
Historisch
9E JAARGANG 1992 NUMMER 2 ‘RIJS 1 9,50
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
Vroeger was de Buitenkant één van de
drukste handelskades van Zwolle. Toen de
stadsmuur zijn verdedigende functie verloor,
werden er tegen de ‘buitenkant’ van de muur
woningen gebouwd. Om de handelskade breed genoeg
te houden voor het verkeer, moesten dit zeer
ondiepe huisjes zijn. Daarom werd aan de bovenverdieping
een zogenaamde ‘overstek’ gebouwd.
De woningen werden daardoor iets dieper en ruimer.
Ook hakten sommige bewoners, zeer tegen
de wens van het toenmalige stadsbestuur in, een
bedstede uit in de stadsmuur.
Op de tweede foto is de – gerestaureerde – stadsmuur
weer zichtbaar, nadat een aantal huisjes
met overstek is verwijderd.
Mensen met een niet al te gevoelige neus (als
u het eens probeert, weet u wat ik bedoel) kunnen
nu op de hoek van de Steenstraat en de Buitenkant,
de oude gerestaureerde weergang beklimmen.
Boven: Buitenkant. Oude situatie.
Onder: Buitenkant. Huidige situatie.
(Foto’s: D. Hogenkamp)
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 37
Redactioneel Inhoud
Het is inmiddels misschien voor u al een
vertrouwde verschijning geworden: een
oude en een nieuwe foto genomen vanaf
dezelfde plaats. Zeker is wel dat er veel is veranderd
in Zwolle. Zo ook aan de Buitenkant, de plaats die
deze keer de aandacht krijgt.
Nog veel meer is er veranderd sinds de tijd
waarin het artikel van Ingrid Wormgoor speelt.
Zij gaat in op de stadspastoors die tot in de veertiende
eeuw verbonden waren aan de St. Michaëlkerk;
wat waren hun taken en wat was de invloed
die het kapittel van Deventer kon uitoefenen op
hun benoeming?
Jean Streng beschrijft de perikelen die met het
uitgeven van de Oden en Gedichten van Rhijnvis
Feith samengingen. De Zwolse uitgever H.A.
Doyer trok uiteindelijk toch aan het langste eind.
Wil Cornelissen gaat in op een minder bekende
Zwollenaaar: zijn grootvader Izak Os, een opa
zoals elk kind zich zou wensen. Izak Os was een
druk bezet zakenman en hij is enkele jaren lid
geweest van de Zwolse gemeenteraad. Bovendien
is hij een van degenen naar wie iri de nieuwbouwwijk
Schellerbroek een straat is genoemd.
In het Provinciaal Overijssels Museum worden
veel zeldzame en bijzondere voorwerpen bewaard.
Eén van die bijzondere voorwerpen is een
drinkschaal, die gemaakt is van een noot die alleen
op de Seychellen voorkomt. Aan het eind van
deze maand is deze schaal in het Amsterdams
Historisch Museum te bewonderen, maar eerst
kunt u hier de bijzonderheden erover lezen.
Het tijdschrift wordt gewoontegetrouw afgesloten
met een aantal vaste rubrieken: mededelingen,
literatuur en de agenda.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp
De eerste pastoors van de St. Michaëlkerk Ingrid Wormgoor
Een ‘mennistenstreek’ van H.A. Doyer J.C. Streng
Izak Os (1870-1943) Wil Cornelissen
Een bijzonder voorwerp in het POM Lydie van Dijk
Straatnamen, niet zo eenvoudig… Wil Cornelissen
Literatuur
Agenda
Mededelingen
Personalia
36
38
43
47
5i
53
55
56
56
57
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De eerste pastoors van de St. Michaëlkerk
Ingrid Wormgoor I:
Zegel van Regnerus van
Drynen
(foto: J.P. de Koning,
gemeente Zwolle).
n een middeleeuwse stad nam de parochiekerk
letterlijk en figuurlijk een centrale plaats in. De
. kerk lag in het midden van de stad en haar
geestelijken – van wie de stadspastoor de belangrijkste
was – hadden tot taak zorg te dragen voor
het zieleheil van alle parochianen. Bovendien beheerden
zij de goederen van de kerk en waren zij
vaak betrokken bij de kerkelijke rechtspraak.
Naast deze kerkelijke zaken hielden de pastoors
zich ook regelmatig bezig met andere activiteiten.
Zij deden dat vaak op verzoek van derden.
Hieronder wordt beschreven wat er bekend is
over de niet zuiver kerkelijke bezigheden van de
eerste Zwolse stadspastoors. Tevens wordt gekeken
naar de benoeming van die pastoors. Met het
oog op enerzijds het gewicht dat in die tijd aan de
zielzorg werd toegekend en anderzijds de betekenis
van de verrichte werkzaamheden, is immers te
verwachten dat meerdere partijen belang hadden
bij de aanstelling van een hen welgezinde pastoor.
Vroegste geschiedenis
De vroegste schriftelijke vermeldingen over de
Zwolse kerk zijn afkomstig uit het archief van het
Lebuïnuskapittel van Deventer. Het oudste stuk
dateert van 7 december 1040. Bisschop Bernoldus
van Utrecht verklaarde toen dat hij zijn kerk in
Zwolle aan het Lebuïnuskapittel schonk. Hij deed
dat op verzoek van Theodericus, de proost van
Deventer, aan wie hij de kerk vroeger in gebruik
had gegeven. Theodericus zou tijdens zijn leven in
het bezit van de kerk blijven tegen een jaarlijkse
betaling van 1 pond Deventer munt. Na zijn overlijden
zouden de broeders de vrije beschikking
over de kerk krijgen. Zij moesten alleen enkele
heffingen aan de bisschop betalen.1
Korte tijd is de kerk nog in bezit geweest van
Ancelmus, proost van Sint Jan in Utrecht. In 1093
maakte bisschop Conradus de beschikking van
zijn voorganger, die de kerk aan Ancelmus had
I
overgedragen, ongedaan. Hij herstelde de vroegere
situatie en stelde de kanunniken van Deventer
weer in het onbezwaarde bezit van de kerk, behoudens
de betaling van de heffingen die zij aan
de bisschop verschuldigd waren.2 Mogelijk heeft
dit gulle gebaar van Conradus te maken met het
feit dat de kerk van Deventer hem in 1076 had geholpen
in zijn strijd tegen Dirk V, graaf van Holland.
In 1129 bevestigde bisschop Andreas de
schenking nogmaals.3
Hoewel sommige historici betwijfelen of deze
oorkonden echt zijn, mogen we wel concluderen
dat zowel de Zwollenaren als de Deventenaren er
in de dertiende eeuw van uitgingen dat het kapittel
van Deventer recht had op de Zwolse kerk.4
De kanunniken van Deventer bleven tot 1580 in
het onbezwaarde bezit van de Zwolse kerk. Hierdoor
had een niet-Zwolse instelling formeel de
bevoegdheid om de stadspastoor van de enige parochiekerk
van Zwolle te benoemen.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 39
Benoeming en bezigheden van de
stadspastoors
Over de eerste bedienaars van de kerk is weinig
bekend. In 1230 was ene Ludolphus plebaan.5 Hij
trad op als de eerste getuige toen de bisschop
stadsrechten verleende aan Zwolle. In 1252 was hij
nog steeds aan de parochiekerk verbonden. Toen
verzochten deken en kapittel van Deventer aan de
bisschop van Utrecht of zij na het heengaan van
Goeswinus en Ludolphus, respectievelijk priesters
in Deventer en Zwolle, in beide kerken twee
andere priesters mochten benoemen. De bisschop
gaf hen daartoe toestemming.6 Het recht van het
kapittel om de pastoor in Zwolle te benoemen
was blijkbaar niet geheel vanzelfsprekend.
Over twee pastoors in de veertiende eeuw,
Hesselus Heynck en diens opvolger Regnerus van
Drynen, is meer bekend. Hesselus was eerder kanunnik
te Deventer geweest. In 1326 wordt hij als
zodanig genoemd.7 Na de dood van Gerardus
“1
Heynck werd hij in 1332 kanunnik van de Sint Jan
te Utrecht.8 Vóór 1339 werd hij daarnaast ook tot
rector van de parochiekerk van Zwolle benoemd.
Hesselus was dus bekend met de situatie in Deventer
en hij had bovendien contacten in Utrecht.
Gezien zijn achtergrond als kanunnik van het Lebuïnuskapittel
is hij waarschijnlijk door dit kapittel
voorgedragen als pastoor. In die functie zal
hij bij tijd en wijle op gespannen voet hebben gestaan
met het in 1309 gestichte Bethlehemklooster.
Er was namelijk tussen hem en het klooster
onenigheid ontstaan over de betaling van begrafenisgelden.
Dit conflict werd weliswaar in 1339 geregeld,
maar in 1350 en 1351 bekrachtigden respectievelijk
deken en kapittel van Deventer en
ook bisschop Jan van Arkel de overeenkomst. In
1350 gebeurde dat op verzoek van de prior en het
convent van Bethlehem en in 1351 meldde Jan van
Arkel expliciet dat Hesselus beloofd had de overeenkomst
na te zullen komen. Het lijkt er dus op
Grote kerk te Zwolle;
tekening door A. Beerstraten;
eerste helft 17e
eeuw (foto: Provinciaal
Overijssels Museum,
Zwolle).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
dat Hesselus zich aangetast voelde in zijn (financiële)
rechten als stadspastoor en dat hij ondanks
de eerste overeenkomst probeerde zijn positie te
handhaven tegenover het klooster.
Verder is nog bekend dat Hesselus in 1350
aanwezig was bij de overdracht van een vordering
aan het Bethlehemklooster. Voor dit geld moest
een altaar in de kloosterkerk opgericht worden en
moesten missen gelezen worden.9 Ook keurde hij
in 1356 de oprichting van een altaar in zijn eigen
parochiekerk goed.’ °
Tenslotte moest Hesselus zich erbij neerleggen
dat de St. Michaëlkerk geïncorporeerd werd
bij de kerk van Deventer. In maart 1364 lijfde bisschop
Jan van Arkel de Zwolse kerk bij die van
Deventer in, op voorwaarde dat pastoor Hesselus
Heynck niet in zijn rechten geschaad zou worden.
11 Blijkbaar was Hesselus daar niet gelukkig
mee, want een maand later moest hij op straffe
van 400 oude schilden beloven zich te zullen
schikken in de incorporatie, op voorwaarde dat
de paus een en ander binnen een jaar zou goedkeuren.
‘2 Kort daarop gaf notaris Wernerus Ghelmari
een gewaarmerkte kopie (= transsumpt) van
drie akten die allemaal de rechten van het kapittel
op de kerk van Zwolle bevestigden.13 Gezien de
datum van dit transsumpt, is het mogelijk opgesteld
om de goedkeuring van de paus voor de incorporatie
te verkrijgen. Of die pauselijke goedkeuring
inderdaad binnen een jaar gegeven is, is
onbekend. Ze ontbreekt in elk geval in het kapittelarchief.
Hesselus Heynck overleed waarschijnlijk kort
voor 14 december 1376. Op die dag ging namelijk
Henricus de Orto de Huessen, kanunnik van de
kerk te Deventer en procurator en syndicus van
de deken en het kapittel van Deventer, in appèl bij
de Heilige Stoel, omdat Regnerus van Drynen na
het overlijden van Hesselus beweerde recht te
hebben op de Zwolse kerk. Via Johannes ter
Huerne, zijn gemachtigde, had hij de inkomsten
van die kerk aan zich getrokken. Henricus ging in
appèl omdat de deken en het kapittel al sinds
mensenheugenis, dat wil zeggen meer dan zestig
jaar, het recht hadden de pastoor van de parochiekerk
te benoemen. ‘4
Een dag later verklaarde ook Ghiselbertus Sonekaert,
eveneens procurator van de deken en het
kapittel van Deventer, dat hij namens deken en
kapittel bij de Heilige Stoel in appèl ging. Hoewel
Albertus de Renen onlangs tot pastoor was benoemd,
probeerde Regnerus van Drynen zich in
het bezit te stellen van de functie van vicaris van
de kerk van Zwolle. Hij deed dat door middel van
een brief van paus Gregorius XI, waarin deze het
recht de pastoor te benoemen (= collatierecht)
toekende aan de deken Segninus de Anchana en
het aartspriesterschap van Xanten.’5
Deze brief van Gregorius XI is niet bewaard
gebleven. Wel zijn er drie andere bepalingen van
deze paus ten gunste van Regnerus. In 1371 beloofde
hij hem een beneficium (= kerkelijk ambt
waaraan inkomsten en verplichtingen verbonden
zijn), dat tot het kapittel van Deventer behoorde.
In 1373 beloofde hij hem het vicarie van Johannes
de Doper en Laurentius in de kerk van Zutphen.
Tenslotte bevestigde de paus hem op 6 februari
1377 in het bezit van de parochiekerk te Zwolle.16
De kandidaat van het Lebuïnuskapittel, Albertus
de Renen, was hiermee buitenspel gezet. Wat er
verder met hem gebeurd is, is onbekend.
Het kapittel liet het er echter niet bij zitten: op
14 mei 1377 liet het een notaris drie akten transsumeren,
waarin bepaald werd dat het kapittel de
pastoor van Zwolle mocht aanstellen.17 Het
mocht echter allemaal niet baten: de protesten
van het kapittel hadden geen succes en Regnerus
bleef tot zijn dood in 1398 functioneren als stadspastoor.
Wel ging hij in 1384 mede namens de parochiekerk
tegen het kapittel in beroep, maar het
is onbekend of dat iets met zijn benoeming had te
maken.18
Tijdens zijn ambtsperiode laaide het: conflict
over giften en begrafenisgelden met het Bethlehemklooster
weer op. Volgens Gerardus Coccius,
kroniekschrijver van het Bethlehemklooster, weigerde
Regnerus de overeenkomst tussen zijn
voorganger en het klooster te handhaven. Bethlehem
deed daarop een beroep op de paus, maar
voordat deze had gereageerd was het conflict al
opgelost door het stadsbestuur.
Behalve met het Bethlehemklooster, werd ook
met het klooster te Windesheim een overeenkomst
over de offergelden gesloten. Het klooster
zou jaarlijks een pond aan de pastoor betalen.
Daarnaast zou de pastoor de helft van de inkomsten
en offergaven krijgen, wanneer het tenminste
ging om inkomsten die hoger waren dan
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
. 1 in Overirjècl fyht: op de rechte zyde -vaadert Ys£j.,if
Caapstadt, ie fit metgoeSe muerm, en nwchtjgk van. velak • van, dmt
fyh mee/ter Sen. Proeve vmZeyfe/kr inden lacreif«$.Jen. rCt
J . ‘i 3.rMy. ;u z x v. i., ., L-.xKOU.
kant had niet alleen oog voor de literaire, maar
ook voor de marktwaarde van de door hem aangekochte
werken. Diverse werken van Feith waren
rond 1820 immers geheel of gedeeltelijk
uitverkocht. Bovendien werd duidelijk dat de
dichter niet meer lang zou leven. Een uitgave van
het volledige oeuvre in een goedkope octavo uitgave,
leek in die omstandigheden commercieel
zeer aantrekkelijk. Feith zelf zag ook zijn einde
naderbij komen — hij refereert er in zijn brieven
vaak aan – en een goedkope uitgave juichte hij
toe. Hij had zelfs al een titel voor de hele serie bedacht:
Alle de Werken van Mr. R. Feith. Ieder deel
zou een apart ‘fransch tijteltje’ moeten krijgen
met de vermelding van de inhoud van het
deeltje.6
Roet in het eten
Immerzeel kocht in vrij korte tijd veel rechten op,
maar hij kon toch niet alles bemachtigen. In 1824
was Immerzeel ‘na veel tobben, en na vele opofferingen
te hebben gedaan’ in het bezit van 23 werken
van Feith.7 Aan zijn collectie ontbraken onder
andere de rechten op de vijf delen Oden en
Gedichten. De eerste vier delen waren in handen
van Allart geweest, het vijfde deel kwam uit het
bezit van de uitgevers Bohn en Van Stegeren.8 De
vijf delen waren gezamenlijk gekocht door de
Zwolse uitgevers Hendrik Assuerus Doyer en Jan
Lodewijk Zeehuizen. Doyer was doopsgezind en
had aan de Grote Markt in Zwolle een boekenzaak.
Daarnaast was hij de Zwolse gelegenheids-
dichter bij uitstek. Van Zeehuizen is alleen
bekend dat hij uitgever was.9
Immerzeel stond voor het probleem de
rechten van beide heren te verwerven. Doyer, die
ook op het alleenrecht uit was, stond er gunstiger
voor. Hij hoefde alleen maar de rechten van Zeehuizen
op te kopen. Zeehuizen wilde zijn deel wel
verkopen, maar aan wie: Doyer of Immerzeel?
Feith en Doyer
Feith fungeerde in Zwolle als tussenpersoon van
Immerzeel. Hij moest Doyer bewegen zijn rechten
af te staan. Aanvankelijk schatte Feith de zaak optimistisch
in. Zeehuizen leek hem geen probleem,
‘maar met Doyer, die geld heeft, is het slimmer’.10
Toch leek Doyer meegaand. Feith schreef aan Immerzeel
dat hij er niet aan twijfelde dat de koop
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 45
HJBT tt*AW.’vaar_jK|iTH.. j
zou lukken. Hij voegde een brief van Doyer bij,
‘die niets bijzonders heeft, dan dat hij juist op het
idé drukt, dat gij voornemens zijt met der tijd uit
te voeren. Ik ken voor ’t overige den man niet, en
heb hem zelfs nooit hooren noemen’.”
Immerzeel vroeg Feith om met Doyer te gaan
praten. Feith wilde dat wel doen, maar hij vreesde
dat te veel druk de zaak moeilijker zou maken.12
Uiteindelijk kwam Doyer zelf naar Feith toe. Na
dat bezoek moest de schrijver het volgende teleurstellende
bericht aan Immerzeel melden: ‘Ik
geloof dat de Heer Doyer ons fijntjes gefopt heeft.
Ik dacht dat er weinig zwarigheid in zijn zou om
de kopij van de Oden van hem te krijgen, en door
zijn eersten brief aan u werd ik merkelijk in dit idé
bevestigd. Ondertusschen is het nu zeker dat hij
die rol gespeeld heeft om van Zeehuizen af te komen.
Nu hij alleen van de kopij meester is, spreekt
hij uit een geheel anderen toon. Ik had expres wat
getalmd om naar hem toetegaan om hem niet al te
happig te maken, en toen ik hem bij mijn buiten
zag komen, dacht ik eerst nu is de zaak klaar;
maar ik had deerlijk buiten den waard gerekend’.
Doyer had tijdens zijn bezoek verklaard dat hij
er lang op uit was geweest om de enige eigenaar
van de Oden en Gedichten te worden, en dat hij
het kopierecht voor geen geld meer over wilde
doen. De uitgever beloofde er zich gouden bergen
van, zo constateerde Feith. Hij schrijft dan verder:
‘Vergeefs stelde ik hem na genoeg alles voor wat
gij mij ten naasten bij in uw brief schrijft en dat
hij, een jong Boekverkooper, en in Zwolle niet
aan kon tegen een in alle opzichten bekende
Boekverkooper in Holland. Hij was niet te
verzetten en zei, dat al woonde hij te Hattem hij
alles even zoo goed kon als de beste Hollander,
dewijl hij alles in Amsterdam zou laten uitvoeren
en nu reeds een uitmuntende correspondencie
had. Enfin, er was niets tegen te doen, en eindelijk
snoerde hij mij den mond door te zeggen: Al de
schade die gij er op ziet neem ik voor mijn rekening,
en ik weet, dat gij te lang met mijn vader
verbonden zijt geweest, om het voordeel, dat ik er
in zie, mij niet te gunnen’. Wat Doyer met de
laatste toespeling bedoelde, is thans niet duidelijk.
Feith begreep het wel, want hij eindigde met de
conclusie: ‘Toen had ik uitgepraat’.13
Immerzeel en Doyer
Daarna heeft Immerzeel waarschijnlijk nog een
poging gedaan om alsnog de volledige rechten
van de Oden en Gedichten van Doyer te kopen.
Deze was echter niet te vermurwen. Ruim een
maand na de vorige brief schreef Feith aan Immerzeel
dat Doyer ‘zoo vast aan zijn plan [kleeft],
dat er maar niet aan te doen is’. En hij vervolgde:
‘Ik zei hem lagchende, dat hij in dit geval zijn geloof
niet had kunnen verzaken, maar dat hij er
menig mennisten streekje, vooral omtrent Zeehuizen,
onder had laten loopen. Hij lachte en beleed
mij, dat van ’t begin af aan zijn ware doel
geweest was om op de minst kostbare wijze van de
5 [delen] Oden alleen meester te zijn. Ik zei hem,
dat zoo ik door zijn’ eerste brief aan u niet bedrogen
was ik hem een lelijke poets had kunnen
spelen, door a tout prix van Zeehuizen zij ne helfte
te koopen, wanneer hij met de andere helfte toch
niets had kunnen uitvoeren. Juist daarom, zei hij,
hield ik mij in het begin zoo onverschillig’. ‘4
Feith was teleurgesteld over de gang van zaken.
Het speet hem het meest dat het nu na zijn
dood niet mogelijk zou zijn alle werken onder één
titel uit te geven.15
Het graf van Feith op
de Algemene Begraafplaats
aan de Meppelerstraatweg
(foto: J.P. de Koning,
gemeente Zwolle).
46 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Immerzeel legde ruim een jaar later, in 1823,
een nieuw plan aan Doyer voor. Hij stelde voor –
na de voordelen voor hen allebei breed uitgemeten
te hebben – de Oden en Gedichten op te nemen
in zijn verzamelserie van de werken van
Feith, de Dicht- en prozaïsche werken. Daarnaast
zou de mogelijkheid blijven bestaan de Oden en
Gedichten ook apart te bestellen. Wat Doyer
bewogen heeft snel toe te geven is niet duidelijk.
In ieder geval werden de heren het, na enig heen
en weer geschrijf over het kaftje en over de problemen
bij de inschrijving, vrij snel eens. De vijf
delen Oden en Gedichten werden samengevat in
drie banden en verschenen als laatste in de serie –
het laatste deel XV is een latere toevoeging.
Doyer was zo mak als een lam. Hij liet zich
volkomen door Immerzeel leiden, wiens ‘door de
ondervinding reeds beproefd oordeel’, ‘meerder
kennis’ en ‘goede raad’ hij graag wilde volgen.16
Later, in de jaren dertig van de negentiende eeuw,
publiceerde Doyer zelfs nog enige gedichten in
Immerzeels precieuze Muzenalmanak.
Tot slot
Zo lijkt de wens van Feith om een uniforme uitgave
van al zijn werken dan toch in vervulling te zijn
gegaan. Maar niets is minder waar. De Dicht- en
prozaïsche werken vormen maar een deel van
Feiths oeuvre en een uniforme uitgave van zijn
volledige werk bestaat tot op heden nog steeds
niet.
4. Brief van Feith aan Immerzeel, 28 juni 1820.
5. Idem, 11 januari 1822.
6. Idem.
7. Brief van Immerzeel aan Doyer, 16 oktober 1823.
8. H.G. ten Bruggencate, Mr. Rhijnvis Feith. Een bijdrage
tot de kennis van zijn werk en zijn persoonlijkheid
(Wageningen 1911) 245-246.
9. Genealogische gegevens over Doyer: Nederland’s
Patriciaat 30 (1944) 53; over zijn boekhandel: F.C.
Berkenvelder, Zo was Zwolle rond 1900, (Zwolle
1970) 116; B.P.M. Dongelmans, Van Alkmaar tot
Zwijndrecht. Alfabet van boekverkopers, drukkers en
uitgevers in Noord Nederland 1801-1850 (Amsterdam
1988) 210; over zijn gedichten: W.A. Elberts,
Historische wandelingen in en om Zwolle, (Zwolle
1973) 12,121,195. Zeehuizen was de zoon van bakker
Jan Lodewijk Zeehuizen en Ida Hendriks. Hij was
op 7 augustus 1777 te Zwolle geboren en stierf aldaar
op 26 juni 1830. Hij trouwde op 7 augustus
1803 met Henriette Charlotte Bourdeaux. Over zijn
boekhandel: Dongelmans, o.c, 211.
10. Brief van Feith aan Immerzeel, 11 januari 1822.
11. Ibidem, 20 februari 1822.
12. Ibidem, 9 april 1822.
13. Ibidem, 1 mei 1822.
14. Ibidem, 15 juni 1822.
15. Ibidem.
16. Brieven van Doyer aan Immerzeel, 19 oktober 1823
en 28 december 1823.
Noten
1. Deze correspondentie is aanwezig in de Koninklijke
Bibliotheek in Den Haag onder signatuur 133 C
11.
2. T. Broos, ‘”Boeken zijn zo goed als geld maar geld is
beter”. Johannes Allart (1754-1816)’, in: Spektator 9
(1979/80) 14-25. Idem, ‘Misdruk en mispunt’, in:
Spektatorn (1981/82) 212-223.
3. Uit een contract, d.d. 15 januari 1804, blijkt dat
Feith zodra hij bij Allart de kopie van zijn ‘gezangen’
inleverde – met het voorwerk tenminste niet
minder dan honderd pagina’s – 420 gulden, en
voor elke volgende 16 pagina’s meer, 40 gulden zou
ontvangen. Gemeentearchief Zwolle, Familiearchief
Feith (FA015), inv.nr. 123.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
IzakOs (1870-1943)
In joodse kring is het de gewoonte iemand bij
een feestelijke gebeurtenis toe te wensen: ‘Tot
120 jaar!’ Dit is een verwijzing naar de leeftijd
die Mozes zou hebben bereikt.
In december 1990 was het 120 jaar geleden dat
mijn grootvader Izak Os, zakenman èn socialist,
in Zwolle werd geboren. Hij heeft, net zomin als
miljoenen anderen die Mozaïsche leeftijd mogen
bereiken. Hij is, doodziek, als laatste Zwolse jood,
op 27 mei 1943 uit zijn huis in de Derk Buismanstraat
10 gehaald. Samen met zijn vrouw Lea
maakte hij de tocht naar Westerbork per ambulance.’
Hij stierfin Sobibor.
Mijn broer Igor heeft in zijn boek Van Zwolle
tot Brest-Litowsk voor opa Izak een monument
opgericht.2 Hij heeft hem beschreven en herdacht
op zijn manier. Ik kan het portret alleen nog maar
met wat feiten en herinneringen aanvullen. Izak
Os was een opa zoals elk kind zich zou wensen:
klein, oud en grijs, zijn kleinkinderen verwennend.
Het was een gauw ontroerde man die zich
het best op zijn gemak voelde als hij op straat of in
de eigen huiskamer plat-Zwols kon spreken.
Izak Os en de politiek
Zijn meest bekende politieke daad is – en hij heeft
het graag en vaak verteld – dat hij bij de oprichting
van de SDAP op 26 augustus 1894 in zaal
‘De Atlas’ op de Zwolse Ossenmarkt aanwezig
was. (De naamsovereenkomst vertelde hij er ook
altijd met glimoogjes bij!). En honderden malen
kwam dan: ‘Ik hoorde dan wel niet bij de twaalf
apostelen, maar ik was toch zeker de dertiende’.3
En of het waar is dat Troelstra bij hem heeft overnacht?
Mijn grootvader heeft het me zelf verteld
en dat mag ik dan toch niet, na zoveel jaren, in
twijfel trekken?
Al jong kwam Izak bij de socialistische beweging.
Dat was voor een beginnend zakenman toch
wel iets bijzonders. In die tijd moet hij in het
provinciale, kleinsteedse Zwolle al een vrij beken-
Wil Cornelissen
de figuur zijn geweest. De oorsprong van de later
door iedereen gekende Oom Izak is toen gelegd.
Voor oma Lea werd het wel eens teveel. Zij
had de zorg voor het gezin,4 er waren vaak financiële
problemen en steeds weer verhuizingen. (De
straten waar de familie woonde, weerspiegelen
het al of niet succes hebben in zaken.) Daarbij waren
er de vele partijgenoten die, meestal onverwachts,
langs kwamen, mee aten en bleven logeren.
Izak Os is tweeëneenhalf jaar lid van de Zwolse
gemeenteraad geweest. In familiekring is daar
wel eens goedmoedig-spottend over gepraat. Opa
zou niet zo vaak z’n mond hebben opengedaan en
hij zou nogal eens door afwezigheid geschitterd
hebben. Ik heb nu eens alle raadsverslagen van de
jaren 1919 tot en met 1922 doorgenomen en kwam
tot de conclusie dat Izak Os wel degelijk zijn
Izak Os (circa 1920).
48 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Handtekening van Izak
Os. Izak werd ook wel
geschreven als Isac of
Isaac. Zelf schreef hij
Izaak.
Briefkaart geadresseerd
aan Oom Izak. De PTT
had er weinig moeite
mee.
r r : r ‘ /
mond heeft opengedaan. Weliswaar sprak hij niet
zo vaak als Leenden Lansink of Jos Vogt, maar
toch. Bovendien bleek dat opa bij 74% van de vergaderingen
aanwezig is geweest. Dat is voor een
druk bezet zakenman een niet onaardige score.
In de tijd dat Izak in de gemeenteraad zat, was
mr. dr. LA. van Roijen burgemeester. Men vergaderde
veel: vier raadsvergaderingen per maand
waren geen uitzondering. De onderwerpen liepen
uiteen, zoals de onderwerpen ook nu nog uiteen
lopen. Izak Os sprak in die jaren, zoals Igor al memoreerde,
inderdaad over de brandweer. Hij
pleitte voor het invoeren van een acht-urige
werkdag voor het vaste brandweerpersoneel.5
Ook wilde hij graag spreken over de kermis, maar
dat lukte niet. ‘Reeds 14 maal heeft dit punt op de
agenda gestaan, maar nooit komt het in behandeling’,
klaagde hij.6
. In de notulen van de raadsvergaderingen
vond ik echter ook andere, zeer principiële standpunten.
Bij de benoeming van bestuursleden van
de gasthuizen merkten de socialisten bij monde
van Izak Os op, dat er nooit sociaal-democraten
werden voorgedragen. Indien dit zo bleef, zei hij,
zou de fractie van de SDAP met eigen kandidaten
komen. Dit dreigement werkte, want in diezelfde
vergadering werd I. Os, buiten de aanbeveling van
B&W om, benoemd tot lid van de Commissie van
Toezicht op de Bank van Leening.7 Een halfjaar
later werd, eveneens buiten de aanbeveling om,
i-T”:- •”
*.-‘>:••••
7 ‘ V .•
• – r . . – .
ds. Horreüs de Haas tot lid van het bestuur van
het Hervormd Weeshuis benoemd.8
In het jaar daarop, toen weer de benoeming
van een bestuurslid voor de gasthuizen op de
agenda stond, ‘meent dhr. Os dat in het bestuur
ook iemand zitting moet hebben, die bekend is
met de noden en behoeften van de arbeiders en
die zelf geboren is uit die groep van de bevolking,
waaruit ook de bewoners van de Gasthuizen
voortkomen’. Bovendien wilden de socialisten
een vrouw in het bestuur. Op voorstel van de heer
Os werd de aanbeveling teruggezonden naar het
bestuur met het verzoek een nieuwe voordracht in
te dienen. De burgemeester reageerde geïrriteerd.9
Ook het voorstel om marktkooplieden, die
ƒ 30,- a ƒ 40,- marktgeld moesten betalen, dit bedrag
in vier keer in plaats van in één keer te laten
betalen, kwam van zijn hand. ‘Dat bedrag is meer
dan het hele bedrijfskapitaal van sommigen hunner
bedraagt’, zo stelde hij.i0
Verder sprak hij mee over de meest uiteenlopende
onderwerpen. Hij sprak over de smeerboel
op de vrijdagse beestenmarkt en over de spoedige
verplaatsing van die veemarkt: ‘Er is voor werkloze
arbeiders weinig of niets meer te vinden.
Men zou goed werk doen door nu met het in orde
maken van het nieuwe terrein te beginnen’. Hij
sprak mee over christelijke bioscoopvoorstellingen
voor de schooljeugd, over de standplaats van
de handelaren in ijswafels en over het al of niet in
één pand verkopen van bevroren, Argentijns
vlees en inlands vlees. Ook bij de verhitte en langdurige
(en na 70 jaar vermakelijke) discussies
over het weer invoeren van de kermis roerde hij
zich. Die kermis was enige jaren eerder afgeschaft,
voornamelijk vanwege het ermee gepaard
gaande drankmisbruik. Bovendien ‘is een
kermis uit de tijd’, zo werd er gezegd. Izak Os
deed een voorstel ‘om een waardig en veredeld
volksfeest in te stellen wat alle lagen der bevolking
kan bevredigen’.”
Op 10 april 1922 nam Izak Os afscheid van de
gemeenteraad. Burgemeester Van Roijen wijdde
op die datum enkele afscheidswoorden aan het
vertrekkende raadslid de heer Os.
Jodendom
Heeft het jodendom een belangrijke rol gespeeld
in het leven van Izak Os? Jazeker. Hij was jood en
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 49
wilde dat ook zijn, al had hij zijn vrienden in veel
ruimere kring. Het viel hem soms moeilijk
grenzen te trekken. Het huwelijk van mijn ouders
(mijn vader was geen jood) heeft hij proberen tegen
te houden. Zijn verzet hielp niet en mijn geboorte
in 1928 zorgde weer voor de goede en zeer
warme familieverstandhouding.
Bekende namen op de
felicitatielijst van
5 december 1939.
Ik herinner mij het grote feest op 5 december
1939. Oma Lea en opa Izak waren 50 jaar getrouwd
en opa was die dag 45 jaar lid van de partij.
In Het Volk, in Voorwaarts en in de Zwolsche Courant
verschenen er artikelen over. De familie zong
het bruidspaar toe: ‘O, Papa, ga nog jaren naar
Palvu heen, Eekwal toch wel bekend, zoolang U
leeft strijd voor Uw ideaal, Strijd voort steeds zonder
end’12, er komen stapels post en telegrammen
en er komen veel, zéér veel vrienden en bekenden
die oma en opa nog vele goede jaren toewensen.
Vijf maanden later begon de Tweede Wereldoorlog.
Ik herinner mij nog de verschrikkelijke wond
aan zijn been (hij leed aan suikerziekte), de lucht
die er in dat kleine kamertje hing en de zorg en de
Izak Os en zijn vrouw
Lea Spits (eindjaren
’30).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Felicitatie van een partijgenoot
uit Hillegersberg
ter gelegenheid
van het feit dat Izak 45
jaar lid van de SDAP
was.
Straatnaambord in
Zwolle-Zuid in de wijk
Schellerbroek.
%y-tc/,,
liefde die zijn dochter Clara hem tot het laatst toe
gaf. Zij wilde en zij moest hem ook wel verzorgen,
verplegen en verbinden. Hulp van niet-joodse zijde
was verboden.
Eind mei 1943 werden opa en oma naar Westerbork
vervoerd. De laatste briefkaart ontving
mijn moeder op 5 juni. Een maand later heeft hij
met zijn vrouw de lange reis naar Polen moeten
maken. Ik weet niet of hij bij aankomst in Sobibor
nog leefde. Ik hoop het niet.
Ik denk nog vaak aan hem. Zeker nu er in
Zwolle een Izak Osstraat is gekomen. Maar ik
hoef daar niet doorheen te fietsen om hem weer
voor me te zien.
Vele jaren na de oorlog is er op de joodse begraafplaats
in Herfte een steen geplaatst, waarop
alle omgebrachte leden van de familie Os zijn vermeld.
Opa Izak, oma Lea en al die anderen…
* Dit artikel verscheen eerder in het PvdA-blad, afdeling
Zwolle, december 1990.
Noten
1. De N.V. grafkisten- en meubelfabriek v/h fa. H. van
Breemen, afd. ziekenvervoer, kreeg er later van de
gemeente Zwolle het bedrag van ƒ 70,- voor. Zie:
Iet Vierstraete-Erdtsieck, De Jodenvervolging in
Zwolle; geschiedenis van de Joden te Zwolle tussen
1933 en 1946. (Wezep, 1985).
2. Igor Cornelissen, Van Zwolle tot Brest-Litowsk.
(Amsterdam, 1983).
3. De twaalf oprichters van de SDAP werden
spottend de twaalf apostelen genoemd. Later werd
het een erenaam.
4. Het gezin van Izak Os en Lea Spits bestond uit:
Abraham (1890, na 3 weken overleden), Marianne
(1891), Jochem (1893), Clara (1895), Rika (1897) en
Truus (1899; mijn moeder).
5. Raadsvergadering 8.11.1920, Gemeentearchief
Zwolle.
6. ibidem. 30.12.1920.
7. ibidem. 19.1.1920.
8. ibidem. 28.6.1920.
9. ibidem. 25.1.1921.
10. ibidem. 20.12.1920.
11. ibidem. 23.2.1920; 21.2.1921; 14.3.1921; 20.6.1921;
18.7.1921 en 18.4.1921.
12. ‘PALVU’ (= Proletariërs Aller Landen Verenigt U),
destijds het eigen partijgebouw van de Zwolse
SDAP op de Eekwal 29.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Een bijzonder voorwerp in het POM
Onlangs liet Boudewijn Büch in zijn programma
over de eilanden in de Indische
Oceaan, enkele grote noten met een
vreemde vorm zien, die daar als souvenir werden
verkocht. Het betrof de zogenaamde Seychellennoot,
die nu voor de toeristen in de winkels ligt,
maar die in de zestiende en zeventiende eeuw als
een kostbare en exotische noot gold.
Zo’n exotische noot bevindt zich sinds de Geschiedkundig-
Overijsselsche Tentoonstelling van
1882 in het POM.
Voordat ik inga op het voorwerp zelf, volgt
hier eerst iets over de herkomst en het gebruik van
deze noten.
Oorspronkelijk heette de noot Maledivische
noot, genoemd naar de Malediven waar de vruchten
aanspoelden. Daarom dacht men aanvankelijk
dat ze in zee groeiden. Op de Malediven kwamen
de noten soms in bezit van Nederlanders of
Portugezen, die de eilanden aandeden op hun reis
naar Indië.
Een noot kan 10 tot 15 kg zwaar worden. Zij
bestaat uit twee ovale delen met aan één kant een
insnoering tot de helft van de hoogte. Vaak werden
de noten in tweeën gedeeld, waardoor twee
schuitachtige vormen ontstonden.
De Seychellennoot is de vrucht van de Lodoicea
seychellorum, een palm die alleen op de Seychellen
voorkomt en die 20 tot 30 meter hoog kan
worden.
Seychellennoten waren tot ver in de achttiende
eeuw uiterst zeldzaam en derhalve zeer kostbaar.
De Habsburgse Keizer Rudolf II zou in het
begin van de zeventiende eeuw ƒ 4.000,- betaald
hebben voor een noot.
Niet alleen vanwege de zeldzaamheid waren ze
zo prijzig, maar ook werden er bijzondere krachten
aan toegeschreven. Carolus Clusius haalt de
Portugese arts Garcia da Orta aan, die schrijft dat
velen geloven dat een zieke geneest wanneer hij
water drinkt dat enige tijd in een dergelijke noot
heeft gestaan. Ook wordt in de zestiende en
zeventiende eeuw vermeld, dat iemand met gif in
zijn lichaam door deze noot voor de dood wordt
behoed. Nog in 1769 schrijft de kruidenkundige
Rumphius dat de noot vooral geschikt is bij vergiftiging
door arsenicum. Aan het eind van de
eeuw echter werd met dit bijgeloof afgerekend. In
het grote woordenboek van Noël Chomel staat
dan: ‘dat derzelven tegengiftige kragt voornamelijk
in de inbeelding bestaat’.
Toen de Fransen de vruchten in 1769 op de
Seychellen ontdekten, kwamen ze in groten getale
in de handel. Dit veroorzaakte een scherpe prijsdaling.
Seychellennoten, gevat in zilver, behoorden
tot de voorwerpen die in kunst- en rariteitenkabinetten
in de zestiende en zeventiende eeuw voorkwamen.
Hiertoe behoorden ook de iets minder
zeldzame kokosnoten en nautilusbekers, evenals
bijzondere schelpen, koralen e.d.
Het aantal Seychellennoten dat in de zeventiende
eeuw Europa bereikte was zeer klein. Ongeveer
tien exemplaren zijn bekend. Het voorwerp
in het POM is hiervan het enige in Nederland.
Het is een halve noot, als drinkschaal, met een
gladde zilveren band langs de rand en over de
noot naar de stam van de voet. De zilveren stam
wordt gevormd door een Bacchusfiguurtje, zittend
op een vat, en met in de rechterhand een
drinkschaal. De linkerhand is omhoog geheven.
Misschien hield hij daarin een nu ontbrekende
druiventros vast. Ook in de rechtervoet en achter
het vat zijn kleine openingen waarin mogelijk een
ornament heeft gezeten.
De versiering van de ronde voet bestaat uit
vier dolfijnen of zeemonsters, omgeven door water.
Waarschijnlijk heeft op de noot een deksel gezeten.
De noot is aan de buitenzijde onbewerkt,
de binnenkant is gelakt.
Lydie van Dijk
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Drinkschaal, gemaakt
van Seychellennoot
(foto: Provinciaal
Overijssels Museum).
Aan de onderzijde van de voetrand zijn drie
merken geslagen, de jaarletter (1659), het stadswapen
van Zwolle en een onleesbaar meesterteken.
Het stuk behoort tot de bruiklenen van de gemeente
Zwolle aan het POM en was, zoals reeds
gezegd, voor het eerst te zien op de Geschiedkundig-
Overijsselsche Tentoonstelling in 1882.
Aanvankelijk dacht men dat het om een beker
van het klompenmakersgilde ging. Waarschijnlijk
was deze opvatting gebaseerd op de vorm van de
noot. In Zwolle heeft echter nooit een dergelijk
gilde bestaan. Daarna vermoedde men dat de beker
eigendom van het tappers- en wijndragersgilde
geweest was, uitgaande van de vorm van de
stam. Van dit gilde zijn echter geen archivalia
bewaard, noch verwijst enige inscriptie op de beker
naar dit gilde.
In de stadsrekeningen van de gemeente Zwolle
over 1659 is de herkomst van deze beker waarschijnlijk
wel te traceren. In 1659, dus het jaar
waarin het zilverbeslag vervaardigd is, wordt een
met zilver beslagen ‘noete muskaet’ vermeld.
Deze muskaatnoot was door overste Schirk aan
de stad geschonken, samen met een hoorn die
eveneens voorzien was van zilverbeslag.
Dat deze, ‘noete muskaet’ dezelfde is als de
Seychellennoot, is om een aantal redenen aannemelijk.
Ten eerste kende men in 1659 de juiste
naam van de noot niet, en ten tweede was een
muskaatnoot niet zeldzaam en bovendien klein.
De stad zou voor zo’n kleine noot nooit aan de
meid van de overste enkele guldens voor het
geschenk hebben gegeven. Bovendien maakt de
stadsschrijver melding van twee ‘rariteyten’.
De Seychellennoten die eind zestiende en
zeventiende eeuw naar Europa kwamen, zijn veelal
in rariteitenkabinetten terecht gekomen. Over
dit onderwerp begint eind juni in het Amsterdams
Historisch Museum een tentoonstelling
met de titel ‘De wereld binnen handbereik, Kunsten
Rariteitenkabinetten in de Gouden Eeuw’. De
beker uit het POM zal daar ook te zien zijn.
Literatuur
B. Dubbe, ‘Gildebeker of rariteit?’ in: Antiek (1970), 27-
32-
R. Fritz, ‘Kokosnootbokalen, vervaardigd in de Nederlanden
van de 15de tot de 18de eeuw’ in: Antiek
(i979). 673-732-
R. Fritz, Die Gefasse aus Kokosnuss in Mitteleuropa,
1250-1800 (Mainz 1983).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 53
Straatnamen, niet zo eenvoudig,
Klein Weezenland
Op 26 januari 1933 werd in een speciale
raadsvergadering afscheid genomen van
mr. dr. LA. van Roijen, die ruim 35 jaar
burgemeester van Zwolle was geweest. De raad
kwam, bij monde van wethouder R.J.J.M. Teilegen,
met een aardig afscheidsgeschenk. De Wilhelminasingel
zou van naam worden veranderd en in
de toekomst Burgemeester van Roijensingel gaan
heten. De scheidende burgemeester was hierdoor
zeer verrast en apprecieerde dit denkbeeld buitengewoon.
Hij sprak de hoop uit dat de raad dit voorstel
zou aannemen.
In de daaropvolgende raadsvergadering van 6
februari, dus nog geen twee weken later, kwam er
echter een ander voorstel op tafel. De fungerende
voorzitter deed na overleg met alle fractievoorzitters
het voorstel om niet de Wilhelminasingel,
maar het Klein Weezenland te vernoemen naar de
oud-burgemeester!
Wat was er in de tussentijd gebeurd? We kunnen
het gedeeltelijk nagaan aan de hand van de
ingezonden brieven in de Zwolse Courant. Het
vermoeden bestaat dat men achteraf terugschrok
voor het idee om de Wilhelminasingel van zijn
naam te ontdoen. Getuigde dat wel van eerbied
tegenover de regerende vorstin? Het idee was leuk
geweest, maar nu begon men toch te aarzelen.
In de elf dagen die tussen de beide vergaderingen
lagen, zijn er veel voorstellen gedaan. Omgedoopt
zou kunnen worden de Potgietersingel (de
Van Roijenbank stond daar al), de Veerallee (de
historische naam was na de bouw van de IJsselbrug
toch verouderd), de Zeven Alleetjes en de
Terborchstraat (Terborch zou dan in de schildersbuurt,
die toen gebouwd werd, vernoemd
kunnen worden).
Mr. D. Sanders deed in een ingezonden brief
het voorstel om het Klein Weezenland (van
Nieuwe Havenbrug tot Sassenpoortenbrug) tot
Burgemeester van Roijensingel om te dopen. Of
dit de raad op een idee heeft gebracht, weet ik
Wil Cornelissen
Klein Weezenland ca.
1900, sinds 1933 Burgemeester
van Roijensingel
genaamd
(gemeen tea rch ief
Zwolle, foto: J.P. de
Koning).
Jf/ein Weezenlani.
54 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
niet. Een feit is dat op 6 februari 1933 het cadeau
voor de oud-burgemeester werd gewijzigd: zonder
hoofdelijke stemming werd de toestand zoals
die ook nu nog bestaat. De burgemeester moest
wijken voor de koningin.
Spinhuiswal
De naamsverandering van de Spinhuiswal in
Menno van Coehoornsingel heeft een wat merkwaardige
achtergrond.
De Spinhuiswal dankte zijn naam aan de
gevangenis die vroeger werd aangeduid als tuchthuis
of spinhuis, en in 1739 werd gebouwd. Dit
jaartal staat nog altijd te lezen boven de toegangspoort.
Het huidige Flevogebouw was tot 1934 ambachtsschool.
In 1941 werd de oude school bestemd
voor de Rijksdienst Wieringermeerdirectie,
later Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders,
nog later Flevopolders. Daar is dan ook de naam
‘Flevogebouw’, die thans op de gevel prijkt, van
afkomstig.
Nu vond men het in 1941 ongepast (destijds
werd gezegd: ‘minder welluidend’), dat het correspondentieadres
van die Rijksdienst zou luiden:
Spinhuiswal.
Volgens het rapport van de gemeentearchivaris
was Spinhuiswal ook niet de oorspronkelijke
naam. Dat was Friesche Wal. Via de wat kronkelige
redenering dat Menno van Coehoorn een Fries
was, kreeg op 26 september 1941 de Spinhuiswal
de nieuwe naam Menno van Coehoornsingel, die
nog steeds de verbinding vormt tussen de Diezerpoortenplas
en het Assiesplein.
Koewegje
In het verleden stelde de gemeenteraad straatnamen
vast. Dat kon nog wel eens tot aardige discussies
leiden.
In augustus 1923 kwam er een verzoek van
bewoners en toekomstige bewoners om het Koewegje
in het vervolg Brinkstraat of Bagijnestraat
te noemen.
Bij de behandeling van deze kwestie, tijdens
de gemeenteraadsvergaderingen van 20 augustus
en 24 september 1923, werd het voorstel van B&W
om de naam Koewegje nu officieel vast te leggen,
nogal bekritiseerd. Het verzoek van de bewoners
kreeg steun van de heer Cromme. Een mooie
uitspraak van hem staat in de notulen: ‘Hij is
altijd genegen aan dergelijke kleine verzoeken uit
de burgerij te voldoen, als het geen kosten met
zich brengt.’
De voorzitter, burgemeester I.A. van Roijen,
voerde ter verdediging aan dat de naam Koewegje
historisch verantwoord was: ‘Er was een tijd, dat
dit deel van de stad buiten de bebouwde kom lag
en dat daarlangs de koeien gevoerd werden.’
De heer Vogt interrumpeerde schertsenderwijs
dat hij altijd had gedacht dat dat was omdat
daar oude koeien uit de sloot gehaald werden!
Na een stemming (twaalf tegen acht stemmen)
werd de naam Koewegje officieel vastgesteld.
In de volgende raadsvergadering kwam men
echter op dit besluit terug en vond er weer een
lange discussie plaats. De heer Lindeboom stelde
dat het een straat was waar nette woningen stonden.
Hij ondersteunde het verzoek van de bewoners
om de straat Brinkstraat of Bagijnestraat te
noemen. De heer Van Vlaardingen vertolkte de
mening (en dat kan wel eens de belangrijkste reden
zijn geweest voor het verzoek) ‘dat een brief
geadresseerd Koewegje zo ordinair staat. De
adressanten vragen om een fatsoenlijke naam
voor hun straat’, en hij wilde dat ondersteunen.
Nu kwam er nog een nieuw argument op tafel.
Het verhaal van de burgemeester, dat vroeger
de koeien hier langs werden geleid, bleek niet
waar te zijn. Die beesten werden langs het Blekerswegje
gevoerd en de naam Koewegje bestond
toen niet. De straat werd toen ‘Achter de planken’
genoemd.
In een nieuw voorstel werd gesuggereerd de
straat de naam Oosterkerkstraat te geven. De burgemeester
was in deze vergadering niet aanwezig.
Er werd nog op gewezen ‘dat het toch niet zo
fatsoenlijk was om nu al weer op het vorige besluit
terug te komen. Raadslid Augusteijn had een
wijs advies: ‘Laten wij in de geest van den Burgemeester
handelen, door de naam Koewegje te behouden.’
En zo geschiedde het ook. Met vijftien stemmen
tegen negen, bleef de naam Koewegje bestaan.
Het vormt nog steeds de verbinding tussen
de Brink en de Turfmarkt.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 55
Literatuur
Nieuwe boeken
W. Coster en R.B.J. Oosterveld, Volksuniversiteit
Zwolle; vijfenzeventig jaar onderwijs en cultuur
voor volwassenen. Zwolle (Coster Pers) 1992.
B.J. Kam, Capita selecta,capita occidorum; doodstraffen
in Zwolle van Columbus tot Napoleon.
Zwolle (Geert Grote) 1992.
‘Het openluchtbad’ in: Informatieblad monumentenzorg
en archeologie in Zwolle. Zwolle
(gemeente Zwolle, sector stadsontwikkeling)
1992.
Janna van der Waarde, ‘Eb ie ze ook nog ‘ekend?
Zwolle (Waanders) 1991.
Zwolse veraelties met tekeningen van Teun
van der Veen.
H.C.J. Wullink, ‘Een instructie voor de organist
van de Bethlehemse kerk te Zwolle’, in: de
Mixtuur, nr. 70 (1992).
Over de Zwolse organist Albert Hempenius
(1813-1880).
F.D. Zeiler, Door de klanken der muziek vereend.
Muziekleven in Overijssel 1740-1810. Zwolle
(Tentoonstellingsdienst Overijssel) 1991.
Brochure uitgebracht bij een reizende tentoonstelling.
F.D. Zeiler, Het rentambt Windesheim, 1585-1805
en ‘De Bourschap Winshem’. Kampen (IJsselakademie)
1992.
Kwartierstatenboek
De afdeling West-Overijssel van de Nederlandse
Genealogische Vereniging hoopt in het najaar tot
de uitgave van een Kwartierstatenboek te komen.
In deze fraai verzorgde uitgave zijn onder de
titel’Boeren, burgers en buitenlui’ 50 kwartierstaten
opgenomen die grotendeels betrekking
hebben op het gebied van de afdeling, te weten
West-Overijssel, Salland, het Land van Vollenhove
en de kop van de Veluwe. Het boek is de
eerste publikatie van deze omvang met betrekking
tot dit gebied en bevat duizenden familienamen.
Het werk telt 120 pagina’s op liggend A-4 formaat.
Een lijst van inzenders, alsmede een lijst van
intekenaren zal worden opgenomen. Het boek
wordt afgesloten met een alfabetisch-lexicografisch
naamregister.
Op enkele uitzonderingen na, zijn in alle
kwartierstaten 31 kwartieren met volledige gegevens
betreffende geboorte, huwelijk en overlijden
opgenomen, plus de naam van de ouders van
de vijfde generatie. Ongeveer de helft van de
kwartierstaten wordt gevolgd door een lijst met
vervolgkwartieren. Het hoogst opgevoerde kwartiernummer
is 14.158.848!
Om zo goed mogelijk zicht te krijgen op de
vraag naar dit boek, en dus naar de gewenste oplage,
heeft de afdeling besloten tot het openen van
een voorintekening. De voorintekenprijs is
ƒ 37,50. Wilt u de uitgave toegezonden hebben dan
komt daar ƒ5,- portokosten bij.
U kunt intekenen door overmaking van ƒ 37,50
per exemplaar (eventueel vermeerderd met portokosten)
op postbankrekeningnummer 39 13 760
ten name van penningmeester NGv-afdeling
West-Overijssel, Hortensiastraat 11,8013 AA Zwolle,
onder vermelding van ‘kwartierstatenboek’.
Daar de oplage gerelateerd zal zijn aan het
resultaat van deze voorintekening, is het voor gegadigden
belangrijk om hieraan deel te nemen.
Alledaagse Dingen
Onlangs is het eerste nummer verschenen van Alledaagse
Dingen, een nieuw tijdschrift voor iedereen
die op de hoogte wil blijven van wat er in Nederland
gaande is op het gebied van (de geschiedenis
van) het dagelijkse leven. Het tijdschrift
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
richt zich op een breed publiek. Op een gedegen
en tegelijk aantrekkelijke manier wordt ingegaan
op allerlei onderwerpen betreffende de volks- en
streekcultuur. Ook geeft het een overzicht van interessante
activiteiten op dit terrein.
Alledaagse Dingen is bestemd voor leden van
verenigingen, professionals, amateurs en alle andere
geïnteresseerden op het gebied van de volkscultuur.
Het wil een zo volledig mogelijk overzicht
geven van wat er in Nederland leeft op dit
terrein.
Alledaagse Dingen is een uitgave van het Nederlands
Centrum voor Volkscultuur. Het is rijk
geïllustreerd en verschijnt acht maal per jaar.
U kunt een gratis proefnummer bestellen
door ƒ 3,- aan postzegels (voor de portokosten) te
sturen naar: Nederlands Centrum voor Volkscultuur,
Lucasbolwerk n, 3512 EH Utrecht.
Voor meer informatie: tel.030-319997.
Agenda
Tentoonstellingen in het Provinciaal
Overijssels Museum
t/m 14 juni
DROSTENHUIS: Als de dag van gisteren. Sport in
Zwolle.
GOUDEN KROON: Het Overijssels(e) Landschap.
Een tentoonstelling in het kader van het 60 jarig
bestaan van Het Overijssels Landschap. Door
middel van schilderijen, tekeningen en foto’s
wordt het landschapsonderhoud van vroeger en
nu toegelicht.
20 juni -13 augustus
DROSTENHUIS: Antonie Daniel Prudhomme,
1745-1826. Tekeningen en schilderijen van deze
Zwolse kunstenaar die onder andere enkele jaren
op de Amsterdamse tekenakademie naar model
tekende.
GOUDEN KROON: Kruiden
14 – 22 augustus
GOUDEN KROON: Kermistentoonstelling, dit keer
rond het thema ‘illusie’.
Mededelingen
Oproep
De heer Ehrhardt uit Leeuwarden is op zoek naar
de negentiende eeuwse archieven van de rederij
Doyer en Kalff.
Wie op de hoogte is van de verblijfplaats van
deze archieven wordt verzocht contact op te nemen
met:
Hein Ehrhardt
De Bird 104
8918 GA Leeuwarden
tel. 058-662128.
Steden des Tijds
Op zaterdag 13 juni j.1. is Teleac opnieuw gestart
met de serie ‘Steden des Tijds, historische stadstypen
in de Nederlanden’. Deze serie is in het najaar
van 1990 voor de eerste keer uitgezonden.
In deze serie staan tien steden centraal. Bij elk
van die tien steden is telkens een bepaalde omstandigheid
aan te wijzen, die heeft geleid tot een
spectaculaire ontwikkeling en bloei. Zeven Nederlandse
en drie Belgische steden worden op
deze manier belicht.
De serie bestaat uit tien televisie- en tien radioprogramma’s,
een cursusboek en een wandelgids.
De verschillende stadstypen worden in het boek
beschreven aan de hand van de stadsgeschiedenissen.
De ontwikkeling van de stad wordt tot ongeveer
1800 behandeld. Er is veel aandacht besteed
aan het dagelijks leven in de steden.
De televisielessen volgen de hoofdstukken in
het boek. In de radioprogramma’s ligt het accent
juist op de ontwikkelingen in de negentiende en
twintigste eeuw. Ook besteedt de radio uitgebreid
aandacht aan de plaatselijke archieven.
Voor meer informatie kunt u tijdens kantooruren
contact opnemen met het Teleac-informatienummer:
030-946946.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 57
Personalia Colofon
Wil Cornelissen (1928) was werkzaam bij het onderwijs.
drs. Lydie van Dijk is als kunsthistorica verbonden
aan het Provinciaal Overijssels Museum.
D. Hogenkamp (1949) is arbeidsdeskundige bij
de Gemeenschappelijke Medische Dienst. Hij
is verknocht aan Zwolle en geeft regelmatig
diavoorstellingen over oud en nieuw Zwolle.
drs. J.C. Streng (1945) was enige jaren werkzaam
in het bedrijfsleven en ging daarna geschiedenis
studeren; eerst aan de Noordelijke Leergangen
te Zwolle en vervolgens aan de Rijks
Universiteit Groningen. In 1986 legde hij zijn
doctoraalexamen geschiedenis af en twee jaar
later het doctoraal kunstgeschiedenis. Thans
is hij werkzaam als free-lance historicus.
drs. Ingrid Wormgoor (1956) studeerde geschiedenis
aan de Rijks Universiteit te Groningen.
Momenteel werkt zij als museumconsulent bij
de Culturele Raad Overijssel.
Het Zwols Historisch Tijdschrift is een uitgave van de
Zwolse Historische Vereniging en verschijnt vier maal
per jaar. Leden van de vereniging krijgen het tijdschrift
gratis toegezonden.
Bestuur Zwolse Historische Vereniging
J. Hagedoorn, voorzitter
Tyassenbelt 28, 8014 NW Zwolle
E. Tijssen, secretaris
David Spanjarstraat 4, 8017 DD Zwolle
H. Brassien, penningmeester
Thorbeckegracht 3c 8011 VL Zwolle
A. Bootsma-van Hulten, BJ. Kam, R.T. Oost,
I. Wormgoor, leden
Secretariaat/ledenadministratie
Postbus 1448, 8001 BK Zwolle, telefoon: 038-223214
Financiën: girorekening Postbank: 5570775 t.n.v.
Zwolse Historische Vereniging
Tarieven lidmaatschap:
65+ (wonend binnen Zwolle), jeugdleden
en studenten ƒ 25,00/jaar
overige leden ƒ 35,00/jaar
huisleden ƒ 7,50/jaar
Redactie Zwols Historisch Tijdschrift
W. Cornelissen, J.H. Drentje, H. Halbertsma,
J. ten Hove, W.A. Huijsmans, M. van der Laan,
I. Wormgoor.
Adviseur: N. Lettinck
Redactie-adres: Westerstraat 17, 8011 CD Zwolle
Vormgeving: Rob van den Elzen bNO
Druk: Hoekman Genemuiden
ISSN 0926-7476 © Zwolse Historische Vereniging
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/
of openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopie,
microfilm of op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de uitgever.