw
bleef het Celehuisje als arme-vrouwenhuisje
in gebruik. Tot 1955 woonden er gratis
drie vrouwen van de — inmiddels Nederlands
Hervormde genoemde – kerk. (4)
De kelder
De kelder, gelegen in de zuidwesthoek van
het huis tegen de achtermuur aan, heeft
een lengte van 3,66 m, een breedte van
3,11 m en een grootste hoogte (holte) van
1,90 m. Het plafond wordt gevormd door
een gotisch kruisribgewelf. In de muren
zitten nissen van verschillende grootte. Een
klein nisje naast de ingang kan hebben gediend
om een kaars of olielamp in te zetten
wanneer een van de bewoners van het
huis in de kelder bezig was. Dit zou dan
betekenen dat de kelder in het begin als
bergruimte heeft gefunctioneerd. Later veranderde
de functie in die van afvalkelder.
Aangezien in de buitenmuur ter plekke van
de kelder geen openingen zitten, kan de
kelder alleen vanuit het huis zelf bereikt
worden. De voorwerpen kunnen dus alleen
door de bewoners van het huis erin
zijn gegooid.
De scherven kwamen waarschijnlijk tussen
1550 en 1650 in de kelder van het Celehuisje
terecht. Er woonden toen ongeveer
vijf arme alleenstaande vrouwen in dit
huisje. Van buitenaf was de kelder niet bereikbaar.
De in 1973 gevonden scherven
vormen derhalve een deel van het huisraad
van die alleenstaande vrouwen. Vrouwen
die in de zestiende en zeventiende eeuw
gratis huisjes van de kerk bewoonden, behoorden
over het algemeen tot de armste
lagen van de stedelijke bevolking. Alleen
daklozen en zwervers stonden nog lager
op de maatschappelijke ladder. De Celevondst
kan hierdoor een unieke verzameling
huisraad genoemd worden. Het geeft
immers een beeld van een groep waar verhoudingsgewijs
weinig over bekend is.
Het aardewerk
In eerdere publicaties is een groot aantal
voorwerpen van aardewerk beschreven en
naar typen ingedeeld. (5) Bij de behande-
Vooraanzichl (links) en platlegrond
(onder) van het
Zwols Celehu isje en het
poortje van Cele aan de
Papenstraat.
1990 77
ling van het materiaal uit de Celekelder
passen wij dezelfde manier van beschrijven
en indelen naar typen toe.
De naam van een type, bijvoorbeeld r-bak-
5b, is opgebouwd uit drie gedeelten. Het
eerste deel wijst op de materiaalsoort. In
dit geval staat de ‘r’ voor ‘roodbakkend’,
eventueel aangevuld met een tweede letter
die op het productiecentrum wijst. Zo zitten
er in het Celecomplex bijvoorbeeld importen
van witbakkend aardewerk uit
Keulen (wk) of uit het Wezergebied (we).
Het tweede gedeelte bestaat uit de eerste
drie letters van de naam (functie) van het
voorwerp. Bak wijst op bakpan. Het derde
gedeelte tenslotte, geeft het typenummer
aan, soms aangevuld met een letter die nadere
informatie verstrekt over bodem (bij
bakpannen bijvoorbeeld met of zonder
pootjes), oren (bij grapen bijvoorbeeld
één- of twee-orige grapen, of grapen met
een kromme steel) of de mate van versiering
(bij faïence of majolicaborden). Bij de
toelichting op de catalogus kunt U dit terugvinden.
Het roodbakkend aardewerk
Wanneer we het aardewerk uit de Celekelder
vergelijken met dat van Deventer en
Kessel blijkt een aantal voorwerpen niet te
passen in de typologie van deze publicaties.
(6) Bij het roodbakkend aardewerk zijn
enkele nieuwe typen te zien. Voor bakken
en braden heeft men voorwerpen gebruikt
die we nu omschrijven als bakpannen,
steelpannen en steelkommen. In de familie
der bakpannen zijn twee verschillende typen
te onderscheiden, r-bak-2 (nr. 1) en rbak-
5b (nrs. 2 en 3). Kenmerkend is de
rand die geprofileerd is en een kleine dekselgeul
heeft. Van de ene pan te de steel
De kelder met kruisribgewelf.
massief rond (nr. 2), van de andere hol (nr.
3). Van de steelpannnen is er één type, (Rste-
4) met een hoge rechtopstaande wand
en een naar buitenstekende dekselgeulrand
(nrs. 26 en 27). De bodem is bol.
Deze steelpannen worden ook wel kromsteerten
genoemd, naar hun kromme steel.
Het verschil tussen bakpan en steelpan is
dat in de eerste waarschijnlijk vlees werd
gebraden of pannekoeken werden gebakken,
terwijl de steelpan geschikt was voor
het maken van ragouts. Dat laatste kan
men ook zeggen van de steelkommen,
maar misschien werden daar ook wel papjes
in verwarmd. De steelkom wordt getypeerd
door zijn komvorm. Er zijn in het
Celecomplex twee verschillende typen aan
te wijzen: R-stk-5 (nr. 29) en R-stk-6 (nr.
30). Het eerste type heeft een lichte dekselgeulachtige
rand en op de overgang van
bodem naar opstaande wand een scherp
uitstekende ribbel. Bij R-stk-6 is die overgang
ook aanwezig, maar minder geprononceerd.
De rand is rond.
In de keuken gebruikte men verder verschillende
soorten grapen, de naam voor
kookpotten op drie poten. Er zijn verscheidene
typen teruggevonden, maar het voornaamste
is toch wel R-gra-8 (nr. 8), een l6e
eeuwse grape. In het Celecomplex zit een
variant. Deze heeft op de grootste diameter
een duidelijk geprononceerde ribbel en
tussen dit punt en de rand een tweede (Rgra-
8b var 4) (nrs. 9 en 10). Enkele grapen
hebben in plaats van een oor een kromme
steel, R-gra-15c en R-gra-18c (nrs. 11 en
12). De laatste heeft een duidelijke knik op
de grootste buikomvang, maar is geheel
zonder draairibbels uitgevoerd.
Tot het keukengoed behoren ook drie verschillende
nieuwe typen kannen. Als eerste
r-kan-6 (nr. 13), gekenmerkt door de zogenaamde
‘hoog opgehaalde broek’. Dat wil
zeggen dat de grootste bolling van de kan
vrij hoog zit en dat net boven de bolling
een duidelijke sierlijn is aangebracht, wat
het effect geeft van een hoog opgehaalde
broek met de riem vlak boven de dikke
buik. De rand heeft een dekselgeul. R-kan-
7 (nr. 14) heeft ook een dekselgeul en
wordt verder gekenmerkt door een hoekig
profiel.De sierlijke vorm van r-kan-8a (nr.
15) wijkt sterk af van de vorige twee. Ook
heeft deze kan geen dekselgeul; de rand
staat onverdikt iets naar buiten.
Voor het afdekken van bijvoorbeeld grapen,
heeft men eenvoudige knopdeksels
1990 78
gebruikt van het reeds bekende type Rdek-
l.CO
Borden, kopjes en papkommen of kleine
kommen worden voornamelijk tot het tafelgerei
gerekend. De borden r-bor-1 (nr.
4) en r-bor-6 (nr. 5) komen ook in dit complex
voor samen met een nieuw type
‘bord’. Dit is een zogenaamde voetschaal
(R-bor-7) (nr. 6).(8) Normale borden hebben
standlobben, een standring of standvlak
als bodem maar dit type staat op een
hoge voet. De voetschaal is gedompeld in
een witte engobe (dunne kleipap) van
slechte kwaliteit en vervolgens met behulp
van koperkorrels groen geglazuurd. De
buitenzijde heeft geen glazuur, waardoor
de restanten van de witte engobe het voorwerp
een lelijk uiterlijk geven.
Eén bord verdient extra aandacht (nr. 4).
Het betreft een exemplaar van het bekende
type r-bor-1, dat met slibkrastechniek is
versierd. In het midden is een cirkel aangebracht
waarin met geel slib een bloemmotief
is uitgespaard. Bij nadere beschouwing
blijkt dat de cirkel niet met de hand op de
pottenbakkersdraai- schijf is gemaakt, zoals
gewoonlijk, maar met behulp van een passer.
Ook het bloemmotief is met behulp
van dit apparaat tot stand gekomen. De
overige versieringen van dit bord, waaronder
enige halve circels, zijn gewoon uit de
losse hand getrokken. Het gebruik van een
passer bij de versiering van aardewerk borden
komt vrij zelden voor en er wordt nog
minder melding van gemaakt. Dit maakt dit
bord tot een interresant exemplaar.
De kopjes behoren alle tot de typen R-kop-
1 of R-kop-2 (nr. 18). Eén uitzonderlijk
exemplaar van het type R-kop-2 heeft drie
verticale oren (nr. 17). Handig om door te
geven?
Alle papkommen zijn onder te brengen in
twee nieuwe typen. R-pap-2 (nr. 20) heeft
een horizontaal worstoor. Daar tegenover
bevindt zich een kleine min of meer platte
drielobbige greep, het zogenaamde
‘loboor’. Tot nu toe is dit type alleen in
Zwolle gevonden. Mogelijk hebben we
hier te maken met een lokaal product. De
drielobbige greep is waarschijnlijk afgekeken
van de majolica of faïence papkommen.
Afwijkend is alleen de kleine vorm.
Wellicht ten overvloede zij gemeld dat het
horizontale worstoor niet gediend heeft om
een vinger door te steken (dat is nauwlijks
mogelijk) maar om meer greep op het
voorwerp te krijgen bij het uitlepelen van
de inhoud. Ook kan het gediend hebben
om de kom in de keuken op te hangen.
R-pap-3 (nr. 21) lijkt op het vorige type
maar heeft een min of meer platte rand met
dekselgeul. Ook zit aan dil type geen
loboor.
Aan de kommen kan een nieuw, zeer eenvoudig
gevormd, type worden toegevoegd
en wel r- kom-9 (nr. 16). Half bolvormig
op een gladde standring. Tot nu toe is dit
type alleen in Zwolle en Kampen aangetroffen.
Twee categorieën voorwerpen resten nog:
verlichting en sanitair. Voor verlichting gebruikten
zij olielampen van het type r-oli-2
(nr. 19), waarvan enkele vrijwel gave
exemplaren zijn teruggevonden.
Opvallend is het grote aantal pispotten. Er
zijn vier verschillende typen aangetroffen.
Van het uit Deventer bekende type R-pis-5
hebben we enkele exemplaren, maar ook
een variant met een dekselgeulrand (r-pis-
5 var 1) (nr. 22) en een afwijkend exemplaar
met dekselgeul en een opgestoken
bodem of ziel (r-pis-5 var 2) (nr. 23). Verder
valt dit voorwerp op door zijn geringe
grootte. Het is drie keer zo klein als een
normale pispot. De inhoud komt overeen
met die van een flinke theekop, maar gebruikssporen
sluiten een functie als kinderspeelgoed
echter uit.
Eén pispot is vrij uitzonderlijk en vormt
een type op zich (r-pis-7) (nr. 24); het is
een lomp model met opgestoken bodem of
ziel en dekselgeul. Een compleet nieuw
type wordt gevormd door een pispot (Rpis-
8) (nr. 25) met opgestoken bodem en
dekselgeul die niet alleen op de grootste
doorsnede een duidelijk geprononceerde
ribbel heeft, maar ook op de plek tussen
grootste omvang en de onderzijde van de
rand. In feite zijn het dezelfde sierlijnen als
op grape type R-gra-8b var 4. Hebben we
hier weer te maken met een lokaal of
regionaal kenmerk ?
Witbakkend aardewerk
Tot de groep van het inheemse witbakkend
aardewerk rekenen we de typen wkan-
10 (nr. 32) (gelijk aan R-kan-7), wkop-
2 (gelijk aan R-kop-2) met veelal inwendig
een groene kleur door toevoeging
van koperoxide aan het loodglazuur en wpis-
5 var 2 die van een gelijke vorm is als
zijn roodbakken soortgenoten. Nieuw is wgra-
15c (nr. 31), een bolvormig graapje met
dekselgeul. In feite is het een witte uitvoe-
1990 79
ring van zijn gelijknamige roodbakken
soortgenoot. (9) Tot de witbakken import
rekenen we wk-kan-7, wk-ste-3 (nr. 34) en
wk-ste-4 (nr. 33). Deze drie voorwerpen
zijn van Keulse herkomst en behoren tot
de zogenaamde Hafnerware (pottenbakkersgoed).
(10)
Majolica
Het majolica bestaat uit slechts twee exemplaren,
allebei borden behorende tot het
nieuwe type m-bor-5 (nrs. 35 en 36), gekenmerkt
door het strakke profiel dat zonder
hoeken vanaf de standring naar de
rand toeloopt in een flauwe, liggende
s-vorm. Deze twee borden, die binnen het
gehele complex als luxe stukken gezien
kunnen worden, zijn misschien relicten uit
betere tijden. Om een aantal redenen kan
hun datering vóór 1620 geplaatst worden.
Vanaf de introductie van porselein in het
eerste decennium van de zeventiende
eeuw door de openbare verkoop van de
inhoud van twee Portugese ‘kraken’ (bepaald
type schepen) begonnen de
Hollandse majolica bakkers de Chinese afbeeldingen
te imiteren op het majolicagoed.
Bovendien gingen ze experimenteren
met klei en tinglazuur om het concurrerende
porselein zoveel mogelijk na te
bootsen. Deze ontwikkeling vindt plaats
vanafongeveer 1620.
De gevonden majolicaborden hebben nog
een typisch Hollands polychroom decor en
dateren daarom zeer waarschijnlijk van
vóór 1620.
Steengoed
Er zijn minstens vier verschillende steengoed
voorwerpen in de kelder gevonden,
waarvan slechts twee tot een bepaald type
te herleiden zijn.
Eén voorwerp behoort tot de familie der
trechterbekers, maar welk lid het is kan
niet gezegd worden (sl-tre-?). Het andere,
een kan van het type (s2-kan-10) wordt besproken.
(11)
Importen
Een vijftal voorwerpen is afkomstig uit het
Wesergebied. Volgens Hurst en van
Beuningen is Weser aardewerk voornamelijk
geëxporteerd tussen 1580 en 1630 met
een piek tussen 1590 en 1620. 02) Waarschijnlijk
is het aardewerk vanuit in het
binnenland gelegen pottenbakkerijen over
de Weser vervoerd naar Bremen, van waaruit
het verder verhandeld werd. In tegenstelling
tot de grote hoeveelheden via de
Rijn geimporteerd steengoed hebben we
hier dus zeer waarschijnlijk te maken met
over zee aangevoerd aardewerk uit het
Duitse gebied. .
Het baksel varieert van wit tot zachtrood
en is voorzien van een dunne sliblaag als
basis voor de versiering. Deze bestaat bij
de platte voorwerpen veelal uit concentrische
circels in roodbruin of geel, afgewisseld
met vlakken die gevuld zijn met slingerlijntjes
of stippen in de kleuren geel,
groen en roodbruin op een ondergrond
van gele of roodbruine slib.
Er zijn vijf voorwerpen gevonden: twee
borden, een klein kannetje, een drinkbekertje
en een kop. De twee borden behoren
tot het type We-bor-1 (nrs. 38 en 39).
Dit type heeft een standvlak bodem en een
hamer-vormige rand. We-kop-1 (nr. 41)
heeft dezelfde bodem, de wand vertoont
een knik en de rand is eveneens hamervormig.
Beker we-bek-1 (nr. 37) lijkt veel op
een klein aardewerk vaatje met standvlak
en verticaal oor. Op de buik is een radstempelmotief
(een radstempel is een cylindervormig
voorwerp met in negatief
daarop uitgesneden versieringen). Verder
is dit bekertje niet versierd. Van gelijke
grootte als het vaatje is kannetje we-kan-1
(nr. 40) dat een standvoet heeft, een bol
buikje en een hals met drie duidelijke
draairibbels. Er heeft een verticaal oortje
aan gezeten.
Eveneens uit het Duitse gebied komt de
zogenaamde Wanfried of Werra kom. Ook
bij dit soort aardewerk heeft Bremen als
exporthaven gediend. Via de rivier de
Werra werden de voorwerpen voor de export
naar Bremen vervoerd van waaruit het
over zee verder ging. De export van deze
voorwerpen vond volgens Hurst en van
Beuningen voornamelijk plaats tussen 1590
en 1630. (13) Er zijn nogal wat verschillen
met het Weser aardewerk. Het baksel is
roodbruin en rijk versierd in de zogenaamde
slibkrastechniek. De meest voorkomende
vormen zijn borden en (pap)kommen.
De voorwerpen zijn zeer vaak gedateerd.
Net zoals bij het Wesergoed hebben
de borden en (pap)kommen een hamervormige
rand. Het Wanfried of Werra
aardewerk is luxueuzer dan het Wesergoed.
In Nederland is door Bruyn in 1979 in
Enkhuizen een oven met vele misbaksels
1990 80
van Wanfriedaardewerk opgegraven. De
productie vond plaats tussen 1602 en 1610.
Dit vondstcomplex wordt binnenkort gepubliceerd
in de Rotterdam Papers. De in
de Celekelder gevonden kom draagt het
jaartal 1593 en kan dus niet uit Enkhuizen
komen.
Onze kom (Wa-kom-1) (nr. 42) heeft een
standvlak, loopt bol en breed omhoog met
aan de buitenzijde veel draairibbels en eindigt
in een hamervormige rand. Op de
spiegel (het platte deel van het bord) is in
ringeloor in geel en groen een vogel aangebracht,
extra versierd met slibkras techniek.
Boven deze vogel zweeft het getal 93
wat het jaar aangeeft waarin deze kom gemaakt
is: 1593. De binnenwand van de
kom is versierd met cirkels en primitieve
bloemen in geel en groen.
Pijpen
In dit vondstcomplex ontbreken, in tegenstelling
tot andere complexen die tot na
1600 doorlopen of beginnen, de pijpen en
aanverwante rookartikelen. (14) Een verklaring
is heel simpel: vrouwen in de zeventiende
eeuw werden geacht niet te roken
en de vrouwen die het Celehuisje bewoonden
deden dit dan ook niet.
De analyse van de vondsten
Wanneer we het totale aardewerkcomplex
overzien, valt onmiddellijk de grote hoeveelheid
roodbakkend aardewerk op. Van
de 348 voorwerpen behoren er 328 tot de
categorie roodbakkend, ofwel 94,25% van
het totaal. Van de overige categorieën is
het witbakkend aardewerk met zeven en
het Weser met zes exemplaren vertegenwoordigd;
respectievelijk 2,01% en 1,72%.
Het steengoed vormt met vier exemplaren
1,15%, het majolica met twee 0,58%, terwijl
het Wanfried met één exemplaar slechts
0,29% van het totaal uit maakt.
Dat het aandeel van het roodbakkend
aardewerk in dit vondstcomplex buiten
verhouding groot is, blijkt wanneer we kijken
naar andere vondstcomplexen. In een
eerdere publicatie zijn complexen uit
Groningen, Amsterdam, Nijmegen en
Deventer naast elkaar gezet. (15) Het vroegste
begint in de veertiende eeuw en het
laatste eindigt aan het einde van de achttiende
eeuw. In geen van deze in plaats en
tijd gevarieerde complexen is het aandeel
rood aardewerk hoger dan 66%.
Wanneer de Celevondst vergeleken wordt
met het enige complex uit dezelfde periode
— dit is de Groningse beerput uit de periode
1550-1665 – blijkt het volgende: in de
Groningse beerput heeft het roodbakkend
aardewerk een aandeel van 65,9% tegenover
Zwolle met 94%.
De eigenaars van de putten uit Groningen,
overig 7,0%
wit 2,5%
majolica 0,5%
steengoed 1,0%
Import 2,0%
diversen 7,0%
majolica 4,5%
tafclgoed 20,0% kcukengoed 39,0%
Groningen Aardewerk naar soort Zwolle Aardewerk naar functie Zwolle
1990 81
Deventer en Nijmegen behoorden niet tot
de armste lagen van de bevolking zoals in
Zwolle, maar tot de betere. Alleen de allerarmsten
kochten vrijwel uitsluitend roodbakkend
aardewerk. Was men iets beter
gesitueerd dan schafte men steengoed,
majolica, faïence of witbakkend aardewerk
aan. Dit was duurder en stond in hoger
aanzien.
Er zijn in de Celekelder vijf Weser voorwerpen
gevonden, één Wanfried kom, twee
majolica borden en één fraai versierd roodbakkend
bord. Dit zijn duurdere voorwerpen.
Zijn dit stukken die de vrouwen uit
hun jongere jaren hebben overgehouden?
Of hebben zij deze voorwerpen via liefdadigheid
gekregen?
Locale of regionale producten
Binnen de categorie roodbakkend aardewerk
valt het volgende op. Er zitten enkele
typen tussen die buiten Zwolle tot nu toe
niet zijn aangetroffen. De pispotten van het
type r-pis-7, gekenmerkt door de sierlijn
halverwege de knik in de wand en de onderzijde
van de rand, zijn waarschijnlijk locale
Zwolse producten evenals de papkommen
r-pap-2 en r-pap-3. R-kom-9 en rgra-
8b var4, de laatste ook met een sierlijn
op dezelfde plaats als bij r-pis-7, komen
buiten Zwolle alleen in Kampen voor. In
totaal gaat het om 25 exemplaren (7,18%)
die waarschijnlijk tot de locale producten
gerekend kunnen worden.
Verder bevinden zich tussen de voorwerpen
uit de kelder enkele roodbakken koppen
en een roodbakken bord, waar het
uiterlijk van het betere of duurdere witbakkend
aardewerk aan gegeven is door het
voorwerp eerst te dompelen in een dunne
witte kleipap en — na droging – te voorzien
van een^loodglazuur vermengd met gemalen
koperkorrels (koperoxide). Witbakkend
aardewerk leent zich namelijk uitstekend
om te behandelen met loodglazuur
en koperoxide. Het resultaat is een mooi
fel groen uiterlijk. De klei om witbakkend
aardewerk te maken is echter niet inheems.
De locale pottenbakkers hebben dit witbakkend
aardewerk geïmiteerd op de hierboven
beschreven wijze. Het resultaat is
bevredigend, hoewel deze producten beschouwd
moeten worden als tweede keus
ten opzichte van het echte witbakkend
aardewerk.
Het is mogelijk dat deze voorwerpen in
Zwolle gemaakt zijn, hoewel ze ook in
Kampen zijn gevonden. Het totale aantal
locale producten zou hierdoor op 29
(8,33%) komen. Dit wil niet zeggen dat er
niet méér lokaal vervaardigde voorwerpen
kunnen zijn. De plaatselijke pottenbakkers
kunnen vormen gemaakt hebben die in die
periode overal voorkwamen. Bij het toewijzen
van een voorwerp aan een bepaald
pottenbakkerscentrum spelen twee zaken
een rol. In de eerste plaats dient het aardewerk
van dat centrum bekend te zijn. De
vormen en het baksel uit dit centrum kunnen
dan worden vergeleken met het ‘los’
gevonden voorwerp. In de tweede plaats
dient er, vooral wanneer een vorm of baksel
algemeen voorkomt, een kleianalyse
gemaakt te worden van het onbekende
product. Het resultaat van zo’n analyse kan
dan vergeleken worden met de klei-analyse
van een bekend voorwerp uit het pottenbakkerscentrum.
In Zwolle is echter
nog geen pottenbakkersoven opgegraven,
zodat dit onderzoek niet uitgevoerd kon
worden. Uit historische gegevens is overigens
vrijwel zeker bekend dat er één of
meerdere pottenbakkerijen in de stad zijn
geweest.
Pispotten
Een ander opvallend element in de Celevondst
is het grote aantal pispotten. Van de
290 herkenbare vormen aardewerk behoren
er 95 tot de categorie pispotten, een
derde deel van het totaal (32,75%). In andere
vondstcomplexen is dit over het algemeen
minder. Waarschijnlijk begonnen de
pispotten na verloop van tijd te stinken zodat
ze weggegooid moesten worden voordat
ze stuk waren. (16) Hun omloopsnelheid
was daardoor groter dan bij andere
keramische voorwerpen.
Minstens twee grapen zijn secundair gebruikt
als pispot. Dit is te zien aan de kalkachtige
aanslag aan de binnenkant, veroorzaakt
door urinezuren. Dit brengt het totale
aantal pispotten op 97 stuks.
Wordt al het keukengoed, dus grapen,
steelkommen, steelpannen, kannen, vergieten,
deksels, vetvangers, bakpannen enzovoort,
bij elkaar opgeteld, dan blijken er
111 van dit soort voorwerpen te zijn
(38,28%). Daarmee zijn er bijna evenveel
pispotten als er keukengerei is.
Een verklaring voor de in verhouding geringe
hoeveelheid keukengoed kan liggen
in het feit dat de vrouwen niet apart kookten.
Het huisje meet ll,40m bij 6,20m en
1990 82
heeft geen verdiepingen; alleen een zolder.
Het is dus onmogelijk dat elk van de vijf
vrouwen een eigen keuken had. Uit tekeningen
van de afdeling monumentenzorg
van de gemeente Zwolle, blijkt bovendien
dat er slechts drie haardvuren in het huisje
zijn geweest. Twee paar vrouwen hebben
dus een keuken gedeeld, wat de noodzaak
voor elke vrouw om een complete keukenuitrusting
te hebben danig inperkte. Ook
zal de keukenuitrusting van deze arme
vrouwen niet al te uitgebreid geweest zijn.
De dames hebben waarschijnlijk wel apart
geslapen en ze zullen ook allemaal een
eigen pispot hebben gehad. Voor leden
van het vrouwelijke geslacht was de behoefte
aan dit materiaal nu eenmaal groter
dan voor leden van het mannelijke geslacht.
Misschien zijn er vrouwen bij
geweest die last hadden van incontinentie.
Dat zou de toch al hoge omloopsnelheid
van de pispotten extra verhoogd kunnen
hebben.
De datering van de vondsten
De vondsten kunnen op twee manieren
gedateerd worden. Enerzijds door gebruik
te maken van historische gegevens en de
jaartallen op de munten en het aardewerk,
anderzijds door te kijken naar de typologische
en stijlkritische kenmerken van de
voorwerpen.
Nauwkeurige dateringen worden geleverd
door jaartallen op de tussen het afval gevonden
munten en door een jaartal op het
aardewerk. De oudste munt dateert uit
1425, de op één na oudste uit 1534, de
jongste uit 1677. 07) De Wanfried kom
draagt het jaartal (15)93.
Op typologische gronden kan het aardewerk
gedateerd worden als afkomstig zijnde
uit de periode 1550-1650. Voorbeelden
van zestiende eeuws aardewerk zijn r-gra-
8b, r-pis-7 en r-bak-2. Er zitten geen voorwerpen
tussen die typisch zijn voor de eerste
helft van de zestiende eeuw, wel enige
die typerend zijn voor de periode na 1570;
bijvoorbeeld het Weser aardewerk en de
grape met de tekst ‘ANNO 15?9’. In de
overgangsperiode van de zestiende naar de
zeventiende eeuw vallen de twee majolica
borden van het type m-bor-5 en de
Wanfried kom met het jaartal (15)93. Uit de
eerste helft van de zeventiende eeuw dateren
r-gra-lOb en r-pis-5. Aardewerk dat
typerend is voor de tweede helft van de
zeventiende eeuw komt niet voor.
Wel afwijkend wat datering betreft zijn
twee steengoed kannen, die beiden uit de
vijftiende eeuw dateren. Zij zijn echter een
uitzondering. Er zijn geen andere voorwerpen
(op een munt na) gevonden uit de vijftiende
eeuw. Het is mogelijk dat de scherven
van deze kannen in de kelder terecht
gekomen zijn toen deze nog in gebruik
was als opslagruimte.
Wat de overige voorwerpen betreft geeft
een knoop een datering uit het einde van
.de zestiende of het begin van de zeventiende
eeuw aan. Een gelijksoortig exemplaar
is onder andere gevonden in het
‘Behouden Huys’ op Nova Zembla. 08)
Samenvattend kan gezegd worden dat het
aardewerk, op een enkele uitzondering na,
op typologische gronden gedateerd kan
worden als afkomstig zijnde uit de periode
1550-1650.
Samenvatting
Het aardewerk dat uit de Celekelder
afkomstig is, dateert voor het merendeel uit
de tweede helft van de zestiende en de
eerste helft van de zeventiende eeuw. De
bewoners van het Celehuisje waren in
deze periode vier of vijf arme, alleenstaande
vrouwen. Zij behoorden tot de armste
groepen in de maatschappij.
Het teruggevonden aardewerk dat in het
bezit van deze vrouwen was, vertoont in
vergelijking met ander teruggevonden
aardewerk afkomstig van personen uit
‘hogere’ klassen één opvallend kenmerk:
het bevat een enorm aandeel (94%) roodbakkend
aardewerk. Deze oververtegenwoordiging
gaat ten koste van witbakkend
aardewerk, steengoed, majolica en
faïence/delfts. In andere, rijkere huishoudens
is het aandeel roodbakkend aardewerk
veel kleiner. Deze zeer grote hoeveelheid
kan volgens ons beschouwd worden
als een kenmerk van een arm huishouden.
1990 83
Het zeven van de vondsten
uit de Celekelder, (foto: Han
Prins)
Noten:
1. Later bleek dat het ernaast gelegen pand van Mr. Johan Cele was
geweest. Het vondstcomplex werd echter ‘Cele 73′ genoemd. Zo
ging dit vondstcomplex het depot in en onder die naam werd het
16 jaar later weer te voorschijn gehaald.
2. De restauratie van de voorwerpen werd verricht door Y. Angioni,
R. van Beek, K. v .d. Berghe, H. Duiker, H. Hasselt, M. Klomp,
R. Masotto, A. Oechies, I. Sjaarda, T. Visser, A. Vulpen en H. Weevers
e.a. De tekeningen werden grotendeels gemaakt door P. Kleij.
De foto’s zijn vervaardigd door J. de Koning (gemeente-fotograaf
Zwolle).
3. Ch. Hofstee, De fraterhulzen te Zwolle scriptie. Gemeente Archief
Zwolle. Z Kw 57 57. (1976) 75 e.v.
4. G. Berends ‘De gebouwen van het fraterhuis te Zwolle’, in: Bulletin
K.N.O.B. 73 0974) 96.
5. ‘I. ClevisenJ. Kottman, Weggegooid en teruggevonden. Aardewerk
en glas uit Deventer vondstcomplexcn 1375-1750
(Kampen 1989).
6. De vondsten uit Deventer zijn beschreven in: Clevis en Kottman;
de vondsten uit Kessel zijn beschreven in: H. Clevis en J. Thijssen,
‘Kessel, huisvuil uit een kasteel’, in: Mededelingenblad Nederlandse
Vereniging van Vrienden van de Ceramiek nr. 136.
0989).
7. Clevis en Kottman, 94.
8. J.G.N. Renaud, ‘Vijftig jaar slib-kras aardewerk’, in: Mededelingenblad
Nederlandse Vereniging van Vrienden van de Ceramiek
nr. 134 (1989) 8.
9- Clevis en Kottman, zie r-gra-15c.
10. Gezien het feit dat in Clevis/Thijssen de vormen wk-ste-3 en wkste^
i zijn geïntroduceerd onder de benaming steelpan, geven we
de Zwolse voorwerpen dezelfde type aanduiding. Eigenlijk zijn zowel
de Kesselse als de Zwolse voorwerpen grape-vormen. Bij de
Zwolse exemplaren is dit duidelijker te zien. Wk-ste-3 heeft een
lintoor en duidelijk de vorm van een eenoorige grape. De Zwolse
wk-ste-4 is gewoon een grape met een massief ronde steel. In de
catalogus houden we het type nummer aan naar de Kesselse
exemplaren, maar noemen we ze onder functie/naam respectievelijk
grape, eenoor en steelgrape.
11. Clevis en Kottman.
12. J.G. Hurst, D.S. Neal en H.J.E. van Beuningen, Pottery produced
and traded in north-west Europe 1350-1625. in: Rotterdam
Papers 6 (Rotterdam 1987) 250 e.v.
13. Ibidem, 242 e.v.
14. Zie R. de Haan, ‘Roken aan de Oosterburgermiddenstraat’, in: J.B.
Kist e.a., Van V.O.C, tot Werkspoor. Het Amsterdamse Industrieterrein
Oosterburg (Utrecht 1986) 126.
15- Clevis en Kottman, 56.
1990 84
16. Ibidem, 55.
17. De munten zijn gedetermineerd door Drs. A. Pol van het Koninklijk
Penningenkabinet. Het betreft:
– Bourg. Nederlanden, Philips de Schone – Karel V, groot 1505-
1520 (GH 121/173).
– Holland, oord 1573-1579 (GH 263).
– Holland, duit ca 1594 (Verkade 57.3).
– HoUand, duit 1604-1605 (Verkade 57.4).
– Westfriesland, duit 1604 (Verkade 75.7).
– Utrecht, stuiver 1597 (Verkade 114,2).
– Gelderland, stuiver 1641 (Verkade 17.3).
2x- Overijssel, duit ca 1607 (Verkade 144.5).
– Deventer, duit 1594 (Verkade 157.2).
– Zwolle, duit 1596 (Verkade 178.4).
– Kampen, kwart plak ca 1425 (vgl CJ 8).
– Driesteden, dubbele gosseler 1534 Deventer (FD 19).
– Driesteden, driebutken 1560 Zwolle (FD 48).
36x – Driesteden, drieplak 1556 (FD 42), waarvan: 16 zonder klop,
5 met klop ca 1582 Deventer, 1 met klop 1582 Kampen en 14
met klop 1582 Zwolle.
2x- Driesteden, plak 1559 (FD 45).
– Driesteden, halve plak 1561 (FD 54).
– Hasselt, drieplak ca 1583 (vdChijs XVII.2).
– Friesland, oord 1608-1648 (Verkade 131 3).
2x- Friesland, duit 1605 (Verkade 131.4).
– Friesland, duit 1653 (Verkade 131.5).
– Groningen, plak 1677 (Puister 1.629).
– Groningen, dubbele plak 1594 (Puister 1.623).
– rekenpenning, Neurenberg 16e eeuw (Barnard XXIX.18/19)-
Afkortingen:
Barnard: F.P. Barnard, The castlng-hounter and the countingboard
(Oxford 1916).
vdChijs: P.O. van der Chijs, De munten der voormalige heeren
en steden van Overijssel (Haarlem 1854).
CJ: H.W. Oost Jordens, Kamper stempels. Bijdragen tot de
Kamper munt (Deventer 1857).
FD: J. Fortuyn Droogleever, De Driesteden-muntslag 1479-1588
van Deventer, Kampen en Zwolle (‘s-Gravenhage 1986).
GH: H.E. van Gelder en M. Hoc, Les monnales des Pays-Bas
bourguignons et espagnols, 1434-1713 (Amsterdam 1960).
Puister: A.T. Puister, Groningse stedelijke munsten. In: Jaarboek
voor Munt- en Pennlngkunde 73 (1986) 5-72.
Verkade: P. Verkade, Muntboek, bevattende namen en afbeeldingen
van munten geslagen in de zeven voormalig Vereen
igdc Ncderlandsche Provinciën (Schiedam 1848).
18. Mededeling van de stadsarcheologische dienst Amsterdam.
Toelichting op de catalogus:
Het vondstnummer is opgebouwd uit zw(olle)-c(ele)73-volgnummer.
Het typenummer is meestal opgebouwd uit de eerste letter van het
baksel (soms vergezeld door een tweede letter die dan op het productiecentrum
betrekking heeft), de eerste drie letters van de functie/naam
en een volgnummer. Achter het volgnummer kan een kleine letter
staan die op een nadere onderverdeling slaat. Zo staat bij de grapen de
kleine a voor een één-oorige grape, de b voor een twee-oorige en de c
voor een steelgrape. Bij de kannen staat de a voor een standring. Bij de
bakpannen betekent de a een standvlakbodem en de b drie pootjes.
Voor Wezergoed is zowel een geel als een rood baksel mogelijk. Voor
de typen wordt echter gebruik gemaakt van de code We.
Bij de datering staan de kleine letters voor kwart eeuwen en de hoofdletters
voor halve eeuwen (a-eerste kwart; A-eerste helft).
Wat het baksel betreft is er bij het steengoed een onderverdeling gemaakt
in steengoed 1 en steengoed 2. Onder steengoed 1 verstaan we
alle steengoed zonder oppervlakte behandeling (Siegburg). Onder
steengoed 2 verstaan we alle steengoed met oppervlakte behandeling,
een engobe of glazuur, wat in de praktijk neerkomt op al het andere
steengoed.
Bij de maten wordt eerst de maximale diameter genoemd, gevolgd
door de hoogte. Beide cijfers zijn afgerond op halve centimeters. Indien
de functie/naam voorzien is van een ‘ betekent dit dat hel voorwerp
archeologisch niet compleet is. Onder ‘archeologisch compleet’
verstaan we de aanwezigheid van een compleet profiel.
afkortingen voor de soort: Kroodbakkend), s(teengoed)l, s(teengoed)
2, w(itbakkend), w(itbakkend)k(euls), we(zer), wa(nfried),
gl(as).
afkortingen voor de naam/functie: bak(pan), blo(empot), bor(d),
dek(sel), gra(pe), kan, kom, kop, olieQamp), pap(kom), pis(pot), pot,
slu(itpan), ste(elpan), st(eel)k(om), veKgiet), vet(vanger), vuu(rklok),
zal(fpot) en fle(s).
1. vondstnummer 5b. glazuur
2. typenummer 5c. versiering
3. datering 6a. bodem
4. maten 6b. oor
5a. baksel – 6c. diversen
7. functie/naam
8. productiecentrum
9. literatuur
1990 85
nr.2
nr.1
nr.5
nr.3
nr.4 nr.6
nr.1
1. zw-c73-74 2. r-bak-2b 3. 1ÓB-17A4. 21.0/6.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. platte steel 6c. schenklip 90 t.o.v. steel 7. bakpan 9- Clevis/
Kottman 1989 p. 91.
nr.2
1. zw-c73-80 2. r-bak-5b 3. 16B-17A 4. 5a. rood 5b. loodglazuur 6a. driepoot
6b. ronde steel 7. bakpan *
nr.3
1. 2w-c73-355 2. r-bak-5b 3. 16B-17A 4. 23.0-6.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. ronde, holle steel 6c. schenklip 90 t.o.v. steel 7.
bakpan
nr.4
1. zw-c73-359 2. r-bor-1 3- 17A 4. 28.5/7.0 5a. rood 5b. loodglazuur 5c.
gedompeld in een witte engobe met in slibkras geometrische figuren in
geel en rood 6a. standlob 6c. gebruik gemaakt van een passer 7. bord
nr.5
1. zw-c73-352 2. r-bor-6 3. l6d-17a 4. 24.5/5.5 5a. rood 5b. loodglazuur
5c. spiegel: wentelend rad in cirkel van dubbele boogjes 6a. standlob 7.
bord
nr.6
1. Ew-c73-202 2. r-bor-7 3. 17A 4. 18.0/6.0 5a. rood 5b. loodglazuur, koperoxide
5c. groene slib op spiegel 6a. voet 6b. het voorwerp is geheel
in slib gedompeld geweest 6c. voetschaal 9- Renaud 1989, pp. 4-12 afb.
9 en afb. 15.
1990 86
nr.7
nr.8
nr.9
nr.10
nr.11
nr.7
1. zw-c73-201 2. r-dek-1 3- 16B-17A 4. 16.0/5-0 5a. rood 5b. geen 6b.
knop 7. deksel 9. Clevis/Kottman 1989, p. 94.
nr.8
1. zw-c73-184 2. r-gra-8a 3. 1599 ? 4. 11.0/11.5 5a. rood 5b. loodglazuur
5c. ANNO 159 in gele slib 6a. driepoot 6b. worstoor, geknepen 7. grape,
eenoor
nr.9
1. zw-c73-154 2. r-gra-8b var 4 3. l6B 4. 16.0/14.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. worstoor 7. grape, tweeoor
nr.10
1. zw-c73-157 2. r-gra-8b var 4 3. 16B 4. 16.0/13.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. worstoor 7. grape, tweeoor
nr.11
1. zw-c73-6l 2. r-gra-18c 3. l6B-17a 4. 13.0/11.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. kromme steel 7. steelgrape
1990 87
nr.12
nr.13
nr.14
nr.15
nr.12
1. zw-c73-62 2. r-gra-18c 3. l6B-17a 4. 10.5/8.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. kromme steel 7. steelgrape
nr.13
1. zw-c73-l67 2. r-kan-6 3. 17A 4. 16.0/16.0 5a. rood 5b. loodglazuur 6a.
driepoot 6b. worstoor, geknepen 6c. schenklip tegenover oor 7. kan
nr.14
1. zw-c73-l68 2. r-kan-7 3. l6d-17a 4.17.7/17.5 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. worstoor, geknepen 7. kan
nr.15
1. zw-c73-357 2. r-kan-8a 3. 17A 4. 135/15.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. standring, glad 6b. worstoor 6c. schenklip tegenover oor 7. kan
1990 88
nr.16 nr.X7 nr.18
nr.21
nr.19
nr.16
1. zw-c73-28 2. r-kom-9 3- 16B-17A4. 15.0/6.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. standring, glad 7. kom
nr.17
1. zw-c73-7 2. r-kop-2 3. l6d-17A 4. 12.0/7.0 5a. rood 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. inwendig groene slib 6a. standring, glad 6b. drie worstoren,
geknepen 7. kop
nr.18
1. zw-c73-l 2. r-kop-2 3. l6d-17A 4. 13.5/7.5 5a. rood 5b. loodglazuur
5c. gedompeld in witte engobe, inwendig gele slib 6a. standring, glad
6b. worstoor, geknepen 7. kop 9- Clevis/Kottman 1989, p. 104.
nr.19
1. zw-c73-351 2. r-oli-2 3. 17A 4. 14.0/10.0 5a. rood 5b. loodglazuur 6a.
standvlak 6b. ophangoor 6c. een platte zijde 7. olielamp 9- Clevis/Kottman
1989, p. 105.
nr.20
1. zw-c73-5 2. r-pap-2 3. 16B-17A 4. 14.5/6.5 5a. rood 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. inwendig groene slib 6a. standring, glad 6b. worstoor,
horizontaal, nokoor 7. papkom
nr.21
1. zw-c73-8 2. r-pap-3 3. 16B-17A 4. 16.0/6.5 5a. rood 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. inwendig groene slib 6a. standring, glad 6b. worstoor,
horizontaal 7. papkom
> f
nr.20
1990 89
nr.22 nr.23 nr.24
nr.25
nr.27
nr.26
O
nr.22
1. zw-c73-105 2. r-pis-5 var 1 3. 17A 4. 18.5/13.5 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. standring, glad 6b. worstoor 7. pispot
nr.23
1. zw-c73-145 2. r-pis-5 var 2 3. 17A 4. 11.0/7.5 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. ziel 6c. gebruikt; kinderspeelgoed ? 7. pispot *
nr.24
1. zw-c73-83 2. r-pis-7 3. l6B 4. 15.0/11.5 5a. rood 5b. loodglazuur 5c.
twee sierlijnen op bovenste helft 6a. ziel 6b. worstoor 7. pispot
nr.25
1. zw-c73-103 2. r-pis-8 3. 16B-17A 4. 18.0/14.5 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. standring, glad 6b. worstoor 7. pispot
nr.26
1. zw-c73-56 2. r-ste-3 3. 16B-17A 5a. rood 5b. loodglazuur 6a. driepoot
6b. kromme steel 7. steelpan
nr.27
1. zw-c73-58 2. r-ste-3 3. 16B-17A 4. 17.5/9-0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. kromme steel 7. steelpan
1990 90
o
nr.28
nr.29
nr.30 nr.31 nr.32
nr.28
1. zw-c73-30 2. r-stk-5 3. 16B-17A 4. 150/7.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. platte steel 6c. schenklip 90 t.o.v. steel 7. steelkom
nr.29
1. zw-c73-32 2. r-stk-5 3. 16B-17A 4. 15.5/8.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. kromme steel 6c. schenklip 90248 t.o.v. steel 7. steelkom
nr.30
1. zw-c73-35 2. r-stk-6 3. 1ÖB-17A 4. 14.0/6.0 5a. rood 5b. loodglazuur
6a. driepoot 6b. kromme steel 6c. schenklip 90 t.o.v. steel 7. steelkom
nr.31
1. zw-c73-360 2. w-gra-15c 3. l6B 4. 12.0/9-5 5a. wit 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. groen 6a. driepoot 6b. kromme steel 7. steelgrape
nr.32
1. zw-c73-36l 2. w-kan-10 3. 17A 4. 11.0/14.0 5a. wit 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. groen 6a. standvlak 6b. lintoor 6c. 7. kan
nr.33
1. zw-c73-213 2. w-ste-3 3. l6B-17a 4. 11.5/14.0 5a. wit 5b. loodglazuur,
mangaanoxide 5c. inwendig paars 6a. bol, driepoot 6b. holle steel 7.
steelgrape 8. Keulen 9. Clevis/Thijssen 1989, p 39.
nr.33
1990 91
nr.34
nr.35
nr.37
nr.38
nr.36
nr.34
1. zw-c73-183 2. wk-ste-4 3. l6B-17a 4. 10.5/10.0 5a. wit 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. inwendig groen, uitwendig witte engobe 6a. bol,
driepoot 6b. lintoor 7. grape, eenoor 8. Keulen 9. Clevis/Thijssen 1989,
p. 39-
nr.35
1. zw-c73-209 2. m-bor-5 3. l6d-17a 4. 24.0/4.5 5a. majolica 5b. tinglazuur,
loodglazuur, polychroom 5c. spiegel: gestyleerd bladmotief 6a.
standring, glad 6c. ophanggat door standring 7. bord
nr.36
1. zw-c73-362 2. m-bor-5 3. l6d-17a 4. 21.0/3-5 5a. majolica 5b. tinglazuur,
loodglazuur, polychroom 5c. spiegel: gestyleerd bladmotief, sgrafitto
6a. standring, glad 6c. ophanggat door standring 7. bord
nr.37
1. zw-c73-364 2. we-bek-1 3- 1580-1630 4. 6,0/8.0 5a. geel 5b. loodglazuur
5c. rode sliblaag; radstempelversiering 6a. standvlak 7. beker 8.
Wezer 9- Hurst 1986, pp. 250-259-
nr.38
1. zw-c73-207 2. we-bor-1 3. 1580-1630 4. 20.0/4.5 5a. geel 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. ringeloorversiering en cirkels in geel en groen 6a.
standvlak 7. bord 8. Wezer 9. Hurst 1986, pp. 250-259.
1990 92
nr.41
nr.39
nr.40
nr.39
1. zw-c73-208 2. we-bor-1 3. 1580-1630 4. 30.0/6.5 5a. geel 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. ringeloorversiering en cirkels in geel en groen 6a.
standvlak 7. bord 8. Wezer 9. Hurst 1986, pp. 250-259.
nr.40
1. zw-c73-20O 2. we-kan-1 3. 1580-1630 4. 7.0/9-5 5a. rood 5b. loodglazuur
5c. ringeloorversiering in geel 6a. standvoet, met draad afgesneden
7. kan 8. Wezer 9. Hurst 1986, pp. 250-259.
nr.41
1. zw-c73-206 2. we-kop-1 3. 1580-1630 4. 13.5/50 5a. geel 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. ringeloorversiering en cirkels in geel, groen en
rood 6a. standvlak 6b. worstoor, horizontaal 6c. 7. kop 8. Wezer 9-
Hurst 1986, pp. 250-259.
nr.42
1. zw-c73-363 2. wa-kom-1 3. 1593 4. 23.0/8.5 5a. rood 5b. loodglazuur,
koperoxide 5c. spiegel: vogel met 93 in geel en groen; sübkrastechniek
6a. standvlak 6b. worstoor, horizontaal, geleed 7. kom 8. Wanfried 9-
Hurst 1986, pp. 242-250.
1990 93
De synagoge van Zwolle,
een historisch monument
met een aangepast gebruik
Peter van ’t Riet
In Zwolle staat aan de tegenwoordige
Samuel Hirschstraat (voorheen Schoutenstraat)
tegenover de Nieuwe Markt
een bijzonder kerkgebouw: de synagoge.
Het gebouw is aan het eind van de
vorige eeuw gebouwd door en voor de
Joodse Gemeente die toen ca. 600 leden
telde. Nu, veertig jaar na de Tweede
Wereldoorlog, zijn er van die gemeente
zo weinigen overgebleven dat
zij niet langer in staat zijn het gebouw
te behouden en te beheren. In 1983
verkeerde de synagoge in zeer slechte
staat, maar inmiddels is zij geheel gerestaureerd
en weer in gebruik genomen.
In dit artikel zal ik een korte uiteenzetting
geven over een aantal historische
en bouwkundige aspecten van
de Zwolse synagoge alsmede een
schets van het verloop van de restauratie
die in september 1989 tot voltooiing
kwam, en van de wijze waarop het
gebouw in de toekomst gebruikt zal
gaan worden.
1990 94
Zwolle en haar joodse gemeenschap
De eerste berichten over de aanwezigheid
van Joden in de stad Zwolle stammen uit
het begin van de veertiende eeuw. Waarschijnlijk
uit Duitsland afkomstig vestigden
zij zich in deze contreien als geldschieters
en handelaren in allerlei goederen. Maar
de niet-joodse bevolking heeft hun in die
tijd lang niet altijd een goed hart toegedragen.
Een van de oudste berichten over jodenvervolging
in ons land is uit Zwolle
afkomstig. Op lyrische wijze vertelt de
Zwolse burgemeester en kroniekschrijver
Albert Snavel, dat in 1349 de Joden in zijn
stad zijn vermoord ‘uit liefde voor God’.
De geschiedenis van de Joden in Zwolle
heeft echter ook heel andere episoden gekend.
Vierhonderd jaar later ontmoet de
joodse gemeenschap in Zwolle een veel
positievere benadering. De stad voerde in
de achttiende eeuw een voor die tijd zeer
liberale politiek ten opzichte van haar
joodse inwoners. Vanaf 1721 werden de
Joden in Zwolle in de gelegenheid gesteld
het zogenaamde kleine burgerrecht te verwerven.
Daardoor konden zij ook worden
toegelaten tot het koopmansgilde, waarvan
zij druk gebruik hebben gemaakt. Tussen
1724 en 1742 behoorde 32% van de nieuwe
leden van dit gilde tot de joodse bevolkingsgroep.
Vele Joden uit het Duitse achterland
maar ook uit Amsterdam vestigden
zich in die periode in de stad. Aan het einde
van de achttiende eeuw was de joodse
gemeenschap daardoor toegenomen tot
ongeveer 350 zielen.
Reeds in 1722 stond het stadsbestuur toe
dat de Joden hun eigen begraafplaats buiten
de stad op de Luurderschans in gebruik
namen. Hun religieuze bijeenkomstenmoeten
zij aanvankelijk in particuliere woningen
hebben gehouden, want eerst in
1746 huurden zij daarvoor het huis van de
heer Markloff in de Bitterstraat tegenover
de Rozemarijnstraat. Na onenigheid over
de huurprijs kregen de Joden in 1757 toestemming
een synagoge te stichten in de
zogenaamde ‘Juffrou Schilders Huysen
staande in den Broeren’. Zij werden daarbij
welwillend geholpen door de burgemeesters
Voet, Sprakel en Waerman. In dit gebouw,
nu de Librije, werd van 1758 tot aan
het einde van de negentiende eeuw dienst
gehouden. Het gebouw is echter steeds
eigendom van de burgelijke gemeente gebleven.
De bouw van de huidige synagoge
Deze oude synagoge begon aan het einde
van de negentiende eeuw sporen van verval
te vertonen. Zij werd bovendien te
klein om de groeiende joodse gemeente te
kunnen bevatten. En door het Zwolse
‘hoge water’ kwam het gebouw van tijd tot
tijd geïsoleerd te liggen. Toen werd besloten
een nieuwe synagoge te bouwen. In
1892 werden vijf percelen aangekocht, gelegen
aan de toenmalige Schoutensteeg
(tot voor kort Schoutenstraat) tegenover de
Nieuwe Markt. De voorbereidingen namen
echter nog enkele jaren in beslag. Op 4 november
1897 deed de Zwolse architect F.C.
Koch bij B. en W. van Zwolle de aanvraag
voor de bouwvergunning van de te bouwen
synagoge aan de toenmalige Schoutensteeg.
Bij de brief had hij een schetsontwerp
gevoegd voor een synagoge met kostershuis.
Dit schetsontwerp bevindt zich
nog in het stadsarchief van Zwolle en bestaat
uit een plattegrond van de begane
grond en de eerste verdieping en uit een
tekening van de voorgevel en de achterkant
van het gebouw. De stadsarchitect
werd door B. en W. verzocht dit plan te bestuderen
en in zijn antwoord, gedateerd 12
november 1897, bericht deze aan B. en W.:
“Naar mijn mening kan het ingezonden
bouwplan worden goedgekeurd en de vergunning
tot deze bouw (…) worden verleend”.
Vijf dagen later werd de vergunning
afgegeven. Daarna volgde op 25 januari
1898 de aanbesteding. De gunning
viel ten deel aan de aannemer L. Meyer jr.,
waarna met de bouw kon worden begonnen.
Anderhalf jaar later was het gebouw
gereed. Op 21 juli 1899 kon het plechtig
worden ingewijd in aanwezigheid van
Gedeputeerde Staten van Overijssel en
Burgemeester en Wethouders van Zwolle, i
Door de hele synagoge waren extra stoelen
aangebracht, omdat vele niet-joodse Zwollenaren
de dienst bijwoonden.
Het ontwerp van de Zwolse synagoge
Het schetsplan van architect F.C. Koch uit
1897 is vrijwel ongewijzigd gehanteerd bij
de uiteindelijke totstandkoming van het gebouw.
Zoals gebruikelijk bij synagogebouw
in onze streken is het gebouw oostwest
georiënteerd. De ‘aron ha-kodesj’, de
heilige ark, dit is de kast met de Tora-rollen,
bevindt zich aan de oostkant van het
gebouw. Dit is ook de zijde waarnaar
Joden zich richten bij het gebed, zowel
foto linkerpagina:
De synagoge van Zwolle
tijdens de restauratie.
1990 95
Interieur van de grote synagogezaal
voor de restauratie
met bima in het midden en
heilige ark in de absidiale
Grote synagogezaal na de
restauratie.
thuis als in de synagoge. Het is de richting
van Jeruzalem. De ingang van de synagoge
bevindt zich aan de tegenoverliggende
westzijde. Als we het interieur van het gebouw
beschouwen dan zien we dat dit bestaat
uit een eenbeukig schip, afgesloten
aan de oostzijde door een absidiale ruimte
waarin vijf vensters zijn uitgespaard. In
deze absidiale ruimte bevindt zich de heilige
ark, welke de bijzonderheid heeft dat hij
van boven open is, waardoor het daglicht
er via de vensters vrij invalt. Voor de ark
hangt het voorhangsel, herinnering aan het
voorhangsel in de tempel in Jeruzalem.
Vanuit de zaal leidt een statige trap naar
het platform voor de ark. Beneden voor
deze trap bevindt zich een lessenaar,
‘amoed’ genaamd, waaraan tijdens de
dienst de chazzan, dit is de voorzanger,
staat. Midden in het schip geplaatst bespeurt
men vervolgens de fraaie eikenhouten
bima, de verhoging waarop tijdens de
diensten de lezing uit de Tora-rol plaatsvindt.
Tegen de noord- en zuidwanden zijn
de banken geplaatst, oorspronkelijk ook
langs de westwand. Daarmee heeft de
Zwolse synagoge de voor de traditionele
synagoge zo karakteristieke indeling gehandhaafd
met de banken in een halve cirkel
om de bima.
Tegen de westwand bevindt zich verder
een balkon. Vanaf dit balkon, de zogenaamde
vrouwengalerij, hadden vrouwen
de mogelijkheid de diensten bij te wonen.
Op die manier konden de mannen zich bij
de uitoefening van hun gebedsplicht niet
laten afleiden. Het huidige hogere hekwerk
langs de gaanderijen werd eerst in
1920 aangebracht overeenkomstig de wens
van de toenmalige opperrabbijn, de heer
S.J.S. Hirsch. Kennelijk was hij van mening
dat ook oogcontact tussen de mannen beneden
en de vrouwen boven de mannen
nog te veel gelegenheid gaf zich van hun
dienst der gebeden te laten afleiden.
De synagoge is ca. 25 meter lang en 14 meter
breed. De zijmuren zijn ca. 10 meter
hoog en het dak stijgt tot 15 meter. De
voorgevel wordt, afgezien van de aanbouw
van de woning, gedomineerd door het grote
dubbele venster met roosvenster, gebouwd
in Gotische trant. Daaronder bevindt
zich de hoofdingang. Toegang tot de
vrouwengalerij verkreeg men tot voor de
restauratie slechts via het portiek aan de
noordzijde, gebouwd tegen de woning
aan, en via de ingang aan de zuidzijde. Ter
linkerzijde van de hoofdingang zien we
nog een raampartij, waarboven in Hebreeuwse
letters het laatste deel van Jes.
56:7 is aangebracht: “Want mijn huis, een
huis van gebed wordt het genoemd voor
alle volken”.
De plaats van de Zwolse synagoge in
de negentiende-eeuwse architectuur
Bij een nadere beschouwing van het interieur
en de voorgevel van het gebouw doet
zich al snel de gelijkenis voor met de christelijke
kerkelijke bouwkunst. Dit geldt
vooral voor de absidiale ruimte waarin de
heilige ark, de kast voor de Tora-rollen, is
1990 96
ondergebracht. In zekere zin geldt dit tevens
voor het grote venster boven de
hoofdingang, dat sterke reminiscenties vertoont
met het Gotische kerkraam. Duidelijk
is dat de architect sterk werd beïnvloed
door het in de negentiende eeuw gangbare
eclecticisme. Hierbij stond centraal de inspiratie
door de verschillende bouwstijlen
uit het verleden, welke men tot een nieuw
geheel combineerde. Kennis van het werk
van de Nederlandse architect PJ.H. Cuypers,
wiens werk als representatief voor
deze historiserende stijl kan worden beschouwd,
moet Koch zeker gehad hebben.
Dit wordt bevestigd door het feit dat hij samen
met Cuypers heeft gewerkt aan de
restauratie van de Consistoriekamer van de
Grote Kerk te Zwolle in de jaren 1896-
1899, precies de periode waarin ook de
synagoge door Koch werd ontworpen. Een
voorbeeld van deze eclectische stijl zijn de
witte banden, die op de voorgevel afwisseling
brengen in het baksteenmuurwerk. Zij
vormen een inheems motief dat gangbaar
was vanaf de vijftiende tot en met de zeventiende
eeuw. Daarna komt men dit motief
weer veel tegen in de negentiendeeeuwse
architectuur met burgelijke of sacrale
bestemming.
In de synagogebouwkunst van de negentiende
eeuw vindt men naast het gebruik
van klassicistische motieven veelal een
voorkeur voor oriëntaliserende bouwstijlen.
De synagoge in Groningen aan de Folkingestraat,
gebouwd in de jaren 1905-
1906 naar een ontwerp van de Amsterdamse
architect Tj. Kuiper en de Groningse architect
IJ. van der Veen, is daarvan nog een
fraai, zij het laat voorbeeld. In de loop van
de negentiende eeuw ging men namelijk
deze oosterse bouwstijlen als minder geschikt
ervaren voor een synagoge. Men
realiseerde zich dat de cultuur der oude
Arabieren en Moren eigenlijk in geen relatie
stond tot het ‘moderne Jodendom’. Het
idee kwam op dat men in navolging van
het verleden een bouwstijl moest ‘hanteren’,
die meer in overeenstemming zou zijn
met het regionaal gangbare. Volgens de
auteur Ludwig Klasen, in diens standaardwerk
voor architecten Grundriss-Vorbilder
von Gebauden Jur kirchlicbe Zwecke uit
1889, was het een eis voor synagogebouw
dat de voorgevel het kerkelijke karakter
aangaf. Zo is het niet verwonderlijk dat
men teruggreep op regionele sacrale
bouwstijlen. De synagoge van Koch is daar
Vrouwengalerij, gewelf en
tussenwand voor de restauratie.
een voorbeeld van.
Het zal na dit alles duidelijk zijn dat de
Zwolse synagoge ondanks haar bescheiden
karakter, als een historisch monument
kan worden beschouwd. En niet alleen
vanuit architectuur-historisch oogpunt.
Ook en vooral is de synagoge een monument
van het joodse leven zoals dat in de
eerste helft van de twintigste eeuw nog
volop in Zwolle aanwezig was.
Het verval na de grote vernietiging
De Tweede Wereldoorlog werpt tot de dag
van vandaag zijn schaduwen na. Zo ongeschonden
als de synagoge – wonderlijk ge-
Westzijde van de grote synagogezaal
met vrouwengalerij
na de restauratie.
1990 97
Interieur van de bij- of wintersynagoge
voor de restau-
Wintersynagoge of bijsjoel
na de restauratie met heilige
ark uit de oude synagoge in
de Librije en met banken afkomstig
uit de vrouwengalerij.
noeg – door de oorlog en de bezetting is
heengekomen, zo beschadigd en gedecimeerd
was de joodse gemeente van Zwolle
na afloop van de grote vernietiging. Een
monumentaal gebouw met een bijna onaangetast
interieur stond in 1945 klaar voor
een kleine gemeenschap van teruggekeerden.
Om het gebouw in de nieuwe omstandigheden
te kunnen blijven gebruiken
werd het schip van de synagoge verkleind.
Achterin werd een wand opgetrokken,
waardoor onder de vrouwengalerij een
ruimte voor gemeenschapsaktiviteiten ontstond.
Ook werd er om de stookkosten te
drukken een verlaagd plafond aangebracht
in de grote synagogezaal die overbleef.
Daardoor werden het gewelf en het balkon
definitief aan het oog onttrokken. Aldus
verbouwd heeft de joodse gemeente veertig
jaar lang gedaan wat zij kon om de
synagoge in stand te houden. Maar al deze
inspanningen konden niet verhelpen dat
het verval langzaam maar zeker voortschreed.
Aan het eind van de jaren 70 ging
de instandhouding van de synagoge de
draagkracht van de joodse gemeente te boven.
Er werd aan gedacht het gebouw te
verkopen. Besprekingen met kandidaat kopers
liepen echter op niets uit. In het begin
van de jaren ’80 ontstond het idee dat het
gebouw behouden zou moeten blijven en
op verzoek van het bestuur van de Joodse
Gemeente werd de synagoge voorlopig op
de monumentenlijst geplaatst. De gemeente
kende enige subsidie toe voor noodzakelijke
herstelwerkzaamheden aan het dak
en aan de ramen, maar het was duidelijk
dat er veel meer moest gebeuren wilde
men het gebouw van de definitieve onder-
1990 98
gang redden. In die toestand trof ik de
synagoge aan toen ik in september 1983 er
mijn eerste bezoek aan bracht.
Een begin van herstel
De sjabbatochtend in september 1983,
waarop ik voor het eerst een bezoek bracht
aan de Zwolse synagoge, herinner ik mij
als de dag van gisteren. Een paar minuten
voor negenen, het aanvangstijdstip van de
ochtenddienst, wandelde ik in de zonnige
binnenstad van Zwolle de Schoutenstraat
binnen. Op het bordes voor de synagoge
stond een in het zwart geklede heer mij
aandachtig op te nemen. Naderbij gekomen
stelde ik mij voor in de veronderstelling
onmiddellijk naar binnen te zullen
gaan teneinde de aanvang van de dienst
niet te hoeven missen. Dat pakte echter anders
uit.
De man in het zwarte pak en met de zwarte
hoed op zijn hoofd bleek de heer
J. Moed te zijn, de voorzitter van de Joodse
Gemeente Zwolle, en op dat moment was
hij de eerste en enige aanwezige. Dit onverwachte
begin van mijn kennismaking
met de Joodse Gemeente van Zwolle bleek
al snel een groot voordeel op te leveren.
Aangezien er nog negen volwassen joodse
mannen moesten komen voordat de dienst
kon beginnen, was er alle gelegenheid een
praatje te maken. Ik vernam over de problemen
waarmee de Joodse Gemeente te
kampen had: het geringe aantal leden, de
grote synagoge die in vervallen staat verkeerde,
de vergrijzing van het ledenbestand,
het gebrek aan financiële middelen.
Gaande weg kwamen er meer heren opdagen
en na ongeveer een kwartier kon de
dienst beginnen: een handjevol voor mij
vreemde mannen in een enorme synagoge…
en toch voelde ik mij er thuis!
In de dagen en weken daarna begon het
gepieker. Het was toch een bijzonder gebouw?
Was het niet het enige monument in
de Zwolse binnenstad, dat nog aan het
Jodendom herinnerde? Het Jodendom was
toch al eeuwenlang een wezenlijk bestanddeel
van onze cultuur en onze samenleving?
Waren er niet honderden joodse
Zwollenaren in de kampen omgekomen?
En niets zou aan hen herinneren als de
synagoge verviel en verdween? Werden er
niet overal in het land synagogen gerestaureerd?
Was Groningen in die dagen niet hèt
voorbeeld van hoe een synagoge bewaard
kon blijven door de inspanningen van een
aantal geestdriftige burgers? In Zwolle
moest toch iets dergelijks mogelijk zijn?
Een maand later was er weer een dienst.
Het was inmiddels herfst en in plaats van
de grote synagoge werd nu de bijsynagoge
of wintersynagoge gebruikt: een kleine,
knusse ruimte met houten stoelen en tafels
in plaats van statige banken. Na afloop van
de dienst sprak ik weer met de heer Moed.
Elk initiatief om tot restauratie van de synagoge
te komen zou hij toejuichen, maar de
Joodse Gemeente zelf kon het initiatief niet
nemen, was hij van mening. Te gedecimeerd
om zelf financieel te kunnen bijdragen
zouden de Zwolse Joden het gevoel
hebben te moeten bedelen om het voortbestaan
van hun synagoge. Ik sprak af me
te oriënteren in Groningen. Hij wees me
op een mogelijke medestander, die ook al
eens over restauratie gesproken had: de
heer ds. J.G.K. Littooij, gereformeerd predikant
voor Kerk en Israël in Zwolle.
Er volgden een paar verwarrende maanden.
De architect die de Groningse synagoge
gerestaureerd had, bracht op mijn verzoek
een bezoek aan de Zwolse synagoge.
Het kontakt met Littooij verliep gunstig.
Moed nodigde een joodse architekt uit
Amsterdam uit om de synagoge te bekijken.
De gesprekken met het bestuur van
de Joodse Gemeente breidden zich uit. Ik
maakte kennis met de heren H.I. Kan en
D. Stibbe, respectievelijk secretaris en penningmeester.
Er bleken inmiddels al vergaande
kontakten te bestaan met het Zwolse
architectenbureau Verlaan en Nijhof
vanwege de herstelwerkzaamheden aan de
ramen. Het gebouw was reeds in tekening
gebracht. We vonden dat de kring moest
worden uitgebreid. Notaris JJ. Sissing werd
door Littooij en mij benaderd om zich als
juridisch deskundige bij ons aan te sluiten.
Op initiatief van Stibbe werd ook de registeraccountant
de heer C. van Utteren als
financieel specialist bij het gezelschap betrokken.
Langzaam maar zeker begonnen
alle besprekingen in akties uit te lopen.
De restauratie gaat van start
In de loop van 1984 volgden de gebeurtenissen
elkaar regelmatig op. In februari van
dat jaar werd er op initiatief van de Joodse
Gemeente door het architectenbureau Verlaan
en Nijhof een restauratieplan opgesteld.
In de maanden daarna ging de Rijksdienst
voor de Monumentenzorg gedeeltelijk
met dat plan akkoord en kon de restau-
1990 99
ratie van start gaan met werkzaamheden
aan het dak, de ramen, de muren en de
funderingen. Er volgden ingewikkelde
financiële verwikkelingen tussen de Joodse
Gemeente, het architektenbureau, de gemeente
Zwolle, de provincie en Monumentenzorg.
Met uitzondering van Van Utteren
kon niemand er al gauw meer een touw
aan vastknopen. In het najaar werden er
plannen gesmeed om tot de oprichting van
verschillende stichtingen te komen. Ook
werd er steeds vaker gesproken over een
tweede fase van de restauratie. In november
werd door het architektenbureau inderdaad
een raming van de kosten voor de
tweede fase voor de restauratie van de
synagoge opgesteld.
Op 23 januari 1985 werd de Stichting
Voortbestaan Synagoge Zwolle opgericht
met als doel: “het nemen van initiatieven,
alsmede het verlenen van financiële steun
ten behoeve van het behoud en het beheer,
van de synagoge te Zwolle en eventuele
andere joodse monumenten in Zwolle en
omgeving”. In de maanden en jaren die
volgden, werd er enorm veel werk verzet
door de leden van het bestuur. Met name
de heren Kan, Littooij, Stibbe en Van
Utteren verrichtten buitengewone inspanningen.
Er werd een Comité van Aanbeveling
gevormd, een brochure samengesteld,
een geldinzamelingsaktie gehouden, een
bouwcommissie in het leven geroepen. Er
werden kontakten onderhouden met gemeente,
provincie en Rijksmonumentenzorg.
Fondsen, bedrijven en kerken werden
benaderd voor bijdragen. Een veiling
van kunstwerken van Zwolse kunstenaars
in de raadzaal van het gemeentehuis van
Zwolle bracht ca. ƒ 13-000,- op voor de restauratie.
Een benefiet-avond in Schouwburg
Odeon gaf een opbrengst van ca.
ƒ 15.000,-. Op 18 april 1985 vond de onthulling
plaats door de Israëlische ambassadeur
de heer M. Ofer van het monument
op het bordes voor de synagoge ter nagedachtenis
aan de in de Tweede Wereldoorlog
omgekomen Zwolse Joden. In de loop
van 1986 ging inderdaad.de tweede fase
van de restauratie van start met werkzaamheden