
• s’i
Het gemeenteandip
8E JAARGANG 1991 NUMMER 3
Redactioneel
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Broerenkerkplein op
wasdag; ca 1930. Foto
A. Meulenbelt. Wat is uw voorstelling van een archief?
Een verzameling door de tand des tijds
aangevreten papier? Een donker gebouw
met mannen in stofjassen die zich buigen
over mysterieuze handschriften? Of denkt u bij het
woord ‘archief aan een modern toegerust historisch
beheers- en informatiecentrum?
Dit themanummer van het Zwols Historisch
Tijdschrift geeft u een beeld van het gemeentearchief
van Zwolle dat èn op eigentijdse wijze wettelijk
vastgestelde taken uitvoert èn als schatkamer
fungeert voor avontuurlijke gravers naar uiteenlopende
aspecten van het stedelijk verleden.
In het openingsartikel legt J. Hagedoorn een
relatie tussen de aard en omvang van de bewaard
gebleven archiefbescheiden en de historische ontwikkeling
van de stad Zwolle. Gemeentearchivaris
F.C. Berkenvelder schetst een geschiedenis van
het Zwolse archief, waarbij markante figuren de
revue passeren en de verandering van een soms
wat verwaarloosd werkterrein naar een moderne
dienstverlenende instelling zichtbaar wordt.
Vervolgens nemen we u mee op een rondgang
door het gemeentearchief. Diverse medewerkers
van het archief informeren u over de activiteiten
die in en buiten het gebouw plaatsvinden
om historisch bronnenmateriaal te verwerven,
te beheren en te ontsluiten. Het meest
bekend is waarschijnlijk de studiezaal, waarvan
J.L. Admiraal een beeld geeft. C.J.G.M. Sonneville
schrijft over het bijzondere bibliotheekbezit
van het archief. De beelddocumentatie valt onder
de verantwoordelijkheid van H.J.H. Knoester.
Hij leverde niet alleen een bijdrage over ‘zijn’ atlas,
maar tevens het fotomateriaal voor dit themanummer.
De afbeeldingen zijn niet bedoeld
als illustratie bij de inhoud van de artikelen, maar
als een afspiegeling van de diversiteit van de collectie
van het gemeentearchief. Op deze wijze
‘vertelt’ de fotoserie een eigen verhaal.
Dat de ontwikkeling van de audio-visuele
media nog in de kinderschoenen staat, wordt
door J.J. Seekles beschreven. Acquisitie (het verwerven)
van archiefmateriaal en de inspectie van
materiaal en beheer zijn gewoonlijk aan het oog
van de studiezaalbezoeker onttrokken; W.A.
Huijsmans en J.J. Seekles werpen licht op deze
werkzaamheden. De meeste bezoekers kennen
wel het resultaat van de micro-verfilming van archiefbescheiden,
namelijk de microfiches in de
studiezaal. J.J. Seekles gaat nader in op de achtergronden
van de micro-verfilming. Wellicht hebben
sommigen wel eens een boekband of historische
kaart in handen gehad, die de restauratie-afdeling
had verlaten. A.G.M. Heijmerikx laat zien
dat de werkzaamheden van de restaurator naast
vakkennis veel inventiviteit en speurzin vereisen.
Tot slot is een bijdrage opgenomen van H.A.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 73
Inhoudsopgave
Stalknecht. Hij heeft een historische studie verricht
naar de plaatselijke krant, een veel geraadpleegde
bron in het gemeentearchief. Hij beschrijft
hoe een dergelijk onderzoek in z’n werk
kan gaan.
Financiële beperkingen belemmerden ons om
nog meer voorbeelden op te nemen van onderzoek
dat gebaseerd is op Zwolse archieven. In
volgende nummers van dit tijdschrift zullen dergelijke
artikelen te lezen zijn, zodat u kunt zien
dat de vragen van de onderzoekers net zo gevarieerd
en verrassend kunnen zijn als het bronnenmateriaal
en de persoonlijke aanpak van de
onderzoeker.
Aanleiding voor het samenstellen van dit themanummer
is het feit dat dit jaar de Vereniging
van Archivarissen in Nederland (VAN) honderd
jaar bestaat. Ter gelegenheid hiervan wordt op 12
oktober 1991 de Open Archieven Dag gehouden,
een manifestatie waaraan ook het Zwolse gemeentearchief
medewerking verleent.
Dit themanummer is tot stand gekomen door
goede samenwerking tussen de themaredactie en
de medewerkers van het gemeentearchief. De samenwerking
bij gelegenheid van de VAN-festiviteiten
maakte het mogelijk om voor de produktie
van dit nummer dankbaar gebruik te maken van
een financiële tegemoetkoming van de gemeente
Zwolle.
Wij wensen u veel leesplezier. Wellicht mag
het gemeentearchief u binnenkort verwelkomen
als geïnspireerd en actief historisch onderzoeker
of als geïnteresseerde bezoeker.
De themaredactie: Jan ten Hove,
Wim Huijsmans, Anneke van der Wurff
Papier en werkelijkheid; archief en geschiedenis J. Hagedoorn 74
Geschiedenis van het gemeentearchief van Zwolle F.C. Berkenvelder 87
Studiezaal J.L. Admiraal
Bibliotheekcollectie C.J.G.M. Sonneville
Beelddocumentatie H.J.H. Knoester
Audio-visuele media JJ. Seekles
Micro-verfilming J.J. Seekles
Acquisitie en inventarisatie W.A. Huijsmans
Gemeentelijke archiefinspectie J.J. Seekles
Restauratie A.G.M. Heijmerikx
De krant van gisteren H.A. Stalknecht
Personalia
101
103
105
108
110
111
113
115
118
120
74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Papier en werkelijkheid; archief en
geschiedenis
J. Hagedoorn
Markt op het Gasthuisplein;
ca 1900.
Foto C.J.J. Schaepman.
De geschiedenis van een stad, streek of
land hangt ten nauwste samen met het
overgeleverde bronnenmateriaal. Met
geschiedenis wordt hier dan bedoeld de kennis
van het verleden, of de reconstructie die wij op
basis van de ons overgeleverde bronnen van dat
verleden kunnen maken. Daarin is onmiddellijk
de beperking van de geschiedbeoefening besloten:
wij kunnen slechts streven naar een zo nauwkeurig
mogelijke benadering van de historische
werkelijkheid, van dat wat geschied is. Niet alleen
speelt onze interpretatie daarbij een belangrijke
rol, maar ook de beschikbaarheid van bronnenmateriaal
bepaalt het beeld. En waar niets is overgeleverd,
vervaagt ons beeld van het verleden.
Anderzijds heeft het verloop van de geschiedenis
ook het bronnenmateriaal gevormd. Immers,
om welke reden dan ook is dit materiaal
eens gecreëerd en is het in de loop der eeuwen
overgeleverd. Ook hier geldt: waar bepaalde gebeurtenissen
hebben plaatsgevonden, kunnen zij
hun sporen in de bronnen hebben nagelaten. De
historische realiteit heeft dus bepaald welke
bronnen werden vervaardigd en hoe zij werden
gevormd.
In deze bijdrage zullen wij onderzoeken hoe
de geschiedenis van de stad Zwolle en een bepaalde
soort van bronnen, namelijk het archiefmateriaal,
samenhangen. Na een korte definiëring van
het begrip ‘archief, wordt een schets van de
Zwolse geschiedenis gegeven, waarbij de nadruk
ligt op het archiefmateriaal. We zullen ons hierbij
beperken tot archivalia in het Zwolse gemeentearchief
en tot de geschiedenis van voor 1940.
Het archief
Het historisch bronnenmateriaal is zeer divers
samengesteld. Gedacht kan worden aan stoffelijke
bronnen, al dan niet aan ons overgeleverd via
de archeologie, en meestal te zien in musea. Het
gaat hier om bijvoorbeeld kunst- of gebruiksvoorwerpen,
gebouwen en kledingstukken. In
deze bijdrage wordt echter gesproken van de geschreven
bronnen, en dan nog alleen van de nietverhalende;
dus niet gedichten, boeken, pamfletten
of andere documenten die geschreven zijn
om te vermaken, voor te lichten ofte overtuigen.
Het zal hier alleen gaan om archivalia, ook wel
archieven genoemd, niet te verwarren met de instanties
die het materiaal beheren, dan wel de gebouwen
waar ze bewaard worden. Een archief is
volgens de archiefwetenschap het geheel van bescheiden,
die ontvangen of opgemaakt zijn door
een instelling, een persoon of een groep personen,
als gevolg van de taken en werkzaamheden
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
die zij verrichten, en die bestemd zijn een kortere
of langere tijd te worden bewaard.’
Hiermee wordt onmiddellijk de bovengenoemde
beperking duidelijk. Archief werd alleen
gevormd als men daarbij belang had. Zo zal men
het belangrijker hebben gevonden stukken te bewaren
die iets konden bewijzen, dan stukken die
puur van informatieve aard waren. Een jaarrekening
of een gerechtelijke uitspraak zal dus eerder
bewaard zijn dan een verjaardagsbrief of een aantekening
over het klimaat. Een archief krijgt dus
min of meer toevallig de vorm waarin het wordt
overgeleverd. Het is dan ook niet een complete
overlevering van het eens beschikbare materiaal.
Bovendien ging men lang niet altijd zo zorgvuldig
met het archiefmateriaal om als tegenwoordig
wordt gedaan. Zo is bij een grote opruiming van
het archief van Zwolle (toen nog in het stadhuis
gevestigd) in 1859 vermoedelijk ook archiefmateriaal
verdwenen.2 Voor alle duidelijkheid zij hier
nog opgemerkt dat in deze bijdrage niet alleen de
archieven van de gemeente Zwolle centraal zullen
staan, maar ook de archieven van andere instellingen
of personen die in de depots van het gemeentearchief
worden bewaard.
De middeleeuwen: Zwolle tot 1528
De oudste stukken waarin van Zwolle melding
wordt gemaakt bevinden zich niet in het archief
van Zwolle, maar in archieven van de overheid
waarvan Zwolle voor 1230 afhankelijk was, namelijk
de kerk van Deventer. Deze akten, vijf in getal,
stammen alle uit de jaren voor 1230. De oudste
vermelding van de naam Zwolle vinden we in
een akte, gedateerd 1040, waarin de bisschop van
Utrecht, die landsheer van Overijssel was, de
Zwolse Michaélskerk schenkt aan het kapittel van
Deventer.3 Hiermee zijn ook de verhoudingen
geschetst waarmee de inwoners van dit middeleeuwse
Zwolle te maken hadden. De handelsnederzetting
Zwolle, gunstig gesitueerd tussen IJssel
en Vecht en aan de handelswegen tussen west en
oost en noord en zuid, lag in het gebied van de
bisschop van Utrecht, die er de kerkelijke en wereldlijke
autoriteit had. De schenking in 1040 had
tot gevolg, dat de Deventer kerk en haar geestelijkheid
een stevige vinger in de Zwolse pap kregen.
Het duurde tot het eind van de zestiende
eeuw voordat Zwolle zich geheel aan die bevoogding
kon onttrekken.4
Het was dan ook in Deventer dat de Zwollenaren
in 1230 het stadsrecht verkregen uit handen
van! bisschop Willebrand, als dank voor hun
steun in de strijd tegen de Drenten in 1227. Deze
verzelfstandiging betekende dat de stad zich met
eenimuur mocht omringen, dat de inwoners van
de nederzetting aan de Grote A het burgerrecht
konden verkrijgen en dat zij eigen bestuur en
rechtspraak verkregen binnen de stadsvrijheid.
De verlening van dit stadsrecht betekende ook
het begin van het stadsarchief. De bestuurders
van de stad Zwolle hadden er immers alle belang
bij de hun verleende rechten te kunnen bewijzen,
zodat zij de tekst ervan goed bewaarden. Toch is
deze oorspronkelijke oorkonde niet bewaard gebleven.
Een brand in 1324, waarbij nog geen tien
huizen in de stad gespaard bleven, heeft mogelijk
ook het oudste archief van Zwolle verbrand.
Het zijn dan ook latere afschriften van de pri-
Grote Markt en Melkmarkt.
Links de Harmonie,
rechts op nr.ii
hotel het ‘Heerenlogement’
(later hotel
Dijkstra en thans restaurant
La Meridiana);
aug.1893. Coll.
Wispelweij.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
vileges van de stad die ons overgeleverd zijn. Het
privilegeboek bevat afschriften van akten uit de
jaren tussen 924 en 1570 en begint met een oorkonde
uit 1490, waarin wordt bepaald dat burgers
in wereldlijke zaken niet voor de geestelijk rechter
kunnen worden gedaagd. Maar ook regelingen
omtrent tolheffingen, de jaarmarkten, het
dijkrecht, overeenkomsten tussen Zwolle, Deventer
en Kampen, Hanzeprivileges en de muntslag
zijn erin opgenomen.5
Een gevolg van de verlening van het stadsrecht
was, zoals vermeld, het verkrijgen van het
recht op eigen bestuur en rechtspraak (tot op zekere
hoogte). Van belang was dus dat de heren
magistraten, verzameld in de colleges van raad en
meente en van schepenen en raden, hun eigen
besluiten bij gingen houden.6 In deze resoluties
zijn eigenlijk alleen maar besluiten te vinden, zoals
de naam al zegt. Wie zoekt naar de motieven
achter de besluiten, zoekt vaak tevergeefs, of
moet ze tussen de regels kunnen lezen. Veel van
het politieke spel van die tijd blijft dus voor ons
verborgen. Hoewel de functionele organisatie
van het stadsbestuur in de loop der eeuwen kleine
wijzigingen onderging, heeft deze wijze van besturen
feitelijk bestaan tot de stichting van het
Koninkrijk der Nederlanden in 1813 en tot dat
moment hebben de bestuurders op vrij uniforme
wijze hun besluiten opgetekend. De taken van de
magistraten waren legio en daartoe hadden zij de
werkzaamheden verdeeld. Zo waren er bijvoorbeeld
schepenen die zich bij toerbeurt met de
bouwwerkzaamheden bezighielden en anderen
met het keuren van goederen, graan of wijn. Verreweg
de belangrijkste taken waren echter die van
de financiën en rechtspraak.
Vele stukken in het archief van de stad Zwolle
hebben betrekking op financiën, van de overheid
of particulieren. Het aantal van de ongeveer 7000
nummers in de inventaris van het oude stadsarchief
(dat tot 1813 loopt) dat betrekking heeft op
belastingen of stadsfinanciën, bedraagt meer dan
4000. Met name de jaarrekeningen en maandrekeningen
van de stad, waarin keurig de uitgaven
en inkomsten opgetekend staan, vormen een
vrijwel ononderbroken reeks van het eind van de
veertiende tot het eind van de achttiende eeuw.
Zo werd bijvoorbeeld nauwkeurig opgetekend
welke reizen de leden van de magistraat maakten
ten behoeve van de stad, hoeveel men tijdens de
vergaderingen verteerde, welke boetes men oplegde,
welk bezit de stad had aan roerende goederen,
hoeveel bouwstenen men aanschafte en wat
de opbrengsten waren van de tollen.7 Daarnaast
zijn er onder andere balanzen, kwitanties, overzichten
van de kosten van oorlog en van de inkomsten
uit accijnzen.
Maar niet alleen deze boekhouding van de
stad verschaft belangrijke informatie over Zwolle
en zijn inwoners. Uit stukken in de familiearchieven
krijgen we op een meer persoonlijk niveau
inzicht in de wijze waarop onze voorouders
leefden in het laat-middeleeuwse Zwolle, alhoewel
er maar weinig stukken zijn die de periode
voor 1528 bestrijken.
Meer van dit soort gegevens zijn te vinden in
de rechterlijke archieven van de stad en de archieven
van kerkelijke instellingen, van armenen
gasthuizen, marke-archieven en waterschapsarchieven.
De rechterlijke archieven, waarvan de
oudste stukken uit het eind van de vijftiende eeuw
stammen, bestaan uit registers van de zogenoemde
vrijwillige en van de contentieuze rechtspraak.
In de eerste vinden we zaken als schuldbekentenissen,
volmachten, borgstellingen, testamenten,
overdrachten van bezit, huwelijksvoorwaarden en
voogdijregelingen. Bij de contentieuze rechtspraak
ging het om gedingen en criminele rechtspraak.
Eerder werden deze rechtshandelingen
opgetekend in de resolutieboeken. Zo bevat “Dat
boeck mit de starre” naast resoluties van schepenen
en raden ook optekening van vrijwillige en
contentieuze zaken uit de jaren na 1383.8 En in de
maandrekeningen vinden we (achterstallige)
boetes, bijvoorbeeld van “Hessel de drager van
Averlippe die Haghedoren bij nachte wonde” in
ZWOLS H I S T O R I S C H T I J D S C H R I F T 77
!399-9 Verwonderlijk is deze ‘vermenging’ van
uitvoerende en rechtsprekende macht niet: de
schepenen waren niet alleen bestuurders, maar
spraken ook recht en fungeerden als notaris.10
Ook in de niet-overheidsarchieven vinden we
stukken van gerechtelijke aard. Het gaat hierbij
dan meestal om charters, waarin de overdracht
van goederen is geregeld. Zo is de kopie-akte van
de verkoop op 5 juli 1384 van het eerste huis van
de broeders des gemenen levens in Zwolle te vinden
in het archief van het Rijke Fraterhuis, dat
tussen de Praubstraat en de Papenstraat stond.
Uiteraard hadden deze instellingen belang bij het
bewaren van deze akten: ze dienden als bewijs.
Het is dan ook niet verwonderlijk, dat ons in dergelijke
archieven veel van deze charters zijn overgeleverd.
Het gaat hier immers steeds om instellingen
die nog bestaan, of die opgegaan zijn in
nog bestaande instellingen. Ook voor privé-personen
werden dergelijke overdrachten vastgelegd
in charters, maar het is niet duidelijk of het bewaarde
een groot of een klein deel van de oorspronkelijke
hoeveelheid uitmaakte.11
Opvallend is dat de oudste stukken uit deze
niet-overheidsarchieven meest uit de veertiende
eeuw stammen. Het laatste kwart van de veertiende
en de eerste helft van de vijftiende eeuw
vormen een periode in de Zwolse geschiedenis
die wel de Gouden Tijd is genoemd.12 De stad
ontworstelde zich aan de afhankelijkheid van de
moederstad Deventer. De drie grote Overijsselse
steden versterkten hun positie ten opzichte van
de landsheer door onderlinge verdragen, die we
weer in de privilegeboeken terugvinden. De vergaderingen
van de steden, de Overijsselse edellieden
en de bisschop zouden in de zestiende eeuw
uitgroeien tot de Overijsselse Staten, die na 1580
het bestuur van het gewest op zich namen.
Zwolle profiteerde van de toenemende zelfstandigheid,
met name op economisch gebied.
Daardoor groeide de stad snel qua inwonertal tot
zo’n 3200 in 1400 en qua oppervlakte tot de omvang
van het huidige stadshart. De Zwolse economie
was gefundeerd op de doorvoerhandel en het
huidige Rodetorenplein was eeuwenlang het handelscentrum
van de stad aan het Zwartewater.
Zwolle meldde zich in 1294 aan als lid, maar werd
pas in 1407 toegelaten tot de Hanze, het verbond
van Noordeuropese handelssteden.13 Aparte registers
in de Zwolse archieven bevatten dan ook
de besluiten van de Hanzerecessen vanaf 1416.’4
De nauwe contacten met in het bijzonder het
Duitse achterland worden ook duidelijk uit de
hoeveelheid brieven afkomstig van Duitse steden.
Al van het eind van de veertiende en het begin
van de vijftiende eeuw dateren brieven uit Breinen,
Emmerich, Hamburg, Keulen en andere
steden.15
Door deze contacten werd Zwolle een schakel
in de laatmiddeleeuwse economische orde van
Noordwest-Europa en de stad profiteerde er
ruimschoots van. De oudste gebouwen in de stad
– zoals het stadhuis, de Bethlehemkerk, de Broerenkerk
en de Grote Kerk – dateren alle uit deze
jaren van bloei. Die welvaart had ook tot gevolg,
dat er meer aandacht kwam voor het welzijn van
de Zwollenaar. Al sinds de veertiende eeuw bestonden
het Binnen- en het Buitengasthuis, instellingen
gesticht door het stadsbestuur, die zich
Gasfabriek aan het Assiesplein;
ca 1955. Foto
A. Meulenbelt.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Turfschepen, gelegen
aan de Pannekoekendijk;
ca 1925. Coll.
Steenbergen.
het lot van reizigers, armen en bejaarden aantrokken
door ze onderdak te bieden.16 Deze instellingen
hadden inkomsten uit bezittingen in de
vorm van huizen of landerijen. De gasthuizen bestaan
nog steeds en hun archieven geven ons informatie
over (bijna) zeven eeuwen zorg voor de
zwakkeren in de samenleving.17
In de loop van de vijftiende eeuw zouden nog
meer instellingen van weldadigheid worden gesticht,
meestal (bij testament) door rijkere inwoners
van de stad die op deze wijze aan de christelijke
plicht tot naastenliefde wilden voldoen. Ze
boden veelal onderdak aan enkele armen, zieken
of ouderen, zoals het Pestengasthuis (1458), het
St.-Laurensgasthuis (1444) en de Witvoetshuizen
(1477). Ook kerkelijke broederschappen van geestelijken
of leken legden zich toe op verzorging
van de armen. Hiervan waren er in Zwolle zo’n
twintig. Uit deze broederschappen zouden ook
de gilden ontstaan, verenigingen van ambachtslieden,
waarvan er in Zwolle zo’n tien hebben bestaan.
Slechts enkele van deze organisaties hebben
eigen archieven nagelaten, meest vanaf het
midden van de zeventiende eeuw.18
In deze tijd van grote economische bloei werd
de behoefte gevoeld aan een nieuwe religieuze inspiratie.
De Deventenaar Geert Grote (1340-1384)
werd de inspirator van deze beweging, de Moderne
Devotie. Zwolle werd er één van de centra
van. De Moderne Devotie streefde naar een eenvoudig,
praktisch leven in navolging van Christus.
Het best zijn deze idealen verwoord door
Thomas a Kempis (1379-1471), die in het klooster
op de Agnietenberg bij Zwolle leefde. Ook in de
stad had de beweging haar vestiging, onder andere
in het Arme en Rijke Fraterhuis. De fraters, of
broeders des gemenen levens, voorzagen in hun
onderhoud door het afschrijven van boeken. Bovendien
boden zij onderdak aan leerlingen van
de destijds wereldberoemde Zwolse stadsschool.
Te Windesheim werd in 1387 het eerste klooster
van de Moderne Devotie gesticht. Afgezien van
de kloosters buiten de stad zijn van de vestigingen
van de Moderne Devoten in en om Zwolle
archieven bewaard gebleven, waaruit wij kunnen
leren hoe het dagelijks leven er verliep, wat men
at, waaraan men zijn tijd besteedde en welke bezittingen
de kloosters of huizen hadden. Juist uit
deze bronnen valt af te leiden hoe de middeleeuwse
Zwollenaren leefden en dachten.19
De nieuwe tijd: 1528-1795
Tegelijk met het verbleken van Zwolle’s bloei aan
het eind van de vijftiende eeuw — de stad profiteerde
steeds minder van haar positie als Hanzestad
– taande ook de macht van de Overijsselse
landsheer, de bisschop van Utrecht. De drie IJsselsteden
hadden hun macht weten te vergroten,
doordat zij toestemming moesten geven voor belastinginning
door de bisschop. De onderlinge
contacten tussen de drie steden kunnen onder
andere worden afgelezen uit de zes pakken brieven
van Kampen en Deventer uit de periode
1476-1807.20 De macht van de bisschop werd ook
beknot door de oorlogen die de Gelderse hertog
Karel voerde om zijn territorium uit te breiden.
Hij slaagde er tussen 1521 en 1527 in Groningen en
Drenthe te onderwerpen en grote delen van het
Sticht onder zijn gezag te stellen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
Om uit de klauwen te blijven van de hertog en
zijn plunderende troepen onderwierpen de staten
en de steden van Overijssel zich aan de machtige
Karel V. In “Dat boeck geteikent met een sterre”
vinden we dan ook de overeenkomst waarbij
Overijssel Karel als landsheer erkent en die waarbij
de provincie en de stad Zwolle Georg Schenck
als diens stadhouder erkennen.21 Niet alleen werden
Zwolle en Overijssel nu deel van een veel grotere
staat, zodat hun invloed op de landsheer veel
kleiner werd. Zij werden ook betrokken bij de
machtspolitiek van Karel V, die Duits keizer,
Spaans koning, Habsburgs aartshertog en heer
van de Nederlanden was.
De zestiende eeuw was er voor Zwolle één van
vele crises. De economische positie van de stad
verzwakte. De handel over zee ging de handel
over land vervangen. Daarnaast was er in Europa
toenemende onvrede over kerkelijke misstanden.
In vroeger eeuwen bleef de onvrede altijd beperkt
tot binnen-kerkelijke bewegingen, zoals de Moderne
Devotie. Nadat Luther zijn 95 stellingen
had aangeslagen werd hij in 1521 uit de kerk gestoten
en na hem traden ook anderen uit de kerk.
Ook te Zwolle kregen zij later hun aanhangers,
getuige de archieven van de doopsgezinde, hervormde
en lutherse gemeenten.22
Niet alleen deze groeiende religieuze tegenstelling,
maar vooral ook de politieke ontwikkelingen
vanaf het midden van de zestiende eeuw –
de landsheren drongen de Nederlandse gewesten
wetten en verordeningen op die tornden aan de
onafhankelijkheid die zij voordien hadden bezeten
— zorgden ervoor dat Overijssel en dus ook
Zwolle betrokken raakten bij de Nederlandse Opstand
tegen de landsheer, i.c. Philips II, de zoon
van Karel V. In Overijssel waren tot 1566 niet die
spanningen aanwezig geweest die elders tot de
Beeldenstorm of opstand leidden. De Overijsselse
Staten namen een afwachtende houding aan,
maar het gewest werd door de door Philips gestuurde
landvoogd Alva beloond met dezelfde
harde maatregelen die hij elders toepaste. Zo
kreeg Zwolle een garnizoen ingekwartierd. Onderhandelingen
met Alva in 1573 liepen op niets
uit.23 Overijssel gleed door de inkwartiering van
soldaten en de hoge kosten daarvan steeds meer
af in de richting van de opstandige gewesten. In
1578 ging Zwolle ‘om’ en koos de kant van de opstandigen.
Dit had onder andere tot gevolg dat de
aanhangers van de hervormde, of zoals dat toen
heette gereformeerde, religie langzamerhand de
politieke overhand kregen. Niet alleen beginnen
de archieven van de hervormde gemeente in 1581,
de meeste van de katholieke kloosters, broederschappen
en kerken eindigen aan het eind van de
zestiende eeuw.24
Het archiefmateriaal vanaf 1600 wijkt naar soort
en inhoud niet belangrijk af van het materiaal ervoor.
Derhalve wordt in het onderstaande de
Zwolse geschiedenis kort geschetst, waarbij het archiefmateriaal
summier ter sprake komt. Zwolle
had in de zeventiende en achttiende eeuw, zeker
na de Vrede van Munster in 1648, een belangrijke
centrumfunctie voor het omliggende platteland.
De stad was enerzijds marktplaats voor agrarische
produkten, anderzijds konden de bewoners van
Winkelinterieur van de
NV v/h H.}. Baarslag,
winkel in koloniale
waren aan de Melkmarkt
29-31; 1914.
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
het platteland in de stad de nodige nijverheidsprodukten
kopen. Industrieel vervaardigde produkten
waren er nog nauwelijks, afgezien van
textiel. Belangrijk bleef de transito- of overslaghandel
tussen het westen van de Nederlanden en
Twente en Westfalen. De handel was met name
geconcentreerd rond de huidige Thorbeckegracht,
waar de meeste factoors woonden. Door
deze activiteiten kende Zwolle eind zeventiende
eeuw een zekere mate van welvaart. Ondanks de
grote pestepidemieën van 1636 en 1656 – waaraan
binnen enkele maanden soms duizenden Zwollenaren
ten offer vielen – had de stad rond 1670
zo’n 12.000 inwoners.
In 1672 was de Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden in oorlog geraakt met Engeland,
Frankrijk en de bisschoppen van Keulen en Munster.
De oostelijke provincies werden zonder al te
veel tegenstand onder de voet gelopen door Franse,
Munsterse en Keulse troepen. Ook Zwolle gaf
zich over en werd door deze troepen bezet. De
stad bleef na het vertrek van de vreemde troepen
in 1674 met forse schadeclaims en schulden zitten,
als gevolg van inkwartiering, knevelarij, vernielingen
en extra belastingen, zo valt onder andere
uit de zogenaamde Staten van Oorlog en de
maand- en jaarrekeningen af te lezen. Als straf
voor de snelle overgave trok de nieuwe stadhouder
Willem III bij regeringsreglement van 1675 de
benoeming van burgemeesters, schepenen en
provinciale staten aan zich.
Na zijn dood in 1702 werd het regeringsreglement
afgeschaft, zodat raad en gezworen gemeente
zelf de keuze van de stadsbestuurders bepaalden.
In sommige steden kwam het tot onenigheden
rond de benoeming van burgemeesters
en schepenen. In Zwolle gebeurde dat niet, maar
de gezworen gemeente eiste tussen 1703 en 1709
meer invloed. Opvallend was dat in het eerste
kwart van de eeuw vele nieuwe families vertegenwoordigd
raakten in de Zwolse magistraat.25
Hiervan getuigen ook stukken in de verschillende
familiearchieven. Deze archieven geven overigens
ook inzicht in allerlei andere aspecten van het leven
van de Zwolse elite, zoals haar rijkdom, belezenheid,
familiebanden en bezit.26
Hoewel in het westen van de Nederlanden het
economisch verval al eind zeventiende eeuw had
ingezet, was Zwolle nog redelijk welvarend. Door
de centrumfunctie van de stad was de lokale economie
minder gevoelig voor economische depressies.
De textielindustrie bloeide weliswaar
begin achttiende eeuw, maar zou in de loop van
de eeuw tanen. Daarnaast telde Zwolle een grote
variatie aan bedrijven, zoals een azijnmakerij,
een zijdefabriek, een lijmkokerij, zeepziederijen,
kousen-, knopen-, zout-, spelden- en papierfabrieken.
Van geen van deze fabrieken is specifiek
archiefmateriaal bewaard gebleven. Die nijverheid
zou in de loop van de eeuw de achteruitgang
van de textielindustrie delen. De Zwolse bevolking
groeide nauwelijks tussen 1680 en 1750,
doordat velen hun geluk elders gingen beproeven.
Er woonden zo’n 12.000 mensen in de stad,
waarvan 70% hervormden en 20% katholieken.
27
Deze informatie en getallen zijn vaak alleen
door moeizaam speurwerk of geduldig telwerk
uit de bronnen af te lezen. De vraag naar ambachtelijke
variatie of de hoeveelheid inwoners
interesseerde de burgerlijke overheid nauwelijks,
tenzij belasting geheven kon worden, zoals het
hoofdgeld, accijnzen of vuurstedengeld. In een
enkel geval hebben wij door omstandigheden wat
meer zicht op lonen en prijzen, zoals uit de jaren
1670 tot 1688, toen de magistraat een register betreffende
de aard en prijs van bouwmateriaal en
arbeidsloon bijhield. En in 1722 werden straatgedeelten
opgemeten in verband met de heffing
van reinigingsgelden.28
Wanneer er zich rampen voordeden zoals de
veepest (1714), strenge winters (1740-1741), of een
epidemie van de zogenaamde rode en grauwe
loop (1747), dan beïnvloedde dat de welvaart in
de stad zeer. De neergang in de economie in de
jaren veertig, gekoppeld aan deze rampen en het
ZWOLS H I S T O R I S C H T I J D S C H R I F T 8l
voor de Republiek slechte verloop van de Oostenrijkse
Successieoorlog leidden ertoe dat Willem
IV in 1747 tot erfstadhouder werd uitgeroepen
en de regeringsreglementen weer van kracht
werden. Alle verkiezingen moesten aan de prins
worden voorgelegd. De invloed van de stadhouder
werd hierdoor zeer groot, zoals bleek uit de
kwestie rond de Zwolse predikant Antonius van
der Os. Door raadsleden af te zetten kreeg regentes
Anna van Hannover, de weduwe van Willem
IV, het gedaan dat Van der Os – wiens denkbeelden
zij niet deelde – uit zijn ambt werd gezet.29
Eind achttiende eeuw, toen de Republiek
door economische en militaire dreigingen (van
Engelse zijde) ten onder leek te gaan, wist de laatste
Oranje-stadhouder, Willem V, geen leiding te
geven. Dit frustreerde hen die de economische
achteruitgang en het verval van de macht van de
Republiek wilden keren.30 Zij vonden in hun onvrede
aansluiting bij democratisch getinte stromingen
in het oosten van Nederland. Daartoe behoorden
mensen wier pogingen om tot de aristocratische
regentenelite door te dringen, stuitten
op het oligarchische karakter van die groep. Ook
zij zagen in Willem V een zondebok, omdat hij
door middel van de regeringsreglementen deze
oligarchie bevorderde. Dit conglomeraat van
groepen staat bekend als de patriotten en hun leider
bij uitstek werd de in Zwolle wonende Johan
Derk van der Capellen tot den Pol, beroemd geworden
door het pamflet Aan het volk van Nederland.
31
De tegenstellingen tussen de patriotten enerzijds
en de Oranjegezinden en regenten anderzijds
groeiden na 1780. Overal in den lande, ook
in Zwolle, werden vrijkorpsen en burgercommissies
in het leven geroepen om de gekoesterde
idealen met de wapens, respectievelijk het woord
te kunnen verdedigen. De roerigheid van deze
tijd vinden we uiteraard ook terug in de archiefstukken.
Zo is er onder andere een register van de
door de burgerij gewenste veranderingen van het
regeringsreglement uit de jaren 1785-1790 en een
verslag van een onderzoek naar een patriots blad
getiteld De Volksvriend.32 In januari 1787 hoorden
duizenden samengestroomde Zwollenaren op de
Grote Markt de afkondiging van de namen van
hun nieuwe burgemeesters en schepenen: het waren
alle zestien patriotten.33 Deze overwinning
was echter van korte duur: Willem V riep zijn
zwager, de Pruisische koning, te hulp om de oude
orde te herstellen. Op 23 september 1787 marcheerden
de Pruisen Zwolle binnen en vele patriotten
vluchtten naar Frankrijk. Willem V benoemde
hem welgezinde magistraten en de oude
Republiek zou nog tot 1795 bestaan.
De Franse tijd: 1795-1813
Na een mislukte inval in 1793, rukten Franse legers
in de zomer van 1794 de Nederlanden binnen
zonder noemenswaardige tegenstand. Op 29 januari
1795 bereikten zij Kampen. Toen dit bericht
Zwolle bereikte, richtten enkele voormalige patriotten
een Comité Revolutionaire op dat de
burgemeesters afzette en in hun plaats zestien
Provisionele Burgerrepresentanten benoemde.34
Deze lieten op hun beurt in mei 1795 verkiezingen
houden, zodat de Zwollenaren voor het eerst hun
Pannekoekendijk I
Beestenmarkt (huidige
Harm Smeengekade)
gezien vanaf de molen
op de Jufferen wal; ca
1885. Onder meer is de
nachtboot naar Amsterdam
te zien. Colt.
Waanders I.
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Harm Smeengekade
tijdens veemarkt met
de Eekwalmolen op de
achtergrond; juni 1895.
Coïl. Wispelweij.
eigen stadsbestuur direct verkozen. Op zich zou
het bestuur niet zo radicaal veranderen dat soort
en inhoud van het archiefmateriaal drastisch wijzigden.
Toch zijn er aan de hand van de archivalia
historische veranderingen of ontwikkelingen
te constateren.
Ook na 1795 bleven de Zwollenaren hun eigen
bestuurders kiezen. Verder moesten de ingezetenen
veelvuldig stemmen over in te voeren grondwetten
en andere zaken. Dit had tot gevolg dat de
animo om aan deze volksraadpleging deel te nemen
afnam, zo kunnen wij opmaken uit de bewaard
gebleven stemuitslagen.35 Zwolle ondervond
ook last van de Franse bevrijders: zij moesten
ondergebracht worden en van eten en kleding
voorzien worden. Het onderdak viel nog wel te
regelen, maar voedsel was een groter probleem.
De Fransen betaalden met zogenoemde assignaten:
papiergeld, dat niets waard bleek te zijn.36
Nog in 1830 was Zwolle niet af van de schulden
uit de Franse tijd.
Behalve de zojuist genoemde verkiezingen,
werd de gelijkheid van alle burgers tot principe
verheven. Dit betekende dat ook de joden – vanaf
1721 bestond er in Zwolle een snel groeiende
joodse gemeenschap – gelijkberechtigd werden.
Verder werden kerk en staat gescheiden en de gilden
afgeschaft. Een ander resultaat van de Franse
dominantie was de omvorming van de oude Republiek
– een federatie van zeven souvereine gewesten
– tot een nationale staat. Voor Zwolle waren
er nog meer veranderingen: in 1802 werd de
stad hoofdstad van het nieuw gevormde departement
van de Oude IJssel, waartoe naast Overijssel
ook Drenthe, Zuid-Friesland en de noord-Veluwe
behoorden. In hetzelfde jaar kreeg de stad een
nieuw bestuursreglement. De magistraat zou
voortaan uit twaalf burgemeesters bestaan.37 In
1809 telde de Zwolle 12.892 inwoners: circa 9300
hervormden, 2800 katholieken, 360 luthersen,
340 joden en 60 doopsgezinden.38
De oorlogstoestand en de invoering van het
continentaal stelsel in 1810 (bedoeld om de handel
met Engeland te beperken) hadden economische
achteruitgang tot gevolg. Zwolle had nog
wel handelscontacten met het Duitse achterland,
maar ook de stad deelde in de neergang, doordat
de nijverheid verder kwijnde. De bevolking verarmde
door de hoge accijnzen, dure levensmiddelen
en werkloosheid. Nadat in 1811 de dienstplicht
was ingesteld – om welke reden ook de
burgerlijke stand door de overheid ter hand werd
genomen – zag men de Franse overheersers liever
vertrekken. Hoewel de bevrijders van Zwolle
plunderende en zich bedrinkende Don-kozakken
waren, werden ze in 1813 na de val van Napoleon
met blijdschap ingehaald.
Zwolle na 1813
Na het vertrek van de Fransen in 1813 werd Nederland
een constitutionele monarchie. Aan de
gewestelijke en stedelijke autonomie was definitief
een eind gemaakt. Dat betekende dat allerlei,
eerder min of meer stedelijke taken door de provinciale
of nationale overheid werden overgenomen,
zoals de rechtspraak, de buitenlandse politiek,
defensie en de meeste belastingen. Anderzijds
verfijnden de taken van het lokale bestuur
zich en breidden zich in de loop van de laatste
Z W O L S H I S T O R I S C H T I J D S C H R I F T
anderhalve eeuw uit. Te denken valt onder andere
aan de meer gestructureerde diensten van de
gemeente (zoals politie of openbare werken) of
de plaatselijke volksvertegenwoordiging, met alle
werkzaamheden van dien. Daarnaast kregen vele
initiatieven van de burgerij, overheid of andere
organisaties veelal een rechtspersoonlijkheid in
de vorm van een vereniging of stichting. Deze
verfijning van taken en toename van meer of
minder zelfstandige organisaties deed de behoefte
aan het vastleggen van gegevens dan ook toenemen,
al was het alleen maar om achteraf verantwoording
te kunnen afleggen. Het archief had
nu niet alleen meer de functie van bewijsmateriaal,
maar diende ook steeds meer om het gevoerde
beleid te kunnen toetsen aan de gegeven uitgangspunten.
Dit betekende dat de afgelopen 150
jaar veel meer archiefmateriaal gevormd werd
dan in de eeuwen ervoor en dat de omvang van
dit materiaal jaarlijks onevenredig toeneemt, zeker
nadat de typemachine, het kopieerapparaat
en de computer/tekstverwerker hun intrede deden.
De Nederlandse overheid zag zich na 1813 geconfronteerd
met een nieuwe staat, die nieuwe regels
behoefde. Dit betekende onder andere het vervaardigen
van een grondwet, maar ook van lokale
reglementen, zoals een reglement van bestuur
van de stad Zwolle, dat in 1824 tot stand kwam en
een zogenoemd Reglement van Policie uit 1825,
waarbij de verantwoordlijkheden van het bestuur
geregeld werden, zoals brandpreventie, verkeer,
reiniging, bouwtoezicht en voedselkeuring.39 De
archieven van het gemeentelijk bestuur bevatten
dan ook een uitgebreide hoeveelheid gegevens op
velerlei terrein. Tot de oudste dienstarchieven
van de gemeente Zwolle behoren dat van de Politie
(vanaf 1825) en dat van Openbare Werken
(vroeger ook stadsarchitect genoemd; vanaf
1842).40
Andere taken van de lokale overheid waren
onder andere het bijhouden van de registers van
de burgerlijke stand en het om de tien jaar laten
verrichten van een volkstelling. Per huis werd een
nauwkeurige opgave gedaan van de bewoners,
beroepen, geboorteplaats en -datum en familierelatie.
Deze registratie zou later de basis vormen
voor het bevolkingsregister. Nu maken genealogen
dankbaar gebruik van de bewaard gebleven
informatie over hun voorgeslacht. Op deze wijze
vergaren jaarlijks vele duizenden mensen kennis
van het verleden.41
Deze registers maken het ook mogelijk de bevolkingsontwikkeling
van Zwolle te volgen. Van
13.000 in 1813, 18.000 in 1850, 23.000 in 1879,
34.000 in 1909 tot 43.000 in 1940. Vele factoren
waren van invloed op deze ontwikkeling, zoals
epidemieën (met name de cholera), de vestiging
van een Werkplaats van de Spoorwegen in Zwolle
in 1870, de aanleg van de waterleiding (1892) en
toename van de hygiëne en de sluiting van de zojuist
genoemde Werkplaats in 1938. Het is hier
niet de plaats daarop uitvoerig in te gaan. Maar al
deze factoren hebben hun sporen in de archieven
nagelaten.42
In de wijze van verkiezen van het gemeentebestuur
en in de openbaarheid van bestuur kwamen
halverwege de vorige eeuw veranderingen
als gevolg van de grondwetswijziging van 1848.
De openbaarheid had tot gevolg, dat er vanaf 1867
gedrukte verslagen van de raadsvergaderingen
zijn en dat er vanaf 1852 een jaarlijks Verslag van
de toestand van de gemeente Zwolle werd uitgegeven.
De verandering in de wijze van verkiezen
legde de kiem voor het ontstaan van politieke
partijen. Hoewel er al eerder kiesverenigingen
waren (waarvan geen archieven zijn overgeleverd),
dateren de archieven van politieke partijen
— de ARP voorop — pas van het eind van de negentiende
eeuw.43 De bewustwording van de arbeider
en de groei van de arbeidersbeweging eind
negentiende eeuw leidden tot de stichting van
een Algemeen Zwolsch Werkliedenverbond in
1876. Van dit verbond is helaas geen archief bewaard
gebleven; wel van latere, meestal confes84
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
sionele vakbonden.44 Zwolle was geen industriestad
en kende dus geen groot arbeidersproletariaat.
De meeste arbeiders waren in dienst van de
beter betalende spoorwegen. Toch kende Zwolle
enkele industriële bedrijven waarvan archieven
bewaard zijn gebleven, zoals de NV Vloerzeilfabriek
fa. De Vogel van Calcar en Co, de NV Zwolsche
Biscuitfabriek, de azijnfabriek van de fa.
Heerkens en- Schaepman en de ijzergieterij van
Wispelweij, die alle uit de negentiende eeuw
stammen.45 Niet alleen is het aantal grote industriële
bedrijven gering, ook ontbreekt nagenoeg
de zware industrie zoals die eind negentiende
eeuw in het westen van Nederland opkwam.
Hoewel er geen groot proletariaat was, ontbrak
in Zwolle de armoede niet en dus waren er
instellingen van liefdadigheid om de nood te lenigen.
In de negentiende eeuw waren dit veelal particuliere
of kerkelijke instellingen, zoals de Maatschappij
tot Nut van ’t Algemeen (vanaf 1799), de
vereniging Hulpbetoon (1888), Moederlijke weldadigheid
(1830), de Stadsarmeninrichting (1820)
en de kerkelijke armbesturen.46 Door wetgeving
gedwongen zou de Zwolse overheid eigenlijk pas
vanaf 1897 zelfde zorg voor de minder bedeelden
ter hand nemen. Zo was er vanaf 1898 een dienst
voor de gemeentelijke armenzorg en later, vanaf
1937 de sociale dienst. Ook min of meer particuliere
initiatieven ter verbetering van het lot van de
armen bleven bestaan, evenals de instellingen
voor ouderenzorg als de Gasthuizen of de Daniëlla’s
Stichting.47 Ook de huisvesting was een zaak
waarmee de overheid zich in toenemende mate
ging bemoeien, alhoewel daar in Zwolle wel de
Woningwet van 1901 voor nodig was. Voor die
tijd was met name de sociale woningbouw een
zaak van particulier initiatief, zoals de Vereniging
tot Verbetering der Arbeiderswoningen (1859).
Voor 1901 werden bouwplannen wel aan de goedkeuring
van de gemeentearchitect onderworpen,
maar eisen aan de bouw en met name aan de
woonruimte werden nauwelijks gesteld. Vanaf
1901 konden woningbouwverenigingen voorschotten
krijgen om bouwprojecten te realiseren.
In Zwolle werden verschillende verenigingen gesticht,
veelal op levensbeschouwelijke grondslag.
De gemeente stelde in 1907 een eigen inspectie in:
de bouwpolitie, later Bouw- en woningtoezicht
geheten.48
Naast aandacht voor het persoonlijk welzijn
nam de overheid ook maatregelen met betrekking
tot onderwijs. Sinds 1806 was er een nationale
onderwijswet, waarbij de overheid eisen
stelde aan de vorm en inhoud van het onderwijs.
Maar ook particuliere organisaties – vaak op kerkelijke
grondslag – namen initiatieven tot het oprichten
van scholen.49 Naast de in het begin van
de negentiende eeuw reeds bestaande kerkgenootschappen
der hervormden, luthersen, joden,
doopsgezinden en katholieken werden in de loop
der tijd nog andere kerken gesticht, met name
door groepen die zich afscheidden uit de Hervormde
Kerk of afsplitsingen daarvan. Te denken
valt aan de Gereformeerde Kerken in Nederland
(vanaf 1835), de Christelijk Gereformeerde Kerk
(1895) en de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden
(1926).50
Door deze uitgebreide hoeveelheid archieven
van allerlei herkomst is het steeds beter mogelijk
de grote en de fijne lijnen van de geschiedenis te
onderscheiden. De geschiedenis van het persoonlijk
leven kan er door geschetst worden. Niet
alleen de grote politiek, de stads- en bevolkingsontwikkeling,
maar ook de individuele ontwikkeling,
het dagelijks leven, hoe men woonde, de
wijze waarop de Zwollenaar zich ontspande door
lezen of sporten kunnen in archieven van desbetreffende
organisaties worden achterhaald.51
Mits de archieven bewaard zijn, is het mogelijk
deze verfijning tot een bijkans microscopisch niveau
uit te breiden door de bestudering van familie-
en persoonlijke archieven. Voorbeelden
daarvan zijn de archieven van de families Feith
(1654-1982) en Vos de Wael (1700-1930) en de
persoonlijke archieven van ds G. Horreüs de
Haas (1879-1943), de schrijver J.K. van Eerbeek
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
(1898-1937) of burgemeester mr I.A. van Royen
(1859-1938).52 Niet alleen krijgen de grote lijnen
van de geschiedenis een zo broodnodige nuancering
door bestudering van dit persoonlijk leven,
maar ook kan hierdoor de weg naar de geschiedenis
voor velen geopend worden.
Besluit
Het is natuurlijk onmogelijk om in een kort artikel
als het bovenstaande een op alle punten bevredigende
samenhang tussen de geschiedenis en
het bewaarde archiefmateriaal aan te geven. Duidelijk
mag wel zijn dat het archiefmateriaal tegelijk
de bron en de beperking van de geschiedbeoefening
is: wij zijn afhankelijk van het overgeleverde
materiaal om een beeld van het verleden te
kunnen schetsen. Het ontbreken van bronnen,
zoals het bovengenoemde nagenoeg ontbreken
van archieven van (zware) industrieën, kan echter
ook het gevolg zijn van een historische ontwikkeling.
Natuurlijk heeft de toegenomen zorg
voor archiefselectie en -beheer ervoor gezorgd,
dat we met name over de laatste 150 jaar uitvoeriger
geïnformeerd zijn dan over eerdere perioden,
ook al omdat we de gegevens uit de archieven beter
kunnen toetsen aan andere.
Anderzijds heeft men in vroeger jaren lang
niet altijd gegevens of bevindingen op schrift gesteld,
domweg omdat daaraan geen behoefte was.
Allereerst werd het materiaal niet vervaardigd
met het oog op de geschiedbeoefening. Daarnaast
heeft men nooit kunnen voorzien welke vragen
de geschiedbeoefenaar aan zijn materiaal zou
stellen; net zo min als wij kunnen voorzien welke
vragen toekomstige generaties zullen stellen.
Dat betekent dus dat wij uiterste zorg moeten
betrachten bij het selecteren van te bewaren archivalia,
maar nog meer bij het bewaren en toegankelijk
maken daarvan. Toekomstige geschiedvorsers
moeten immers in staat zijn om net als
wij hun wortels in de tijd te bestuderen.
Noten
1. Gregor Rensen en Piet den Otter, Historisch onderzoek
in Overijssel. Een handleiding (Utrecht 1987) 71.
2. Thom.J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle (2dln.;
Zwolle 1954-1961) 11,182.
3. B.J. van Hattum, Geschiedenissen der stad Zwolle (4
dln.; Zwolle 1767-1775) I, 84 ev.
4. F.C. Berkenvelder, ‘De groei van middeleeuws
Zwolle naar zelfstandigheid’ in: Zwolle in de middeleeuwen.
Onderzoekingen naar een vroeg-stedelijke samenleving.
(Zwolle 1980) 167-186.
5. Alle hieronder genoemde archieven en archiefstukken
zijn te raadplegen in het gemeentearchief
Zwolle (GAZ); Administratieve archieven Zwolle
(AAZ) 01, 001: Privilegeboek 924-1570.
6. AAZoi-020, resoluties van raad en meente; en
AAZ01-063 en verder, resoluties van schepenen en raden.
7. Zie de serie Maandrekening van Zwolle (Zwolle
1970-.. die door het gemeentarchief Zwolle wordt uitgegeven.
8. AAZ01-005.
9. Maandrekening van Zwolle 1399 (Zwolle 1970) 3.
10. Overijssel kent pas sinds 1811 een apart notariaat.
11. Kerkelijke archieven (KA) 009, Cartularium van
het Domus Clericorum; afgedrukt in: Domus Parva.
Het eerste huis van de Moderne Devoten in Zwolle, |.
Hagedoorn en I. Wormgoor ed. (Zwolle 1987) 59; voor
particuliere charters, zie de Persoonlijke Archieven
(PA).
12. F.C. Berkenvelder, ‘Zwolle ten tijde van de Moder-
Een door mr Rhijnvis
Feith (1753-1824) beschilderde
waaier; ca
‘794-
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ne Devotie’, in: Een zuivere, eenvoudige, standvastige
geest… De Moderne Devotie te Zwolle (Zwolle 1984) 6
ev.
13. F.C. Berkenvelder, Zwolle als Hanzestad (Zwolle
1983).
14. AAZ01-004 en 6291 e.v.
15. AAZ01-705 t/m 762.
16. N.D.B. Habermehl, ‘Het Heilige-Geestgasthuis te
Zwolle in de late middeleeuwen: stichting en ontwikkeling’,
in: Zwolle in de middeleeuwen 139-165.
17. IA005, IA006 en IA0031.; zie ook: J. Buning,
Vreemdelingen, kostkopers en ouderen. Geschiedenis van
het Binnen- en Buitengasthuis te Zwolle (Utrecht 1990).
18. AAZ01-006 en 007; F.C. Berkenvelder, ‘De gilden
in Zwolle tot 1600’, in: Overijsselse Historische Bijdragen
104 (1989) 7-33; Gilde- en broederschapsarchieven
(GA) 001-004.
19. Zie bijvoorbeeld: Kerkelijke Archieven (KA)oo4:
het Armen Fraterhuis; KA009: het Rijken Fraterhuis;
Domus Parva; Een zuivere, eenvoudige, standvastige
geest…; Windesheim. Studies over een Sallands dorp bij
de IJssel (Kampen 1987).
20. AAZ01-618-623.
21. AAZ01-006.
22. Resp. KA062; KA017 en KA022.
23. AAZ01-546.
24. KA001 t/m KA014 en KA023 t/m KA048.
25. Zie: C.M.C. Paulusma-du Pree, De Zwolse magistraat,
16/5-1747. Een onderzoek naar de oligarchisering
en naar een mogelijke democratische tegenbeweging (ongepubliceerde
scriptie; Zwolle 1981) en A.J.A. Bos, De
Zwolse magistraat 1747-1795. Een onderzoek naar een
mogelijk oligarchiseringsproces (ongepubliceerde scriptie;
Zwolle 1978).
26. Zie bijvoorbeeld: FA011, archief van de familie Gelderman,
waarvan bestaat de Inventaris van het familiearchief
Gelderman 1532-1988 JJ. Seekles ed. (Zwolle
1990).
27. N.D.B. Habermehl, ‘De bevolkingsontwikkeling
van Zwolle van 1628 tot 1748’, in: Zwols Historisch Jaarboek
I (1984) 84.
28. AAZ01-4036, resp. 4459.
29. R.A. Bosch, Het conflict rond Antonius van der Os,
predikant te Zwolle 1748-1755 (Kampen 1988) 161-168.
30. De economische neergang verkleinde overigens
ook de tolerantie, zoals blijkt uit een verzoek van de
Zwolse gilden om de joden uit de stad te weren; zie
AAZ01-040,13 mei 1785.
31. De wekker van de Nederlandse natie. Johan Derk
van der Capellen 1741-1784 (Zwolle 1984).
32. AAZ01-4036 en AAZ01-6051-6052.
33. Zie P.J. Lettinga, ‘Zwolle’, in: Overijsselse Historische
Bijdragen 99 (1984) 47-68.
34. AAZ01-102.6
35. AAZ01-360 ev.
36. AAZ01-3916-3920.
37. AAZ01-111.
38. AAZ01-419.
39. Zie: AAZoi-00222, blz. 378a en De Vries, II, 199-
210.
40. Dienstarchieven (DA) 003, resp. DA002.
41. Zie de registers van de burgerlijke stand vanaf 1811
en de volkstellingen, o.a. 1812,1830,1840 en 1849 en bevolkingsregisters
1850-1860 en 1860-1940.
42. Zie: J. Hagedoorn, “Verbroken stilte. Een schets
van Zwolle in de 19de eeuw’, in: Zwols Historisch Jaarboek
2 (1985), 14-28; CA (Commissie-archieven) 004,
Geneeskundig toevoorzicht 1805-1865; CA0015, Choleracommissie,
1866; DA006, gasfabriek, waterleiding
en gemeentelijk bosbedrijf (1890-1972); DA013, Sophia-
ziekenhuis (1884-1918). Het archief van het in 1848
gestichte RK-ziekenhuis berust niet bij het gemeentearchief.
43. Verenigingsarchieven (VA) 034 (ARP), VA035
(CHU), VA040 (PSP), VA054 (D66), VA059 (WD);
het archief van de SDAP-afdeling berust bij het IISG te
Amsterdam.
44. VA060 t/m VA067.
45. Bedrijfsarchieven (BA)oo2, BA003, BA011 resp.
BA018.
46. VA005, VAooó, VA015; zie bijvoorbeeld A.H. ten
Cate, Het Weeshuis der Hervormde gemeente te Zwolle,
1834-1854 (MO-scriptie; Staphorst 1979)
47. DA022 en DA019; andere instellingen: CA002,
Geestelijke en moreele herbewapening; CA005, Nationaal
crisiscomité; CA006, Werklozenfonds; IA036,
Daniëlla’s Stichting.
48. VA018; VA019, Bouwvereniging “Door Eendracht
Saamgebracht”; VA039, Bouwvereniging “St. Joseph”.
Andere bouwverenigingen: AZCW, Beter Wonen, Samenwerking
etc; DA021, Bouwpolitie.
49. Zie de Schoolarchieven (SA)-groep en diverse Verenigingsarchieven.
50. Resp. KA018, KA067 en KA071.
51. Bijvoorbeeld VA072, Athletiek- en voetbalvereniging
PEC; VA079, Fotoclub Zwolle; VA045 t/m 47, verschillende
bibliotheken.
52. FA015 en FA010; PA1189, PA1188 en PAU84.
ZWOLS H I S T O R I S C H T I J D S C H R I F T
Geschiedenis van het gemeentearchief
van Zwolle
Een moeizaam begin
R.C. Bakhuizen van den Brink, de bekende
Algemeen Rijksarchivaris, komt de eer toe
ervoor te hebben gezorgd, dat er in Zwolle
een begin van archiefbeheer gekomen is. Dankzij
zijn persoonlijk ingrijpen kwam het namelijk
tot de aanstelling van de eerste Zwolse gemeentearchivaris.
Naar aanleiding van een door G.H.M. Delprat
geschreven boek over Geert Grote en de Moderne
Devotie schreef Bakhuizen van den Brink op 20
augustus 1856 een brief aan B en W van Zwolle.
Delprat had namelijk pas na het verschijnen van
het boek vernomen, dat zich een aanzienlijk gedeelte
van het archief en de manuscripten van het
klooster Windesheim in het gemeentearchief van
Zwolle bevond. Uit de wel zeer summiere opgave
van de inhoud van het archief, die in 1827 was
vervaardigd, viel dit niet op te maken. Vandaar
dat Bakhuizen van den Brink het gemeentebestuur
verzocht een nadere opgave van de kloosterarchieven
te geven en Delprat in de gelegenheid
te stellen ze te onderzoeken. In de brief
schreef hij verder: “Misschien echter biedt de gedane
aanvrage eene ongezochte aanleiding om
deze en welligt andere archieven Uwer belangrijke
stad nader te doen onderzoeken en sorteren.
Nadere berigten omtrent de uitslag van zoodanigen
arbeid zouden met dankbaarheid worden
ontvangen”.
De gevraagde “nadere berigten” bleven echter
uit en dus zocht Bakhuizen van den Brink het hogerop.
Gedeputeerde Staten van Overijssel schreven
op 24 februari 1858 op last van de minister
van Binnenlandse Zaken aan het gemeentebestuur
dat het archief van Zwolle “vatbaar en rijp
is voor een betere ordening”. Het gemeentebestuur
kon daarbij gebruik maken van de hulp van
de provinciale archivaris. B en W zwichtten voor
zoveel druk en de gemeenteraad ging op 7 april
akkoord met het voorstel het archief te ordenen.
Op 25 augustus 1858 machtigden GS de provinciale
archivaris om van 1 september tot 1 november
’s middags van twee tot vier uur het stedelijk
archief van Zwolle te ‘regelen’. Zo begon mr J.J.
van Doorninck, sedert 1838 provinciaal archivaris,
op 1 september 1858 om 14 uur zijn werk als
eerste gemeentearchivaris van Zwolle. Voor de
door hem te maken kosten en de beloning van
degenen, die hem bij het werk zouden assisteren,
kreeg hij een ‘schadeloosstelling’.
Van Doorninck moest zijn werk onder uitermate
primitieve omstandigheden verrichten. Zo
schreef hij in zijn eerste jaarverslag: “Uit hoofde
het locaal voor geene verwarming geschikt is, zijn
de werkzaamheden gedurende den winter ge-
F.C. Berkenvelder
Papenstraat 3. Binnenplaats
met de bewoonster
en de bakker; ca
1950. Foto A. Meulenbelt.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
der was er allerlei ongeordend materiaal aanwezig,
dat ten dele geen betrekking op Zwolle had.
Het andere vertrek was een kleine zolderkamer.
Marktkooplui bij de
Gasthuisstraat; ca
1900. Links het Binnengasthuis,
nu verbouwd
tot winkelpanden.
Foto C.J.J. Schaepman.
staakt”. Ook in latere jaren werd gemeld, dat “de
werkzaamheden niet dan zeer langzaam voortgaan,
waartoe dan ook, dewijl op het archief niet
gestookt wordt, slechts een gedeelte van de zomermaanden
en dan nog maar weinig uren van
de dag, besteed kunnen worden”. Over de aard
van zijn werkzaamheden is niet veel bekend, aangezien
Van Doorninck daarover geen uitvoerige
mededelingen deed. Wel weten we, dat hij het “in
het belang van de onderzoeker nodig vond de
stukken zoveel mogelijk naar chronologische
orde te rangschikken”.
Aangezien Van Doorninck dus niet veel tijd
aan het archief kon besteden, drong het gemeenteraadslid
mr H.E.C, van Kerckhoff op 27 april
1868 aan op ordening van het gemeentearchief.
Als gevolg daarvan werd de directeur van de juist
opgerichte Rijks-HBS, dr W.J.A. Huberts, gevraagd
een onderzoek in te stellen naar de toestand
van het archief. Volgens zijn op 10 februari
1869 ingediende rapport waren er twee archieflokalen
in het gemeentehuis. In de eerste zaal lagen
de door onder meer Van Doorninck gerangschikte
series. Er bevonden zich ook een aantal laden
met charters en een kast met boeken en incunabelen,
afkomstig van het klooster Windesheim. Ver-
• Een charter is een stuk perkament, waarop
een akte geschreven staat, en dat voorzien
is van één of meer zegels. Men spreekt
ook wel over oorkonde.
• De voor 1501 gedrukte boeken noemt men
incunabelen ofwiegedrukken.
Naar aanleiding van dit rapport vergaderde de
gemeenteraad op 11 augustus 1869 achter gesloten
deuren, waarbij besloten werd dat Huberts tot
tijdelijk archivaris werd benoemd met een salaris
van 400 gulden per jaar. Hij kreeg de opdracht
een beredeneerde inventaris van het archief te
maken met alfabetische en tijdrekenkundige inhoudsregisters.
Na enkele jaren bleek dat ook de
tweede gemeentearchivaris te weinig tijd had om
zijn taak naar behoren te vervullen, waarna hem
op 26 januari 1874 eervol ontslag werd verleend.
Het bleek echter onmogelijk te zijn om voor 400
gulden per jaar een geschikt persoon voor de
functie van archivaris te vinden. Op 29 oktober
1874 verklaarde Huberts dat hij wel door wilde
gaan met zijn werkzaamheden, maar dan met assistentie
van E. Zuidema, een leraar op zijn HBS.
Inmiddels was echter twijfel gerezen over de
door Huberts verrichte arbeid en daarom werd
eerst aan mr J. Nanninga Uitterdijk, de gemeentearchivaris
van Kampen, gevraagd zijn oordeel
hierover te geven. Het rapport van Nanninga
Uitterdijk, dat op 29 december 1874 in een besloten
raadsvergadering werd behandeld, was ronduit
vernietigend voor Huberts. Het door hem ingevoerde
rubriekensysteem noemde Nanninga
Uitterdijk “afkeuringswaardig”, omdat het nooit
exact kon zijn en op deze manier het overzicht
over het geheel werd verbroken. Bovendien lagen
nog honderden charters in de grootste wanorde
voor de ramen. Ook waren de delen en de registers
niet beschreven. Nanninga Uitterdijk besloot
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
zijn rapport met de constatering dat het Zwolse
archief een rijk archief was, “rijker dan ik mij had
durven voorstellen”. En hoewel inventarisatie
geen gemakkelijke taak zou zijn, hoopte hij toch
dat het college van B en W “niet langer zal dulden,
dat deze kostbare verzameling nog langer op
een dergelijke onordelijke wijze bewaard wordt”.
Hij stelde dan ook voor een deskundige aan te
stellen, “die daar al zijn tijd aan kan wijden en
niet voor een paar jaar, maar als vaste ambtenaar
op een behoorlijk salaris”.
• Een cartularium is een register, waarin
door de belanghebbende alle akten die op
de eigen stad of instelling betrekking hebben,
zijn overgeschreven.
De gemeenteraad sloot zich op 23 maart 1875 bij
de conclusies van Nanninga Uitterdijk aan en op
1 oktober daaropvolgend werd jhr mr Th.H.F.
van Riemsdijk uit Utrecht de derde gemeentearchivaris.
Met deze energieke man deed Zwolle
een schot in de roos. Hij verdiepte zich in de geschiedenis
van het archief en vroeg op grond
daarvan zulke belangrijke archivalia terug als een
doopboek en het cartularium van het Agnietenbergklooster,
die aan particulieren waren uitgeleend.
Verder begon hij met het weer op orde
brengen van de archiefruimten. Al op 10 januari
1876 leverde hij bij B en W een verslag in van
maar liefst dertien dichtbedrukte bladzijden.
Helder en overzichtelijk schetste hij daarin de lotgevallen
van het gemeentearchief en de pogingen
lot ordening ervan, voor zover hij die kon achterhalen.
Hij pleitte ervoor het oud-archief ook
ruimtelijk duidelijk te scheiden van het nieuw-archief,
waarbij hij de grens bij 1 januari 1814 wilde
leggen omdat toen een andere ‘rangschikking’ ter
secretarie een aanvang nam. Verder wilde de archivaris
dat het archieflokaal behoorlijk zou kunnen
worden afgesloten en dat anderen alleen met
zijn voorkennis daarin toegelaten zouden kunnen
worden.
Op 27 mei 1876 ging de gemeenteraad ermee
akkoord, dat het lokaal boven de schepenzaal tot
bewaarplaats van het nieuw-archief werd ingericht.
Alle bestanddelen van het oud-archief konden
zodoende in het grote archieflokaal worden
verenigd. De charters werden overeenkomstig
een ordening uit 1774 in een honderdtal laden gelegd.
De betere plaatsing van de archieven, die zo
werd verkregen, was er de reden van dat Van
Riemsdijk zijn eerste jaarverslag “niet zonder opgewektheid”
schreef. Vanwege de herplaatsing
van de tot dusver over drie vertrekken verspreide
archiefbescheiden moest hij nauwkeurig van de
inhoud kennis nemen. Daarna werd de oude
orde zoveel mogelijk hersteld. Ook de verspreide
losse stukken, waarvan de onderlinge betrekking
niet te bepalen was, kregen met behoud van het
verband, waarin zij waren aangetroffen, een
plaats. De ingebonden dagbladen, gemeenteverslagen
en andere administratieve drukwerken,
benevens de oude boeken en de gedrukte ordonnanties
en publicaties kwamen bij de verhuizing
op de kleine zolderkamer terecht.
“Aan de definitieve inventarisering zou echter
nog menige werkzaamheid van voorbereidende
aard vooraf dienen te gaan”, zo schreef Van
Vervoer in het laatste
oorlogsjaar: een tot
koets omgebouwde autobus.
Voor de twee
pk’s ligt de haver op
het dak; 12 maart 1945.
Foto dr ].]. Reinking.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Riemsdijk. “Ten gevolge van het vroegere gebrek
aan toezicht gedurende zoveel jaren is het archief
langzamerhand zodanig in wanorde geraakt, dat
daarin niet ineens door het nemen van enige
maatregelen van algemene aard, een einde kan
worden gemaakt”. Wat Van Riemsdijk hier
schreef, was een geheel nieuw geluid. Tot twee
keer toe vermeldde hij dat hij de orde zoveel mogelijk
had gehandhaafd, dan wel hersteld. Tot die
tijd waren archivarissen alleen maar bezig de archiefbescheiden
of chronologisch of onderwerpsgewijze
volgens door henzelf bedachte rubrieken
te ordenen.
• Tegenwoordig gaat men ervan uit dat een goede, wetenschappelijke
inventaris de structuur van het archief op een systematische wijze
laat zien. Daarvoor is het nodig dat elk stuk terugkeert naar het archief,
waaruit het afkomstig is (herkomstbeginsel) en binnen dat archief
naar zijn oorspronkelijke plaats. Het systeem van indeling
moet gegrond zijn op de oorspronkelijke organisatie en de inrichting
van het bestuur van de archiefvormende instantie (de oude orde)
om de samenhang van de bestanddelen van het betreffende archief
te kunnen laten zien. De oude orde is immers ontstaan overeenkomstig
de behoeften van de archiefvormende organisatie en hangt daar
ten nauwste mee samen (structuurbeginsel).
Van Riemsdijk kreeg niet de tijd de door hem
ontvouwde plannen zelf uit te werken, want al op
1 mei 1877 vertrok hij. Uiteindelijk zou deze zeer
kundige man in 1887 Algemeen Rijksarchivaris
worden. Een halfjaar voor zijn vertrek, op 2 oktober
1876, was de eerste “Instructie voor de gemeentearchivaris
van Zwolle” door de gemeenteraad
aangenomen. Deze instructie werd al op 26
februari 1877 door een andere vervangen. Wellicht
was dit een gevolg van de instelling op 4 december
1876 van een speciale commissie voor het
gemeentearchief, bestaande uit een lid van B en
W en twee raadsleden. Deze instructie bleef bijna
een eeuw gelden en werd pas in 1970 vervangen.
Op 1 april 1878 trad de vierde gemeentearchivaris
aan. Dat was mr A.G.A. baron Sloet tot Oldhuis,
die districtsschoolopziener was. Hij had
grote waardering voor het werk van zijn voorganger,
die de archiefbescheiden in vijf en de
charters in zeven rubrieken had ingedeeld: “Het
getuigt van grote werkkracht en heldere zaakkennis,
dat Van Riemsdijk in anderhalfjaar op deze
wijze orde wist te scheppen in de schromelijke
chaos van verwarring, waarin de oude en nieuwe
bescheiden ten gevolge van langdurig gemis van
het nodige toezicht waren geraakt”.
Ook bij Sloet rees echter twijfel of “een zuiver
doorgevoerde chronologische rangschikking en
catalogisering”, die hij zich tot die tijd steeds had
voorgesteld, wel de meest doelmatige wijze was
voor de beschrijving van het archief. In ieder geval
was de ordening van de charters uit 1774 te
verwerpen, omdat men toen alleen die charters
bij elkaar had gebracht, die op dat moment voor
het dagelijks administratieve gebruik enige waarde
hadden. Een grote menigte charters was als
van geen belang zijnde terzijde gelegd en bleef
ongesorteerd liggen. Sloet wilde de stukken van
het archief niet chronologisch, maar volgens hun
inhoud en “dus rubrieksgewijze” beschrijven.
Een indeling in rubrieken lukte desnoods nog
wel bij de losse stukken, maar natuurlijk niet bij
de registers, waarin stukken van zeer verschillende
aard afgeschreven waren.
Zodoende drong ook bij Sloet het besef door
dat de oude ordening, juist ook voor de uiteindelijke
inventarisatie, van het grootste belang was.
In het jaarverslag van 1878 schreef hij althans dat
het naar zijn mening de aangewezen weg was de
stukken door te lezen en het gelijksoortige zo veel
mogelijk te verenigen. Daarbij tekende hij wel
aan “dat dit werk met voorzichtigheid diende te
geschieden om de stukken van verschillende inhoud,
die echter kennelijk tot adstructie van een
zelfde zaak gediend hadden, niet te scheiden, of
juist weer te verenigen indien ze los verspreid
waren geraakt in verschillende portefeuilles, terwijl
het mij tevens dienstig leek de plaats van herkomst
kort aan te tekenen bij de beschrijving,
omdat ik vooralsnog geen zekerheid heb, dat alZWOLS
H I S T O R I S C H T I J D S C H R I F T
leen willekeur de splitsing der stukken heeft veroorzaakt”.
Dat een rubrieksgewijze rangschikking
problemen met zich meebracht, omdat “vele
stukken toch […] gevoegelijk onder twee of drie
verschillende rubrieken gebracht kunnen worden,
terwijl andere daarentegen tot geene der
aangenomen rubrieken behoren”, had hij inmiddels
ook ontdekt.
Op 1 april 1883 liep de vijfjarige periode ten
einde, waarvoor Sloet tot gemeentearchivaris was
benoemd. De raad besloot hem echter nog tot het
einde van het jaar in dienst te houden. Inmiddels
werd beraadslaagd over de toekomst van het archief.
De meerderheid van de raad begreep, dat
daar een ontwikkeld man werkzaam zou moeten
zijn, die zijn tijd en kennis onverdeeld aan het archiefzou
kunnen wijden. Aan deze laat