
.’ ••f S
SA’
X..
W01S
Historisch
,y. ‘y.
1
G 1 9 9 3 NUMMER 3 P R I J S
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Zwolle vroeger en nu
D. Hogenkamp
Staande achter de Noorderkerk kijken we op
deze omstreeks 1965 vervaardigde foto naar
de Assiesstraat. Helemaal rechts is de gevangenis
te zien. Het grote gebouw in het midden van
het beeld is de voormalige gemeentelijke bewaar-,
brei- en naaischool. Deze in 1886 geopende instelling
was een opvolger van de school van de stadsarmeninrichting.
De school werd bezocht door
kinderen ‘van den stand der armen’ en was
bedoeld om hen door arbeid en onderwijs ‘op te
beuren’. Soms diende het door stadsarchitect J.L.
van Essen ontworpen pand voor andere doeleinden.
Zo waren er in de Eerste Wereldoorlog vluchtelingen
uit Noord-Frankrijk gehuisvest.
De bewaarschool verdween per 1 januari 1935.
Vanwege de slechte financiële situatie van de
gemeente werd het openbaar kleuteronderwijs op
die dag opgeheven. Acht leerkrachten van de
school aan het Assiesplein kregen ontslag. De
naaischool bleef echter bestaan, zodat dochters uit
arbeidersgezinnen de gelegenheid kregen ‘om zich
te bekwamen voor de taak waarvoor het meisje
zich later in het huishouden gesteld ziet’. Jarenlang
was mej. M. Smit er hoofd. Onder haar leiding
hebben duizenden Zwolse meisjes hun kennis
van ‘naald en draad’ verkregen. Door veranderingen
op onderwijsgebied verliep de naaischool,
die op 1 augustus 1954 ophield te bestaan. Het
gebouw bood daarna nog onderdak aan andere
vormen van onderwijs, maar voldeed al snel niet
meer. In verband met sanering en de aanleg van
het Noorder-eiland werd het pand in 1974 afgebroken.
Vandaar de open plek. Op de achtergrond
is de aanbouw te zien aan de vroegere Ambachtsschool,
nu gebouw Flevo.
Boven: De gemeentelijke bewaar-, brei- en naaischool
omstreeks 1965.
Onder: De huidige situatie op dezelfde plaats,
(foto’s: D. Hogenkamp).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Redactioneel Inhoud
In dit nummer van het Zwols Historisch Tijdschrift
gaat veel aandacht uit naar prominente
personen. J.C. Streng behandelt de Vrolijke
Zangnijmf, een gelegenheidsgedicht van de amateur-
poëet Gerrit van der Horst. Hij schreef dit
werk ter gelegenheid van de verkiezing van Bernard
Huete tot Zwols magistraat in het begin van
de achttiende eeuw. Deze medicus had zich in het
stadsbestuur ingekocht, maar dat weerhield Van
der Horst er niet van zijn uitverkiezing in bloemrijke
taal te verheerlijken. De daarbij zonder enige
schroom gebruikte verwijzingen naar de klassieke
oudheid zijn typerend voor deze tijd.
Ook in de negentiende eeuw was ronkende taal
een geliefd medium om het doen en laten van
hoogwaardigheidsbekleders te beschrijven. De
plaatselijke krant besteedde uiteraard veel aandacht
aan het bezoek dat koning Willem III in
1862 aan de stad bracht. Het artikel van G. van der
Horst – geen familie van de dichter – maakt duidelijk
dat daarbij hoogdravende taal allerminst
werd geschuwd.
In twee artikelen over de bewoningsgeschiedenis
van luisterrijke panden komen andere vooraanstaande
lieden aan bod. J. Erdtsieck beschrijft
de historie van Kamperstraat 10, dat aanvankelijk
dienst deed als statig woonhuis. Tegenwoordig is
het kerkelijk bureau van de Hervormde Gemeente
erin gevestigd. Dit pand is gelukkig nog altijd te
bewonderen. Dat is niet het geval bij de buitenplaats
IJsselvliet, die aan de IJsseldijk in de buurt
van de Katerveersluizen lag. W.A. Huijsmans gaat
in op de geschedenis van dit pand, dat om onduidelijke
redenen in 1869 werd gesloopt.
H. Verwey-Jonker haalt herinneringen op aan
haar jeugd in Zwolle. Sfeervol weet zij de stad van
haar kinderjaren te beschrijven.En dat er in de
loop der tijd veel verandert, laat D. Hogenkamp
wederom zien.
Zwolle vroeger en nu D. Hogenkamp
Gerrit van der Horsts ‘Vrolijke zangnijmf J.C. Streng
Koninklijk bezoek: Willem III in Zwolle Gert van der Horst
De bewoningsgeschiedenis van Kamperstraat 10 J. Erdtsieck
IJsselvliet, een verdwenen buitenplaats Wim Huijsmans
Een jeugd in Zwolle Hilda Verwey-Jonker
Schilderijen van het POM gaan naar Japan, de dichter-predikant
Johannes Vollenhove Lydie van Dijk
Literatuur
Agenda
Auteurs
70
72
76
81
99
101
102
103
Omslag: Het Katerveer naar een tekening van Co Bremer, 1923 (fragment).
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Gerrit van der Horsts ‘Vrolijke zangnijmf’
J.C. Streng
Titelpagina van het
enige gepubliceerde
werk van Van der
Horst: Overijssels oog,
of Zwol verheerlijckt.
Gelegenheidsgedichten zijn geen geliefd
leesvoer. Ze irriteren de tegenwoordige
lezer door de vaak onbeschaamde hielenlikkerij,
de talloze clichés en de matige poëtische
kwaliteiten. Voor een historicus valt er echter veel
interessants uit te halen. Vooral in de voor bruiloften
en begrafenissen geschreven poëzie komt
immers duidelijk tot uitdrukking wat mensen in
het verleden van belang achtten en wat ze de
moeite waard vonden eindeloos te herhalen. Het
is dan ook waardevol zo’n ontboezeming nader te
bekijken, zeker als de moed niet bij voorbaat ontnomen
wordt door de lengte van het werk en het
een niet al te alledaags onderwerp behandelt. De
Vrolijke Zangnijmf, dat de Zwolse poëet Gerrit van
der Horst schreef naar aanleiding van de verkiezing
van Bernard Huete tot Zwols magistraat, voldoet
aan beide uitgangspunten. Het gaat hierbij
om een tot nog toe onbekend en wel haast zeker
alleen in handschrift bewaard gebleven gedicht.1
De dichter
Gerrit van der Horst was het vijfde kind uit een
gezin van zes kinderen. Hij werd op 14 februari
1693 te Zwolle gedoopt. Zijn vader, Peter van der
Horst, was afkomstig uit Elburg en had in 1684 het
Zwolse burgerrecht verkregen. In hetzelfde jaar
huwde hij Aleida van Lettelen. Peter onderhield
zijn gezin als chirurgijn. Tussen 1702 en 1706
bezocht Gerrit de Latijnse school in Zwolle, waar
hij een niet onverdienstelijk leerling was. Als beloning
voor zijn resultaten ontving hij driemaal een
boek. Gerrit deed belijdenis in september 1712 en
woonde toen aan de Korenmarkt.2 In 1716 werd hij
leraar aan de Zwolse Latijnse school.
Omstreeks deze tijd begon hij met zijn bescheiden
poëtische activiteiten. Vier jaar later
debuteerde hij met zijn zwanezang, want zijn lange
gedicht op Zwolle, Overijssels oog, of Zwol verheerlijkt,
en schetswijze beschout, in zijn aiouden en
tegenwoordigen stand: beschreven in Nederduits
heldendigt, was tevens zijn laatste. Dit ene gedicht,
leverde hem toch een plaats op in het Nieuw
Nederlands Biografisch Woordenboek (deel 8, 850),
waar overigens de lange titel van het gedicht de
helft van de tekst inneemt. Op 26 september 1723
vertrok hij naar Den Haag, waarmee hij uit de
Zwolse geschiedenis verdween.3
Van der Horst was geen groot poëet, en zijn
ongelukkige manier van uitdrukken is soms onbedoeld
humoristisch. Want wat te denken van in de
Vrolijke Zangnijmf Voorkomende termen als een
ZWOL YËï(HEERLYKT
En Schets-wyze befcKout, in zyn Al-
.,,;•/&’•.•• ouden en tegenwoordigen fta.nd:
‘”• •”: Befchreveii in Nederduits Heldendigt.
D O O R :
G E R R I T V A N P E R ; H . Ö R S T . ; l
ByB, HAK VOORD, Boekverkoper, aan de Koorn-Markr,
Anno 1710. • .’ .
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 73
‘wapperende zee’, ’tuimelende baren’ en ‘waglend
leven’? Heeft hij ingezien dat het hem aan dichterlijk
talent ontbrak en is het daarom bij het ene
gedrukte werk gebleven? Onmogelijk is het niet,
want in het voorwoord van het Overijssels oog
klaagde hij dat het hem in Zwolle aan deskundige
leiding ontbrak en bood hij de lezer bij voorbaat
zijn excuses aan voor eventuele fouten. Blijkbaar
heeft hij die leiding elders evenmin gevonden.
De gebroeders Huete
De in de Vrolijke Zangnijmf genoemde broers Bernard
en Theodorus Huete behoorden tot de Zwolse
regenten. Theodorus was doctor in de rechten,
advocaat, advocaat-fiscaal van de provincie en
tussen 1675-1677 en 1705-1712 magistraat van Zwolle.
Bernard was doctor in de medicijnen, fungeerde
tussen 1690 en 1712 als stadsmedicus, was
meensman en werd in 1718 tot magistraat gekozen.
Drie jaar na deze verkiezing overleed hij. Bernard
maakte door het verstrekken van een kapitaal op
gunstige voorwaarden, de bouw van het grote
Schnitger-orgel in de Michaëlskerk mogelijk,
Theodorus mocht in de eer delen.4 Kam twijfelde
nog of Bernard Huete zich met dit royale gebaar in
de magistraat inkocht, voor tijdgenoten was dat
duidelijk. De regent Arnoldus Gelderman noteerde
dat de toegang van Bernard tot de magistraat
één van de voorwaarden van de financiering was.5
Dat er in die tijd enige penningen werden neergeteld
om een ambt te verwerven was vrij normaal,
maar dat dat geld zo goed werd besteed als in dit
geval is zéér zeldzaam.
Christelijk en klassiek
Tot de standaardopleiding van achttiende-eeuwse
regenten behoorde het doorlopen van de Latijnse
school. Zij waren behalve vertrouwd met de Bijbel
dan ook goed thuis in de klassieke oudheid en het
humanisme. Het was daarom heel gangbaar dat in
de literatuur christelijke en klassieke elementen
naast elkaar werden gebruikt. Pas op het eind van
de achttiende eeuw ontstond tegen dit gebruik
Links: Het Schnitgerorgel
in de Grote Kerk.
Onder: Met de Korenmarkt
werd – gezien
vanaf de Grote Markt –
het eerste gedeelte van
de Melkmarkt aangeduid.
Gerrit van der
Horst woonde in het
huis dat stond op de
plek waar nu de zijingang
van De Harmonie
is.
verzet; onder andere door Rhijnvis Feith die alle
heidense elementen uit de poëzie wenste te bannen.
Gerrit van der Horst combineerde in de Vrolijke
zangnijmf nog onbekommerd christelijke en
klassieke elementen. Voor de gefêteerden en de
74 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Negentiende-eeuwse
tekening van de schepenzaal
in het stadhuis
van Kampen met de
door Colijn de Nole vervaardigde
schouw
(foto: Rijksarchief in
Overijssel).
lezers van het gedicht waren deze geleerde referenties
een indirect compliment aan hun eruditie.
Het samengaan van beide componenten berustte
op een traditie, die teruggaat tot de zestiende
eeuw en die behalve in de literatuur ook toegepast
werd in de schilder- en beeldhouwkunst. Dat is
duidelijk te zien in de bekende schouw in de schepenzaal
te Kampen uit 1543-1545 en uit een ontwerp
uit 1560 voor de verfraaiing van de schouw in
de Zwolse schepenzaal. In het Zwolse ontwerp is
een schilderij met een afbeelding van het laatste
oordeel omringd door de heilige Michaël, knielende
putti, personificaties uit de humanistische traditie
en een Romeins veldteken.6
Afbeeldingen waarop attributen voorkomen
die betrekking hadden op het bestuur in de klassieke
oudheid, werden veelvuldig toegepast in het
iconografisch programma van schilderijen waarmee
stadsbesturen de raadzalen lieten versieren.
Regenten vergeleken zich graag met de Romeinse
senatoren en betitelden de gemeenschap die ze
bestuurden als een ‘res publica’. Gisbert Cuper,
een Deventer magistraat en geleerd liefhebber van
de oudheid, schroomde niet de terminologie om
te keren en de Romeinse senatoren als burgemeester
te betitelen. Hij zag wel in dat deze omkering in
titulatuur tussen de bestuurders van een wereldrijk
en een kleine stad eerder komisch dan realistisch
was.7
Vrolijke Zangnijmf
Na deze korte inleiding om de context van het
gedicht weer te geven, volgt op de volgende pagina
een complete weergave van de Vrolijke Zangnijmf
voorzien van enige voetnoten. En ook dit laatste
berust op traditie. De Zwolse predikant Johannes
Vollenhove, die een reeks gelegenheids-gedichten
op zijn naam heeft staan, voorzag ze bij heruitgave
in één bundel van uitgebreide verklarende noten,
waarmee nog eens duidelijk wordt dat eruditie
eerder verondersteld dan feitelijk aanwezig werd
geacht.8
Noten
1. Rijksarchief in Overijssel, Familie-archief Thomassen
a Thuessink, ongeïnventariseerd, doos XI.
2. Met de Korenmarkt werd – gezien vanaf de Grote
Markt – het eerste gedeelte van de Melkmarkt aangeduid.
Gerrit van der Horst woonde in het huis dat
stond op de plek waar nu de zij-ingang van De Harmonie
is, naast het pand van de ABN-AMRO. (Vriendelijke
mededeling van Wim Huijsmans, medewerker
gemeentearchief.)
3. Genealogische gegevens, belijdenis, burgerrecht:
Gemeentearchief Zwolle (GAZ), generale catalogus.
Latijnse school: GAZ, Album studiosae iuventutis.
4. B.J. Kam, ‘Aantekeningen over de familie Huete, en
over de stratenbroederschappen te Zwolle’, in:
VMORG 84 (1969) 8-29.
5. Kam, o.c, 19. GAZ, Familie-archief Gelderman, inv.
nr. 11, fol. 70.
6. Kunst voor de beeldenstorm. Noordnederlandse kunst
1525-1580. [Catalogus Tentoonstelling Rijksmuseum
Amsterdam 1986] (‘s-Gravenhage 1986) Zwolle:
385-386, Kampen: 301-302.
7. Het dagboek van Gisbert Cuper, gedeputeerde te velde,
gehouden in de Zuidelijke Nederlanden in iyo6.
Uitgegeven door A.J. Veenendaal, (‘s-Gravenhage
1950) 172, 252.
8. J. Vollenhove, Poëzy (Amsterdam 1686) passim.
9. C.H. Schoneveld, ‘”Iets des nazaats waardig”, De
vertaalarbeid van Pieter Ie Clerq’, in: Documentatieblad
werkgroep achttiende eeuwig (1992) 217-256; 221.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 75
Vrolijke Zangnijmf op de verkiesing van de Heer Bernard
Huete M:D:a Tot Burgemeester van Zwol op den XXV van
Hardemaand desjaars MDCCXVIIIb.
O Huete, Appolloos soonc, en schoor van ’t waglend leven,
Gewoon voor kranken u in ’t strijdperk te begeven,
En onverschrokken in der Artzen heldenbaan
Op ’t spoor van Hippolcraatd de siektens te verslaan,
’t Was niet genoeg u in dien arbeid af te slaven,
O neen; gij kreeg ook lust om hoger op te draven,
Om met uw schrandre geest de triomfante troon
In ’t rijseshof van Astrée te schragen, met de kroon
Van’s volks beschermheer eens te prijken op uw hairen:
Dus tragt ge uw gangen aan uw Broeders stap te paaren,
Die als verdediger van ’t ongekreukte regt
Vol lofs op ’t kussen ’s volks geschillen heeft beslegt,
En van om laag eerlang tot starren ingevaren
Nu gaat ten reij, juicht bij Cherubijne scharenf.
Ziet daar het uur genaakt, ’t geen uwe wensch vervuld,
Streef thans als BrutusS rijk met lauweren gehuld
Ter raadzaal in, in ’t oog van Overijssels steden,
In ’t faamrijk Zwol, terwijl de boden voor u treden
Met bond’len ten vertoog van ’t Burgermeesterschaph;
Daar ik u met mijn zang; en ’t volk met handgeklap
Vervrolijkt volgen’. Hoed vrou Themis schaal, en degen,
Doed haar het regt steeds met gelijke waagschaal wegend
Bewaar de godsdienst: hoed de vrijheid: helpt het schip
Van Zwol als Palinuurk bevrijd van bank en klip
Gelukkig stieren door de tuimelende baren;
Dat u geen rampspoed op die watertogt ervare:
Zeil dus voorspoedig door de wapperende zee,
Tot dat ge namaals land aan ’s Hemels vaste rêe.
Terwijl sal ’t orgel in ’s Aartsengels tempelkoren1
U naam de nazaat met een hel geluid doen horen,
Een klank, waar door het doofd Arions citerswier111,
En toonen woekerd van de Rhodopeesche lier”.
Orgelschrift
Toen Huete op Pauli wierd Zwols Burgerheer gekoren,
Schonk hij dit orgel ’t geen voor eeuwig legt sijn naam,
So lang die rijksstad0 staat, op wieken van de Faam,
En aan de Naneef sal ’s mans grote daad doen horen?.
a. Afkorting voor Medicinae Doctor,
de titel voor een gepromoveerd
arts.
b. Te Zwolle kozen jaarlijks op 25
januari, Pauliconversi, keurnoten
uit de meente de magistraten.
c. Apollo was de zoon van Zeus en
Leto. Hij was onder andere de
god van de genezing omdat hij
beschikte over leven en dood.
Artsen • werden als zonen van
Apollo beschouwd.
d. Hippocrates van Kos was de
grootste arts van de oudheid. In
de tijd van Huete leerde men nog
steeds de geneeskunde mede aan
de hand van zijn Aphorismen.
e. Astraea was de dochter van Zeus
en Themis en de godin van de
rechtvaardigheid, die in de mytische
Gouden Eeuw nog op aarde
heerste. Dat Van der Horst de
Franse spelling gebruikt is onder
invloed van H. d’Urfé’s bekende
pastorale Astrée.
f. Met andere woorden, de gestorven
broer Theodoor kijkt vanuit
de hemel onder de reien van de
cherubijnen, de engelen van de
tweede rang na de serafijnen,
mee.
g. L. Iunius Brutus was de eerste
consul van Rome. Hij overleefde
de moordlust van Tarquinius Superbus.
In 509 moest hij zijn eigen
zoon wegens hoogverraad laten
doden. Deze ultieme vorm
van onpartijdige rechtspraak
werd vaak in raadhuizen als lichtend
voorbeeld voor de schepenen
afgebeeld.
h. Nieuw gekozen burgemeesters
werden te Zwolle door twee roedendragers
met de stadsroede in
de hand thuis opgehaald. Deze
situatie doet sterk denken aan
Romeinse toestanden. In Rome
liepen de lictoren met ieder een
fasces (roedenbundel), het symbool
van de rechtsmacht van de
magistraat binnen de stad Rome,
vóór de consul.
i. Na de verkiezing werd te Zwolle
de nieuwe magistraat op het balkon
van de raadstoren aan het
volk voorgesteld. Mogelijk werd
er door de verzamelde bevolking
op het kerkplein om de keur geapplaudiseerd.
j . Themis, dochter van Uranos en
Gaia, was de godin van het recht.
Weegschaal en degen zijn de gebruikelijke
attributen van Justitia.
k. Palinuur – eigenlijk Palinurus –
was de stuurman van Aeneas. 1.
De St. Michaëlkerk.
m. Arion was een dichter en zanger
op Lesbos. Op een tournee werd
hij overvallen door zeerovers en
in zee gegooid, maar door een
dolfijn van de verdrinking gered.
Op veel prentjes uit de achttiende
eeuw wordt hij dan ook zittend
met zijn citer op een dolfijn afgebeeld.
n. Orpheus, ook bekend als de
‘Zanger van Rhodope’. Zo genoemd
naar een gebergte in het
zuiden van de Balkan waar hij
was geboren. Dankzij zijn behendigheid
op de snaren van de lier
ging de onderwereld voor hem
open en mocht hij zijn gestorven
ega Euridice mee terug naar de
aarde nemen.
o. Tijdens het ancien régime koesterden
het bestuur en de inwoners
van Zwolle het illusoire
denkbeeld dat de stad tot de vrije
rijkssteden van het Duitse Rijk
zou behoren.
p. Op het orgel in de St. Michaëlkerk
staat een iets minder werelds
vers in het Latijn, dat geschreven
was door Pieter Ie
Clercq9:
Theodorus Hueten et Bernardus
Hueten
ad organi hujus structuram
quatuor
decem milia aureorum donaverunt
ut Deus in coelo laudetur maximus
alto
et finis Musae principiumque
Deus
Anno 1721
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Koninklijk bezoek: Willem III in Zwolle
Gert van der Horst
Commissaris van de
koning in Overijssel jhr.
mr. C. Backer
(foto: Rijksarchief in
Overijssel).
Koning Willem III staat in de geschiedschrijving
te boek als een. uitzonderlijke
persoonlijkheid. In de jaren veertig van de
negentiende eeuw maakte men zich dan ook zorgen
over zijn toekomstig koningschap, vooral
vanwege zijn gebrek aan tact, zijn hevig temperament,
allerlei erotische escapades en niet in de
laatste plaats vanwege zijn uitgesproken reactionair-
conservatieve opvattingen. In 1848 wilde hij
dan ook afstand doen van zijn positie als kroonprins,
aangezien de liberale grondwet een doorn
in zijn oog was. Nadat hij een jaar later na veel aarzelingen
besloot zijn vader op te volgen, dreigde
hij in de jaren vijftig menigmaal afstand te doen
van de troon. Vaak kwam het voor dat hij een tijdlang
de brui gaf aan het regeren en voor lange tijd
naar het buitenland vertrok.
Begin jaren zestig wist hij echter zijn populariteit
bij het volk te vergroten door zijn optreden bij
de watersnoodramp van 1861.’ Een jaar na dit
optreden bracht Willem een bezoek aan Overijssel.
Van woensdag 23 april tot maandag 28 april
1862 vertoefde de vorst in Zwolle. Dat bezoek staat
in dit artikel centraal.
De voorbereidingen
Op 11 april 1862 had de commissaris van de koning
in Overijssel, jhr. mr. C. Backer, een onderhoud
met F.L.W. de Koek, de directeur van het Kabinet
des Konings.2 In dit gesprek werd de commissaris
op de hoogte gesteld van het voorgenomen bezoek
van Willem III aan Zwolle en Overijssel. Op 14
april werd het bezoek definitief vastgesteld. De
koning zou negen dagen later om zes uur ’s middags
te Zwolle zijn. Reizend vanaf Het Loo zou hij
aankomen bij het Katerveer aan de Hattemse kant
van de IJssel.3
Na 11 april begon de commissaris onmiddellijk
met het treffen van voorbereidingen. Diverse
voorstellen voor het af te werken programma werden
aan de directeur van het Kabinet des Konings
voorgelegd. Op 16 april keurde de koning het
voorgestelde programma goed, maar via De Koek
gaf hij nog wel een aantal richtlijnen, ‘waaraan
men zich zo veel mogelijk moest houden’.4
Ook op gemeentelijk niveau toog men aan het
werk. Nadat burgemeester J.A.G. baron De Vos
van Steenwijk in een besloten raadszitting het
nieuws had medegedeeld, besloot de raad een
onbepaald krediet te verlenen voor het bestrijden
van de kosten.
De burgers werden op 16 april officieel op de
hoogte gebracht van het koninklijke bezoek. De
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant
(POZC) bracht verslag uit van de activiteiten in de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 77
stad: ‘Allerwegen ziet men toebereidselen maken
om de stad een regt feestelijk aanzien te geven’.5
Op de Grote Markt was een ereboog opgericht van
‘monumentale constructie’. De verslaggever
meldde verder dat men aan veel openbare gebouwen
en in de hoofdstraten al aanstalten tot illuminatie
zag. Daarnaast had een twintigtal ingezetenen
onder leiding van de gepensioneerde kolonel
Mollinger zich verenigd met als doel een erewacht
te paard te vormen.
Het bezoek
Op vrijdag 26 april deed de POZC voor het eerst
verslag van het drie dagen daarvoor begonnen
koninklijke bezoek.6 Om vijf uur kondigde klokgelui
de komst van Willem III aan. Volgens de verslaggever
rustte niemand toen ‘de blijde mare’ van
mond tot mond ging dat de koning zou komen.
Men wilde de geliefde vorst een waardige ontvangst
bereiden. In een ronkende stijl berichtte de
krant dat de gehele stad in een feesttooi gehuld
was. Van alle openbare gebouwen en particuliere
woningen wapperde de vlag. Overal bevonden
zich erebogen en illuminaties. De veelheid van
huldeblijken was vooral gestimuleerd door de persoon
van de koning en niet alleen door de band
met Oranje, vond de POZC: ‘Het is de Vader des
Vaderlands dien men eert en dien men zich gelukkig
rekent zijne hulden te mogen brengen’.7
Iets na vijven arriveerde de koning. Hij werd
begeleid door de commissaris, de leden van gedeputeerde
staten en de generaal-majoor, bevelhebber
der tweede militaire afdeling. Burgemeester
baron De Vos van Steenwijk ontving de koning
namens de raad op Zwols grondgebied. Willem III
beantwoordde de toespraak van de burgemeester
‘minzaam’, waarna de stoet zich onder klokgelui
stapvoets in beweging stelde. Men deed ongeveer
een uur over de tocht van het Katerveer naar het
gouvernementshotel, omdat de rit volgens de
gouverneur langs ‘de meer geschikte passages’
moest voeren.8 Na aankomst en ontvangst bij het
gouvernementshotel defileerden de schutterij en
de infanterie langs de koning. ‘Aan de toejuichingen
der menigte scheen geen einde te komen’,
berichtte de POZC.
Woensdagavond vond een serenade bij fakkellicht
plaats van fabrikanten met hun werknemers.
De stoet werd geopend door de dragonders, waarna
het stedelijk muziekkorps volgde met daarachter
het bestuur en de leden van de afdeling Zwolle
van de Vereeniging ter bevordering van fabrieksen
handwerknijverheid in Nederland met in hun
kielzog de werklieden. Nadat het bestuur voorgesteld
was, bracht de voorzitter, W.EJ. Tjeenk Willink,
hulde aan de koning. Willem III verzekerde
daarop dat de belangen van de nijverheid steeds
door hem zouden worden behartigd.
De donderdagmorgen was gereserveerd voor
een audiëntie. Op deze bijeenkomst sprak de
voorzitter van de gemeenteraad namens de ingezetenen
zijn blijdschap uit over het bezoek. Deze
vreugde werd volgens de spreker niet alleen veroorzaakt
door het vorstelijk bezoek, maar vooral
door de sympathie voor de koning, die als een
waardige telg uit het Huis van Oranje de band tussen
volk en vorst zo veel mogelijk had versterkt.
Hij voegde daar nog wel aan toe dat de gemeenteraad
nog heel wat wensen zou kunnen uiten, maar
hij achtte het ogenblik daartoe minder geschikt.
De koning scheen nogal onder de indruk te zijn
geweest van deze woorden, want volgens de verslaggever
verklaarde hij dat de hartelijke ontvangst
hem zeer aangenaam was. Willem III zou zich
zelfs hebben laten ontvallen eraan terug te zullen
Het Katerveer naar een
tekening van Co Bremer,
1925.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
denken als één van de aangenaamste dagen uit zijn
leven. Ook deed hij nog de toezegging altijd bereid
te zijn voor Zwolle datgene te doen waardoor de
welvaart kon bloeien en groeien.
Donderdagmiddag 24 april bezocht de koning
een tweetal fabrieken met de stoomboot van de
heer W. Meeter.9 Als eerste werd de fabriek van
MACHINEFABRIEK.
KETELMAKERIJ,
en GROFSME0ERU.
Hersïslplaais van
LAND-en
Briefhoofd van G.J.
Wispelwey en Co., circa
1900.
G.J. Wispelwey en Co. aan het Assiesplein bezocht.
Ter gelegenheid van het bezoek was de
fabriek verfraaid met allerlei versieringen. Ook
had men een borstbeeld van Willem III, omgeven
door diverse trofeeën, in een lokaal geplaatst. Tijdens
de rondgang door de fabriek werden de
woorden ‘Hulde aan Willem III’ gegoten. De
koning onderhield zich drie kwartier wederom
‘minzaam’ met de fabrikant. Gedurende het
bezoek aan de ijzer- en emaillefabriek van Schaepman
en Helmich aan de Holtenbroekerdijk werd
ongeveer hetzelfde programma afgewerkt. Ook
daar werden enige woorden gegoten. De ijzerfabrieken
vielen blijkbaar goed in de smaak bij de
koning; de arbeiders van beide fabrieken werden
bedeeld met een ‘vorstelijke’ gift.
Dezelfde middag bracht Willem III een bezoek
aan de armeninrichting.10 De kinderen aldaar
zongen een lied voor de koning en lieten hun
werkzaamheden zien. De meest gevorderde leerlingen
van de zangschool zongen enige speciaal
voor dit bezoek vervaardigde liederen. De POZC
berichtte dat de koning het met veel belangstelling
aanhoorde. Tot besluit schreef hij zijn naam in het
gastenalbum.
Op het goed gevulde programma stond als
afsluiting van het middaggedeelte een bezoek aan
het museum van de Overijsselsche Vereeniging
voor Provinciale Welvaart aan het Aaplein. In de
oudhedenzaal bekeek de koning een aantal zilveren
voorwerpen, waaronder de drinkbekers der
gilden. Over de werking van een Chinees waterrad
kreeg hij uitleg van een aantal leden van de afdeling
fysica van de vereniging.
’s Avonds vond er een concert in Odeon plaats
ter gelegenheid van het koninklijk bezoek. Op het
programma stond het oratorium De Schepping
van J. Haydn.11 Om dit concert tot een goed einde
te brengen, moesten de Zwolse organisatoren heel
wat hulptroepen laten aanrukken. De professionele
soliste was mevrouw Offermans van Hove.
Zij werd terzijde gestaan door ‘voortreffelijke
dilettanten’ uit Alkmaar, Deventer en Kampen.
De POZC maakte ook gewag van diverse, niet met
name genoemde moeilijkheden waarmee men in
de voorbereiding te kampen had. Toch ontbrak
geen enkel onontbeerlijk persoon. Vanuit zijn met
het koninklijk wapen opgesierde loge zag Willem
III een rijk versierde en geheel gevulde zaal. De
koning werd welkom geheten met een drietal fanfares
en het Wilhelmus. De koning zou bij herhaling
blijk van zijn hoge tevredenheid met dit concert
gegeven hebben.
Na een audiëntie op de vrijdagmorgen ging de
koning uit rijden, begeleid door de erewacht.12
Men bracht een bezoek aan een nieuwe school
buiten de Kamperpoort. Op verzoek van de plaatselijke
schoolcommissie toonde Willem zich
bereid zijn naam te verlenen aan deze nieuwe
school. Aansluitend wenste de koning naar de
buitenplaats van de commissaris te gaan, die gelegen
was aan de Veerallee, waar nu Villa Flora staat.
Voor deze bijeenkomst waren veel aanzienlijke
families uitgenodigd. Volgens de POZC bekeek
Willem de fraaie gewassen en bloemen aldaar met
veel aandacht. Het stedelijk muziekkorps was ter
plekke aanwezig. Van hieruit maakte de koning
een wandelrit langs het Katerveer, het Engelse
Werk en de singels langs de stadsgracht.
Aan het einde van de middag bood de gemeente
Zwolle de koning een diner aan. Hier voerde
onder andere de commissaris van de koning het
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 79
woord. Backer haalde de Zwolse dichter Rhijnvis
Feith aan: ‘Het geluk van Nederland is onafscheidbaar
verenigd met het: Huis van Oranje Nassau’.
Volgens de POZC werd het diner algemeen als zeer
uitmuntend geroemd. Dezelfde dag bood de
Zwolse bakker GJ. van Brummen een enorm
krentenbrood aan. Willem III stelde dit geschenk
ter beschikking van de stadsarmeninrichting met
daarbij een som geld, om de kinderen op chocolade
te trakteren.
Op het bal van die avond onderhield de
koning zich wederom ‘minzaam’ met de aanwezigen.
De verslaggever van de POZC vergat niet te
melden dat de koning ‘eerst te middernacht het
bal heeft verlaten’.
Zaterdagmorgen om tien uur vertrok het
koninklijk gezelschap naar Kampen. Om kwart
voor zeven was men weer terug in Zwolle.13 Daar
stond een rondrit door de stad op het programma,
zodat de koning de geïllumineerde stad met eigen
ogen kon aanschouwen. Om negen uur vertrok
het gezelschap voor de een uur durende tocht. Op
de markt stapte Willem III uit, om enige ogenblikken
later op het balkon van de sociëteit De Harmonie
te verschijnen. Uit de menigte klonken
daverende hoera’s en de muziekvereniging van de
schutterij speelde het Wilhelmus. De koning aanschouwde
het geheel enige ogenblikken en onderhield
zich met de president-directeur van De Harmonie,
waarna hij zijn rijtuig weer opzocht en zijn
tocht vervolgde onder wederom luide bijval van
de menigte.
Zondagmorgen 27 april begaf het koninklijk
gezelschap zich naar de godsdienstoefening in de
Grote Kerk.14 Ds. J.G. van Rijn hield een leerrede
over Openbaringen 22:17b voor een geheel gevulde
kerk, nadat hij een toespraak tot de koning had
gehouden, die volgens de krant ‘hartelijk en
gepast’ was. De aansluitende zegenbede over de
vorst werd gevolgd door het zingen van een enigszins
gewijzigd vers vier van psalm 121. De gemeente
zong dit vers staande, naar de koning toegekeerd.
Om twee uur ging de koning een wandelrit
maken naar Dalfsen, die al vóór vieren geëindigd
was. Op het diner van die avond mocht ds. Van
De singels langs de
stadsgracht.
8o ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Het Engelse Werk. Rijn op uitnodiging van de koning aanwezig zijn.
De kerkdienst was blijkbaar in goede aarde gevallen.
Maandagmorgen 28 april verliet het koninklijk
gezelschap de stad Zwolle om negen uur. Er stond
hen nog een uitgebreide tournee door Overijssel te
wachten. Het bezoek aan Zwolle was in ieder geval
een succes, volgens de POZC. Men besloot de verslaggeving
over het bezoek met de constatering
dat de banden tussen vorst en volk nauwer aangehaald
waren en dat het bezoek een hoogst aangenaam
aandenken vormde. Kritische journalistiek
was aan de POZC niet besteed. Mogen we de krant
geloven dan was er gedurende het bezoek niets
misgegaan en was het een aaneenschakeling van
gelukkige momenten…
Slot
In de vorm van geschenken leefde het koninklijk
bezoek nog even voort. Willem bedeelde de armen
van de stad met ƒ 1000,-.15 De bedienden tijdens
het diner en bal van de stad kregen van de koning
ƒ 100,-.16 De werklieden van het Katerveer die de
koning hadden overgezet, ontvingen ƒ 40,-.17
Bakker J. van Brammen, die de koning een krentenbrood
schonk, kreeg als blijk van erkentelijkheid
ƒ 50,- toegestopt.18 De hoogwaardigheidsbekleders
die de koning ontvangen hadden, konden
rekenen op de onvermijdelijke orden.19 Commissaris
van de koning Backer werd benoemd tot
Groot Officier in de Orde der Eikenkroon en burgemeester
baron De Vos van Steenwijk werd
Commandeur in die orde. De onder-commandanten
van de erewacht, EJ. Eekhout en S.W. Parker,
kregen een benoeming als ridder in de Orde
der Eikenkroon. De commandant van de erewacht,
de gepensioneerde kolonel Mollinger,
moest het doen met een gesigneerd portret van de
koning…
Noten
1. ƒ. Doorn, Willem III, Emma en Sophie: geluk en
ongeluk in het Huis van Oranje (Zaltbommel 1986)
172-173-
2. Rijksarchief in Overijssel (RAO), Archief van de
commissaris van de koning, nr. 135, schrijven van
Backer aan De Koek van 14 april 1862.
3. Ibidem, telegram van De Koek aan Backer, 14 april
1862.
4. Ibidem, 16 april 1862.
5. POZC, nr. 46, woensdag 16 april 1862.
6. POZC, nr. 50, vrijdag 26 april 1862.
7. Ibidem.
8. RAO, Archief van de commissaris van de koning, nr.
135, minuut van een brief van Backer aan De Koek,
14 april 1862.
9. POZC, nr. 51, maandag 28 april 1862.
10. Ibidem.
11. POZC, nr. 52, woensdag 30 april 1862.
12. POZC, nr. 51, maandag 28 april 1862.
13. POZC, nr. 52, woensdag 30 april 1862.
14. Ibidem.
15. Ibidem.
16. RAO, Archief van de commissaris van de koning, nr.
135, schrijven van commissaris aan burgemeester.
17. Ibidem.
18. Ibidem.
19. POZC, nr. 52, woensdag 30 april 1862.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 8l
De bewoningsgeschiedenis van
Kamperstraat 10
De Kamperstraat is een zeer oude straat.
Omstreeks 1400 was de straat al bekend
onder de naam Voorsterstraat, als uitvalsstraat
naar Voorst in de richting Kampen. De
plaats van het huis dat nu onder nummer 10
bekend staat, zal ongetwijfeld na juli 1324 bebouwd
zijn, want een grote brand in die tijd
maakte dat er nauwelijks huizen gespaard werden.
Daarna verrezen er heel wat stenen huizen. Hoewel
het huis op nummer 10 een gevel heeft uit het
midden van de achttiende eeuw, draagt het
inwendige nog duidelijk sporen van het oorspronkelijke
veertiende-eeuwse pand. De balkenconstructie
dateert namelijk al uit de vroege vijftiende
eeuw.1 Het huis komt sedert 1672 voor onder de
naam De Todast. Die benaming duidt op een
bestemming als herberg. Toelast is een oude naam
voor wijnvat.
E.H. ter Kuile beschreef het pand als volgt:
‘Een voornaam woonhuis met lijstgevel
ter breedte van vijf vensters. De voorgevel
bevat in het midden een rijke zandstenen
ingangspartij met balkon en decoratieve
omvatting van de balkondeur. Boven de
houten kroonlijst, die blijkens de magere
detaillering eind achttiende eeuw moet
zijn vernieuwd, gaat een barokke zandstenen
attiek op met in het midden de alliantiewapens
van Wolter Johan van Haersolte
tot Oldenhof en Geertruit van Haersolte.
Vanouds heeft het huis een smalle gang
gehad achter het linkergedeelte van de
monumentale voordeur. Deze gang en de
brede kamers en-suite links daarvan hebben
stucplafonds die min of meer in de
trant van Daniël Marot zijn ontworpen.3
De familie Van Haersolte
Op 21 januari 1735 ging het huis over van de erven
Mensinck op Wolter Johan van Haersolte tot
Oldenhof, Bijssel en Wolfshagen, drost van Vollenhove
en van Salland (1691-1746). Deze liet het
huis geheel (ver)bouwen en bevestigde zijn wapen
en dat van zijn vrouw Geertruit van Haersolte
(1692-1764) boven in de gevel. De achterzijde (de
huidige Ossenmarkt) was reeds in 1687 voorzien
van een stal, zoals meestal bij een herberg aan een
uitvalsweg het geval was. De Kamperstraat was inmiddels
een deftige straat geworden. Want de
buurman, de eveneens adellijke Christiaan Albrecht
graaf van Rechteren, liet er in 1747 een nog
imposanter huis (ver)bouwen.2
Dit soort huizen dienden vaak als onderkomen
voor de winter. De zomer brachten deze
families meestal op hun landgoederen door. In dit
geval was het waarschijnlijk het kasteel Haerst, dat
verdwenen is.4
Wolter Johan was een zoon van Volkier van
Haersolte tot Oldenhove en Ida Elisabeth van
Drienen. Zijn vader heeft hij nooit gekend, want
die sneuvelde in dienst van Willem III tijdens de
negenjarige oorlog tegen Frankrijk in 1691. In 1721
huwde Wolter Johan met Geertruit van Haersolte,
dochter van Antony van Haersolte tot Eisen en
Johanna van Haersolte tot Zwaluwenberg, Staverden
en Bredenhorst.5
Het was geen erg florissante tijd. De bloeiperiode
had de Republiek van de de Zeven Provinciën
inmiddels achter de rug. In Overijssel was 25
procent van de inwoners verarmd. De kloof tussen
zeer rijk (3 procent van de bevolking) en arm was
erg groot, maar door malaises in de landbouw en
de runderpest brachten de bezittingen van de adel
ook minder op en men teerde duidelijk in. Van
1675 tot 1758 liep haar aandeel in het gezamenlijk
vermogen van 41 procent tot 19 procent terug. Het
J. Erdtsieck
82 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
De Kamperstraat in het
begin van de twintigste
eeuw.
bevolkingsoverschot zorgde echter voor goedkope
werkkrachten, zodat men op ruime voet kon
leven. En de belastingen verschoven van het vermogen
naar de accijnzen.6 Een voordeel voor de
adel, maar een nadeel voor de gewone man.
Wolter Johan en Geertruit bleven dus in goede
doen en werden respectievelijk in 1746 en 1764 in het
koor van de Grote Kerk begraven, zoals het in die
dagen voor rijke en aanzienlijke lieden passend was.
De familie Van Haersolte heeft het huis tot het
begin van de negentiende eeuw bewoond. Dit wil
echter niet zeggen, dat de bewoners steeds die
naam droegen. Wolter Johan liet namelijk slechts
drie dochters na.7 Het waren vaak aanverwanten
en verre nazaten van deze zeer uitgebreide familie,
die afwisselend het huis bewoonden. In 1766 en
1781 veranderde het huis van eigenaar.
H. van Sonsbeek
Op 2 oktober 1823 ging het van Coenraad Willem
van Dedem tot Rollecate, de voormalige drost van
Vollenhove, die het huis in 1791 had gekocht, over
op mr. H. van Sonsbeek. Hij was geboren in 1796
en gehuwd met Margaretha E. Heerkens, afkomstig
uit een aanzienlijk rooms-katholiek geslacht.
Hij was een telg uit een Zwolse adellijke familie,
die veel voor de wederopbouw van de katholieke
kerk in de stad heeft gedaan. Van Sonsbeek studeerde
rechten in Groningen en vestigde zich als
advocaat in Zwolle. Hij werd in 1830 rechter en
acht jaar later raadsheer bij het gerechtshof in de
stad. In 1827 behoorde hij tot de oprichters van de
Zwolse algemene bibliotheek.9
Via de Raad van State werd hij in 1849 minister
van Buitenlandse Zaken en van de Rooms-katholieke
Eredienst onder de oud-Zwollenaar Thorbecke.
Erg succesvol was hij niet. Zijn voorstellen
sloegen niet aan en uit eigen beweging gaf hij het
ministerschap op 16 oktober 1852 op. Hij bekleedde
vervolgens geen openbare ambten meer en trok
zich terug op zijn landgoed De Alerdinck in Heino,
waar hij op 29 november 1865 overleed.9
J.A.G. baron de Vos van Steenwijk
Het huis in de Kamperstraat had hij al in 1854 verkocht
aan Jan Arend Godert baron de Vos van
Steenwijk. De in 1818 geboren Jan Arend had in
Utrecht rechten gestudeerd en werd in 1853 via de
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Provinciale Staten lid van de Eerste Kamer. Drie
jaar later benoemde de koning hem tot burgemeester
van Zwolle. Gezien de eerdere aankoop
van het pand wist hij vermoedelijk al van de
komende benoeming af. Als buitenplaats bezat hij
het landgoed Mataram aan de Poppenallee. De
winter bracht hij in de Kamperstraat door. Hij
hoefde dan niet met zijn vierspan naar Zwolle te
komen om de stukken te tekenen.
De Vos was een echte regent, gewend om mensen
te regeren maar met weinig contact met de
burgerij.10 Zijn gezin telde zeven kinderen. Het
burgemeesterschap bekleedde hij tot 1867, maar
hij bleef wel lid van de Eerste Kamer. Uiteindelijk
bracht hij het in 1880 tot commissaris van de
koning in Utrecht. Hij was twee jaar eerder naar
deze provincie verhuisd. Na zijn pensioen keerde
De Vos van Steenwijk niet naar Overijssel terug.
Hij overleed op 17 oktober 1906 op zijn buitengoed
Voorstonden te Brummen (Gld.).
Het huis in de Kamperstraat was in 1878
gekocht door zijn buurman, de hotelhouder J.
Hoven, eigenaar van hotel De Kroon. Bij die gelegenheid
werd het pand ook gesplitst. De neergang
van de Kamperstraat was ingezet, want in het vorstelijke
huis van de graaf Van Rechteren op nummer
12 was nu Hotel de Kroon gevestigd, wel in
een gebouw met allure.
Heilgymnastiek
Een deel van Kamperstraat 10 werd in 1898 verhuurd
aan mejuffrouw Milatz, die er tien jaar lang
heilgymnastiek en massage gaf.11 De in 1872 geboren
Maria W.J. Milatz was een dochter van een
gymnastiekleraar, die zich in 1894 in Zwolle gevestigd
had.12 In het huis aan de Kamperstraat 10 en
later aan de Zeven Alleetjes had zij een praktijk
voor heilgymnastiek en massage. Ze hield ook
lezingen over reformkleding voor dames. Oorspronkelijk
was ze van evangelisch-lutherse huize,
maar later werd ze doopsgezind. Ongetwijfeld
behoorde ze tot de eerste feministische golf. Zelf is
ze nooit in de doopsgezinde kerkeraad gekozen.
Ze bedankte als lid van deze gezindte in februari
1924. Op 15 augustus van het volgende jaar werd zij
rooms-katholiek gedoopt. Ze overleed op 2 juni
1935 in het Onze Lieve Vrouwe-pension.
De alliantiewapens van
Wolter Johan van
Haersolte tot Oldenhof
en Geertruit van Haersolte
boven de kroonlijst.
84 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
Gevel van Kamperstraat
12.
Diverse bestemmingen
In 1907 werd J.H. Jacobs, van de firma N.I. Jacobs,
een fabrikant van borstels, eigenaar van het pand.
Hij oefende er zijn bedrijf uit.13
Acht jaar later ging het huis naar de vereniging
Kinderzorg in Overijssel, die er maar kort gevestigd
was en het huis ook nooit gebruikt heeft. Het
was een vereniging van hervormde diaconieën in
Overijssel, opgericht op 24 januari 1907. Op grond
van de kinderwetten van 1905 was het mogelijk
kinderen uit huis te plaatsen bij particulieren of ze
in een tehuis onder te brengen. 57 van de 75 diaconieën
waren hierbij aangesloten. De vereniging
streefde naar een doorgangshuis voor de eerste
opvang. De bedoeling van het pand in de Kamperstraat,
dat door een anonieme schenking aangekocht
kon worden, was er kinderen te plaatsen
waar men niet direct weg mee wist.
Hoewel men dringend behoefte aan een dergelijk
huis had, is het niet in gebruik genomen. De
voorgenomen opening op 2 maart 1916 ging niet
door, omdat het een militair gebouw was geworden.
De territoriaal bevelhebber van Overijssel
had er beslag op laten leggen – het was mobilisatietijd!
– om er zijn bureau te vestigen. Inmiddels
was er echter ook twijfel bij het bestuur gerezen of
het gebouw wel zo geschikt was: midden in de
stad, groot en vrij somber. Bovendien was het tijdstip
erg ongeschikt: stijgende prijzen en voedselschaarste.
Toen de oorlog voorbij was, bleek er
zoveel aan verbouwd te moeten worden, dat het
bestuur het beter achtte het huis met voordeel te
verkopen en een nieuw huis te bouwen. Op het
laatste moest wel even worden gewacht. Pas in
1927 kon de vereniging het Julianahuis in de Terborgstraat
openen.14
Schoolgebouw
In 1919 werd de Christelijke HBS de eigenares.15 De
twee jaar eerder doorgevoerde financiële gelijkstelling
van het bijzonder en het openbaar onderwijs
had het mogelijk gemaakt een middelbare
school te stichten. Dat geschiedde in september
1919 te Zwolle en de 28 leerlingen (21 jongens en 7
meisjes) begonnen in twee klassen in het pand
Kamperstraat 10. Het bestuur bestond uit mensen
van orthodox christelijke huize uit Zwolle en
omgeving (onder anderen dr. J. Ridderbos van de
Theologische Hogeschool in Kampen, ds. JJ.
Valeton, predikant kinderzorg te Zwolle, dr. C.
Bouma, gereformeerd predikant te Zwolle, ds.
CD. van Noppen, hervormd predikant te Zwolle,
ds. J.E. Klomp, hervormd predikant te Oldebroek
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
en ds. A.J.W. van Ingen, hervormd predikant te
Hattem).
Er waren acht leraren aan verbonden. De
school was klein vergeleken met de Rijks HBS, die
300 leerlingen telde, maar het aantal scholieren
groeide toch gestaag. In 1920 waren er drie klassen
en tien leraren met 47 leerlingen en een jaar later
zestien leraren en 88 leerlingen. In 1922 werd voor
het eerst eindexamen gedaan. Alle negen leerlingen
slaagden.
De school telde toen bijna 100 leerlingen en we
kunnen ons indenken, dat het wat de huisvesting
betreft een ware noodtoestand was in het betrekkelijk
kleine pand. In de tuin waren een paar
barakken geplaatst en gymnastiek werd op de zolder
gegeven. Maar men week ook uit naar het
lokaal van mejuffrouw Milatz, de vroegere
bewoonster van het huis, die nu een heilgymnastiekpraktijk
had in de Zeven Alleetjes.
Grond voor een nieuw gebouw was al in 1920
aan de Veerallee gekocht, maar de bouw vlotte
niet zo erg. Eerst in juni 1925 kon de school met 86
jongens en 24 meisjes naar het nieuwe onderkomen
verhuizen. Men was in de Kamperstraat letterlijk
uit z’n jasje gegroeid.
Eigendom van de Hervormde Gemeente
Op 9 juni 1925 kon daarom het eigendom voor
ƒ 20.000,- overgaan op de Hervormde Gemeente.
Het gebouw werd in de koopakte als volgt
beschreven: ‘een herenhuis met tuin en erf aan de
Kamperstraat 10 en twee huisjes met erven aan de
Ossenmarkt nr. 37 en 38 te Zwolle. Kad. F nrs.
5316-4214 en 4452, samen groot 6 are en 54 ca.’
Het was ds. A. de Haan, die in de vergadering
van de kerkvoogdij op 14 maart 1925 de aandacht
op dit pand vestigde.16 Hij was in 1912 secretaris
van de kerkvoogdij geworden en wist dat er voor
de ruim 2000 catechisanten, die de Hervormde
Gemeente toen nog telde, maar zeer weinig ruimte
was. De lessen werden op onmogelijke uren gegeven
op verschillende plaatsen in de stad: in de kerken,
de evangelisatiegebouwen en bij de predikanten
thuis. Nu zou alles geconcentreerd kunnen
worden in één ‘schoolgebouw’, waar alle hulpmiddelen
konden blijven. Kamperstraat 10 leek
De Haan een geschikt huis. Alleen de vraagprijs
van ƒ 26.000,- vond hij wat te hoog, maar daarover
zou te praten zijn. Hij wees erop dat de kerkvoogdij
nog de beschikking had over een legaat
van wijlen mr. Kaempf.17
De in 1843 in Giethoorn geboren mr. C.F.
Kaempf was in 1865 in Zwolle komen wonen. Hij
vestigde zich er als notaris en advocaat. Kaempf
bewoonde een huis aan de Grote Markt (nummer
10, de huidige ijssalon Talamini) en was één van de
hoogst aangeslagenen in de gemeentelijke belasting.
Hij woonde tot 1916 in de stad, waarna hij
zijn laatste jaren in Den Haag doorbracht.
Kaempf, die vrijgezel was, had zijn oude woonplaats
niet vergeten en liet aan de Hervormde
Gemeente ƒ 10.000,- na, dat in 1924 al een aardige
rente had opgebracht. Aan de diaconie vermaakte
hij ƒ 25.000,-.
De aankoop van Kamperstraat 10 zou een goede
bestemming zijn voor het legaat en De Haan
wilde een bod doen van ruim ƒ 18.000,-. Voorzitter
Jordens kon zich hierin vinden. Alleen één lid
Jan Arend Godert
baron de Vos van Steenwijk.
86 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
stemde tegen. Er werd geheimhouding gevraagd.
Op 9 mei 1925 werd het perceel bekeken en goed
bevonden. De houten barakken in de tuin kon
men niet gebruiken.
Men deed nu snel zaken, hetgeen bespoedigd
werd omdat de verkoop onder ‘vrienden’ plaatsvond.
Het bestuur van de Christelijke HBS bestond
Op zaterdag 19 september 1925 om 3 uur ‘s
middags werd het gebouw plechtig geopend in
aanwezigheid van de notabelen, de kerkvoogdij en
de kerkeraad. President-kerkvoogd DJ.R. Jordens
hield daarbij een toespraak. In de gevel werden
steentjes aangebracht met het opschrift: Catechisatie
Gebouw der Nederd: Hervormde Gemeente.
De net gebouwde christelijke
HBS aan de Veeralle
in 1925.
namelijk uit gereformeerden en rechtzinnig hervormden.
Men werd het eens over een bedrag van
ƒ 20.000,- en op 9 juni 1925 werd de akte ondertekend.
Er moest uiteraard wel wat opgeknapt worden.
Hiervoor werd een commissie ingesteld, die ook
een conciërge benoemde. Het echtpaar L. Akkers
kreeg een ‘beloning’ van ƒ 3,- per week met vrij
wonen en vrij licht en per jaar ƒ 25,- voor de grote
schoonmaak. Een jaar later werd het ƒ 5,- per
week. De man was pakhuisknecht en hij zal die
baan zeker nodig gehad hebben om rond te kunnen
komen.
Nederduits was een oude benaming om onderscheid
te maken met de Waals Hervormde
Gemeente.
Er was voorlopig ruimte genoeg. Beneden
waren vier ruime kamers en boven vier wat kleinere
kamers. Daarom kreeg ook de koster van de
Grote Kerk, die hand en spandiensten verrichtte
voor de kerkelijke administratie, een ruimte toegewezen.
De diaconie mocht er zijn bureau vestigen
tegen een huur van ƒ 150,- per jaar. Tevens
werden drie kamers op zondag voor clubbijeenkomsten
verhuurd aan de Christelijke Jongemannenvereniging.
Weer was het ds. De Haan die voor
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
dit laatste een krachtig pleidooi had gevoerd. Elke
predikant had hier tussen 1925 en 1950 een vaste
kamer.
Na de Tweede Wereldoorlog
De ontwikkelingen in de Hervormde Gemeente
maakten het gebouw na de oorlog minder functioneel.
Reeds in 1945 werd de stad verdeeld in drie
wijken, maar wel onder één kerkeraad. Kamperstraat
10 bleef voorlopig het centrale gebouw voor
de catechisaties. In 1949 kreeg het zelfs nog een
grondige opknapbeurt. Maar er werd gezocht naar
een andere vorm, die in 1957 gestalte kreeg: tien
zelfstandige wijkgemeenten met een gezamenlijk
kerkelijk apparaat. Het accent kwam toen te liggen
op de wijk waar een kerk, een pastorie en wijkgebouw
waren. Vanzelfsprekend werden daar de
catechisaties gehouden.
Dat is niet in één klap gegaan. Langzamerhand
werd de verschuiving duidelijk. In 1960 wilde ds.
Korevaar nog de beschikking hebben over een
lokaal waar 80 (!) catechisanten ontvangen konden
worden, die allen van het toen nog landelijke
Berkum naar het centrum van Zwolle togen. Maar
langzamerhand gingen alle predikanten ertoe over
om hun lessen in de wijkgemeenten zelf te geven.
In 1959 besloot de kerkvoogdij een algemeen
secretariaat voor het kerkelijk werk in te stellen,
waar ook de diaconie ondergebracht zou worden.
De diaconie stemde daarmee in. De kerkvoogdij
had sedert 1930 een bureau aan de Grote Markt
met vijf medewerkers en de diaconie had haar
bureau aan de Kamperstraat met drie medewerkers
en de koster van de Grote Kerk. De laatste
koster, die ook het achtergelegen woonhuis
betrok, was de heer A. Jolink. Na zijn vertrek werd
het huis verhuurd aan studenten. Drie lokalen
konden aan de Nederlandse Spoorwegen verhuurd
worden en de gehele administratie werd
beneden gehuisvest.
Het nieuwe kerkelijke bureau kwam na een
verbouwing op 1 december 1960 in het pand. Twee
predikanten kregen ruimte toegewezen in het
voormalige kerkelijk bureau aan de Grote Markt.
Hoofd werd de heer Millekamp, die tot dusver
het diaconaal bureau had geleid. De heer J.J. van
der Waarde, die vanaf 1947 hoofd van het kerkelijk
bureau was, werkte z’n opvolger in en ging op 1
januari 1961 met pensioen. Op 12 september 1972
werd hij opgevolgd door de heer H. Meliesie, die
op zijn beurt het bureau leidde tot 1 maart 1992.
Thans is de leiding in handen van de heren E.
Roosink en W. van Rhee. Veel werkzaamheden
zijn volledig geautomatiseerd, zodat zij daarnaast
nog slechts enkele part-timers nodig hebben en –
dat is het voordeel van een kerkelijke administratie
– de hulp van veel vrijwilligers die op gezette
tijden het ‘buik-werk’ doen.
In 1965 kwam de Christelijke huishoudschool
Dabar in het pand, die er drie jaar doorbracht.
Daarna waren er steeds andere huurders. Momenteel
is dat advocaat J. Floor. Tot 1970 konden in
het pand ook nog catechisaties geven worden. Het
langste heeft wijk II dat gedaan. De leerlingen
kwamen uit heel Zwolle en de wijde omtrek.
Slot
Het huis Kamperstraat 10 heeft een bonte historie
achter de rug, die zeker nog niet afgesloten is.
Vooral de binnenkant van het pand heeft een ‘facelift’
nodig. De brede monumentale stoep zal wel
niet meer in ere hersteld kunnen worden. Daarvoor
is de Kamperstraat te smal geworden. De brede
voordeuren hebben iets bedriegelijks. Slechts de
helft geeft toegang tot een vrij smalle gang. De plafonds
in de kamers roepen nog beelden op van het
oude patriciërshuis, evenals de monumentale trap
naar boven, die toegang geeft tot vier grotere en
kleinere kamers, die door de houten schotten weinig
meer laten zien van wat het eenmaal was. Maar
de zolder met de oude balkenconstructie en de
kleine dienstbodekamer, alleen met een klein dakvenster,
roept weer ruimschoots herinneringen op
aan het verleden. En de donkere en vrij vochtige
woning achter het huis geeft ook iets weer van de
omstandigheden, waaronder vroeger het personeel
moest werken en wonen.
Noten
1. DJ. de Vries, ‘De veertiende-eeuwse woonhuizen
van Zwolle’, in: Overijsselse Historische bijdragen 95
(1980) 129.
2. F.C. Berkenvelder, Zo was Zwolle rond 1900 (Zwolle
1970) 68.
88 ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
3. E.H. ter Kuile, Noord- en oost-Salland (Den Haag
1974) 131- Daniël Marot was een Frans architect
(1663-1752), die als verdreven Hugenoot in ons land
werkte voor stadhouder Willem III. Hij bracht de
Franse barokstijl mee en deze voorname en decoratieve
stijl kreeg gestalte in de paleizen Het Loo en
Huis Ten Bosch.
4. Gemeentearchief Zwolle (GAZ), Familiearchief van
Haersolte.
5. Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, dl. VI
(Leiden 1924) 675.
6. Algemene Geschiedenis der Nederlanden, dl. 8 (Leiden
1937) 222 e.v.
7. Zie noot 5.
8. W.A. Elberts, Historische wandelingen in en om
Zwolle (herdruk Zwolle 1973) 35.
9. C.W. van der Pot, Zwolle’s omgeving omstreeks 1900
(Zwolle, s.a.) 90.
10. Th.J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle, dl. II (Zwolle
1961) 239,259.
11. Zie noot 2.
12. J. Erdtsieck, Geloven zonder confessie (Zwolle 1991)
en W.A. Huijsmans, ‘Maria W.J. Milatz (1872-
i935)’> in: Overijsselse biografieën^ (1993) 63-66.
13. Zie de adresboekjes uit deze jaren.
14. GAZ, Archieven van de Hervormde Gemeente te
Zwolle (KA017), Notulen diaconie, inv.nr. 238-239;
en Jaarverslagen van Kinderzorg over 1915, 1916 en
1917.
15. Gegevens uit Toestand der Gemeente 1919-1925.
16. GAZ, KAO17 inv.nr. 456.
17. Zie: Berkenvelder, 118, en de adresboekjes van die
jaren.
Kamperstraat 10.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT 89
IJsselvliet, een verdwenen buitenplaats
Niet ver van de Katerveersluizen in Spoolde,
tegen de voet van de IJsseldijk, stond
al in het begin van de achttiende eeuw
een spijker of buitenplaats, IJsselvliet genaamd.
Het was één van de vele buitenplaatsen en havezaten
die gelegen waren in het gebied rond Zwolle.
Zij dienden als zomerverblijf voor personen die in
de stad een belangrijke functie vervulden. Het was
er heerlijk toeven. De rust en de landelijke omgeving
droegen ertoe bij dat de bewoners zich ongestoord
konden bezighouden met kunst en wetenschap.
Het waren ideale plaatsen om gedachten in
poëzie- of prozavorm aan het papier toe te vertrouwen,
zoals Rhijnvis Feith deed op Boswijk en
Jacob Serrurier op het: Rodehuis. Met familie en
gasten kon worden gediscussieerd over allerlei
politieke en wetenschappelijke onderwerpen. Ook
musiceren was een geliefd tijdverdrijf.
De buitenplaats IJsselvliet was tot 1840 in het
bezit van de families Greven en Nilant. In dat jaar
werd Jacob H. graaf van Rechter en eigenaar, die
het huis liet herbouwen. Dit nieuwe huis werd al
in 1869 door de latere eigenaar om onduidelijke
redenen voor afbraak verkocht. Het koetshuis en
de stalling bleven staan. Beide bouwsels stonden
aan de Nilantsweg. Later hoorden ze bij het boerenerf
van Egbert Westerhof. Bij de bouw van huizen
aan de Nilantsweg, genummerd 41-47, zijn ze
afgebroken.
In het koetshuis was een steen aangebracht,
waarop stond te lezen dat J.H.A.E. van Rechteren
– een dochtertje van de graaf- op 16 juli 1842 de
eerste steen had gelegd.’ Met de afbraak in
1958/1959 is deze laatste herinnering aan IJsselvliet
verdwenen.
De ligging
Op de dijk in Spoolde, onder de nieuwe IJsselbrug
waarover het verkeer in een continue stroom
raast, ziet men de pijlers van de brug bij Kampen
hoog uit het IJsselwater oprijzen. Ook de contouren
van enkele hoge gebouwen zijn nog vaag
zichtbaar. Geheel anders was, zo dicht bij het
Katerveer, het vroegere uitzicht vanuit IJsselvliet.
Het stomme vee graast zomers nog even vredig
als eeuwen gelegen op de verhoogde IJsseldijken
en in de groene weilanden achter de huizen aan de
Nilantsweg. Koeien doen zich tegoed aan het malse
gras, dat groeit waar eens de riante buitenplaats
IJsselvliet gestaan heeft. Van die plek is echter zelfs
geen kleine oneffenheid meer in het weiland te
zien. Alles is ‘keurig’ geëgaliseerd.
De buitenplaats heeft tegen de voet van de IJsseldijk
gestaan. De toegang naar de buitenplaats
vanaf de Nilantsweg lag tussen Nilantsweg 41 en
41-1, tegenover een boerderij. Een lichte krom-
Wim Huijsmans
De Katerveersluizen
omstreeks 1935.
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
ming in de Nilantsweg, die ook nu nog valt waar te
nemen, is het enige wat nog herinnert aan de plek
waar de oprijlaan naar IJsselvliet begon. Ook van
het koetshuis en de stalling ligt geen steen meer op
de ander. Een toevallige ontmoeting met een
geboren en getogen Spoolderse leerde mij dat de
grond er vol met puin zit…
Vroegste bewoning
Als eerste eigenaar van de buitenplaats IJsselvliet
wordt genoemd Arnoldus Greven, cameraar van
Zwolle. Als zodanig was hij belast met het financieel
beheer van de stad. In het markeboek van
Spoolde werd hij op 3/4 juli 1743 als eigenaar van
IJsselvliet aangeslagen voor het onderhoud van
één roede en zes voeten van de Spoolderdijken
langs de IJssel.2
Op 25 september 1740 legde Greven zijn laatste
wil vast in een testament, ten overstaan van de
schout van Zwollerkerspel.3 Het is jammer dat de
inhoud van zijn ‘gesloten’ testament niet bekend
geworden is. Gebruikelijk was dat na het overlijden
zo’n wilsbeschikking op het stadhuis werd
afgeschreven in het testamenten-register. Dit is
helaas bij de laatste wil van Arnoldus Greven niet
gebeurd. De inhoud ervan is daarom niet bekend.
Het is echter waarschijnlijk dat hij IJsselvliet nagelaten
heeft aan zijn dochter Agnes Greven, die op
20 september 1723 te Zwolle getrouwd was met mr.
Lucas Nilant, gemeensman der stad Zwolle. Uit
dit huwelijk werden zes kinderen geboren, van wie
één jong overleed.4 Lucas Nilant werd in hetzelfde
markeboek in 1757 genoemd als markerichter van
Spoolde.
Strijd op het Fricadelleneiland
Lucas Nilant kreeg het in 1757 aan de stok met de
heer van Yrst, bewoner van de buitenplaats aan de
overzijde van de IJssel. Hij had ‘een troup volk’
naar het Fricadelleneiland of de Twijgwelle in de
IJssel gestuurd om twijg te snijden. Dit gebeurde
blijkbaar tegen alle regels in, want ook Nilant gaf
opdracht aan dertien Spoolder boeren om twijg te
snijden en daarbij gebruik te maken van de schuit
van de Katerveerman. Zij mochten niet gewelddadig
worden of de Yrsters ‘onjurieus’ bejegenen.
Zwijgzaam sneed elk van beide groepen zijn twijg.
Na verloop van tijd ging de Yrster ploeg terug met
slechts een halve vracht. Eén persoon” rende na
terugkeer aan de Gelderse zijde in allerijl naar huize
Yrst, zoals markerichter Nilant, die ‘alles door
de verrekijker distinctelijk observeerde’, in zijn
verslag van 10 oktober 1757 vermeldde. Er werd
vervolgens met geladen snaphanen in de lucht
geschoten om de Spoolders te intimideren. De
‘strijd’ duurde enige dagen voort, maar toen de
Yrster groep niet meer kwam opdagen om twijg te
snijden, was het probleem uit de wereld. Nilant
verhaalde er uitgebreid over in het markeboek. Hij
borg de twijg op in de ‘bourenhof bij IJsselvliet.5
Het leven op IJsselvliet
De familie Nilant bracht de zomers door op IJsselvliet
en woonde ’s winters in de stad. Op 26 augustus
1762 schreef Lucas Nilant een brief aan zijn
dochter Willemina Agnes. Zij verbleef in Beverwijk
bij de doopsgezinde (!) predikant Antonius
van der Os, die in Zwolle als hervormd predikant
was afgezet.6
De ‘laatste nieuwtjes’ in de brief geven een aardige
kijk op het landleven. Zo schreef Nilant dat er
een grote sterfte onder het vee was. Op het bouwhuis
bij IJsselvliet woonde een nieuwe boer,
Berend van Dam, die al zeven stuks vee verloren
had. Op religieus gebied kon hij melden dat binnenkort
de benoeming van ds. Adama door de
classis zou worden goedgekeurd. In verband met
zijn komst verzochten de Zwolse predikanten aan
het stadsbestuur vrijdom van wagenvrachten voor
de predikanten uit de regio, maar dat werd niet
verleend. Ander nieuws was dat de heer Scriverius
hals over kop naar Den Haag was vertrokken,
alwaar zijn dienstbode plotseling bevallen was. En
toen afgelopen zondag de familie Nilant aan tafel
zat, daverden de glazen in de kast. Dochter Hillegonda
dacht aan een aardbeving, omdat er geen
vleugje wind was ‘waardoor de glasen souden
kunnen rammelen’.
Mocht mevrouw Van der Os nog fruit willen,
dan zou Nilant dat wel toezenden. Ook kon ze
grote noten krijgen, als die al niet door de vele
regen bedorven waren. De neerslag was zeer
schadelijk voor de vruchten, want de pruimen
barstten en de grote noten werden zwart. Het zaad
ZWOLS HISTORISCH TIJDSCHRIFT
en de erwten begonnen al uit te lopen. De slakken
vraten de kroppen uit het veld.
Ook met de dienstboden waren er problemen.
Nilant zag de ene vanwege haar ‘lichaems gesteldheijd’
liever niet terugkomen, een andere kon niet
komen omdat zij ‘haar belijdenis gaet leeren tegen
St. Michiel’ (29 september). Vrouw Giele, die
dienstboden verhuurde, had ook niet veel capabele
krachten, of zoals Nilant schreef, ‘sij heeft
tegenwoordig niet dan uitschot op haer lijst’. Ze
had nog wel een ‘schepsel’ met de naam Margrietjen
op het oog, die moeilijk met haar moeder
overweg kon. Maar het zag er naar uit dat de familie
zich met één keukenmeid ‘also sukkelende’
moest behelpen en mevrouw ‘mede voor kokkinne
sal moeten spelen’. De brief geeft op een unieke
wijze aan wat bewoners van een buitenplaats in de
achttiende eeuw zoal bezig hield.7
De familie Nilant
Het gezin van mr. Lucas Nilant (1691-1767) en
Agnes Greven (1698-1731) bestond uit vier dochters
en een zoon Lambertus (1728-1778). Drie
dochters van de markerichter overleden ongehuwd,
de vierde trouwde in 1767 met de medicinae
doctor Rudolf van Sonsbeek. In hetzelfde jaar
stierf Lucas Nilant. IJsselvliet bleef onverdeeld in
het bezit van zijn kinderen, die tussen 1778 en 1803
overleden.
Omvang van de buitenplaats
In het register van de 50e penning, een belasting
die men bij verandering in het bezit van onroerend
goed moest betalen, werd het goed in 1783 als
volgt omschreven: ‘Het erve en goed Isselvliet of
de Colk te Spoolde, bestaande in ’t Spijker en boerenhuis
met de hoven en plantagien, de sogenaemde
Pol aan de weg en aangelegen landen, twee
koeweiden en één pinkeweijde op de Spoolderweideweert,
het Dijkcampje en voorenste akker bouwland
op Spoolderbroek, de lange Marsch tegenover
IJsselvliet tot aan de Spoolderberg, de gehele
Brinkmersch, de hoge of Kruiscamp en ’t Clavercampje
bij ’t Rode Enk tegenover ’t goed van de
Heer Dr. van Toor de Kortenberg .. .’.8
Omdat het van belang was het ene stuk land
van het andere te onderscheiden — het kadaster
G K UJN U £ N , op liet Matfs ‘Wijnhuis te Zwolle, op Miiigsda%
den. asten ‘Jvgnsiv* J8S7 , ‘ Ües morgens Ie elf men , te doen
Inzéileh ,”eu drie nekeu daarna op tijd en plaats Toorschievcn te Terk
o o p e l i : ‘ ‘ ‘ : ‘ ” “” • • • • • • ‘ • • • • • “: – • • .
S’H. Een zeer aangename B ü I T E .NP LA A T S , IJ S S E L FL IE T
”•”’• gifiaiama , gelegen”iu; de; Buurschap Spoolde ^ geineenle Zwollerkcrspel,
aan de straatweg’bij het Katerrecr,’: een lialf • riur a n d o
Slad Zwolle, bestaaude ïli zeer logeabel H E E R E N I I U I S , waarjil
To’ndcrsclieideiie-te